Jeanne d'Albret

Vorstin van de hugenoten, de Franse calvinisten

Franse Reformatie via Zwitserland

Als Luther in 1517 zijn 95 stellingen publiceert, is Briçonnet een jaar bisschop van de oostelijk van Parijs liggende provinciestad Meaux. Hij is eerder abt van het benedictijnenklooster Saint-Germain-des-Prés in Parijs geweest en vertegenwoordiger van koning Frans I bij overleg met de paus. Rondom hem en zijn vicaris-generaal Lefèvre d’Étaples (die de bijbel in het Frans vertaalt) ontstaat een groep van evangelisch geïnspireerde humanisten, die de Cercle de Meaux genoemd wordt. Deze groep wordt sterk beïnvloed door de teksten van Luther, legt het accent op bijbelstudie en vindt dat de kerk moet terugkeren naar de eenvoud van de eerste eeuwen na Christus. Briçonnet wordt beschuldigd van het verspreiden van lutheraanse denkbeelden, maar wordt door het Parlement van Parijs vrijgesproken. Dat is wellicht te danken aan bescherming van het koninklijk hof, omdat hij de biechtvader is van Margaretha van Valois, de zus van de koning en de man van Henri II d’Albret. Hij kan bisschop blijven. Maar verschillende medestanders vluchten uit Frankrijk weg. Een drietal van hen oefent na hun vlucht naar het Franstalige deel van Zwitserland via hun preken en geschriften grote invloed uit op de verspreiding van de reformatie in Frankrijk. Dat zijn: de in Gap geboren Guillaume Farel; de in Noyon geboren Jean Cauvin (Johannes Calvijn); en de in Vézelay geboren Théodore de Bèze. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze alle drie in Genève leidende predikanten worden. Théodore de Bèze is in 1561 de delegatieleider van de hugenoten bij het Godsdienstgesprek van Poissy.

De Franse protestanten organiseren zich

De meeste hervormingsgezinden vluchten niet naar het buitenland, maar gaan ondergronds en organiseren in het geheim hun religieuze diensten. In 1551 wordt een koninklijk besluit uitgevaardigd waarbij het verklikken van ‘ketters’ verplicht gesteld wordt en daarvoor beloningen worden uitgekeerd. De censuur op protestantse geschriften wordt verscherpt. Toch kunnen deze maatregelen de verspreiding van het protestantisme niet voorkomen. Het gezag van de centrale overheid, het koninklijk gezag, strekt zich in die tijd ook nog niet uit tot in alle uithoeken van het rijk. In het geheim komen in 1559 vertegenwoordigers van 72 plaatselijke protestantse gemeenten in Parijs bij elkaar om afspraken te maken over een gemeenschappelijk organisatiemodel. Men besluit daar de inrichting van het Geneefse kerkmodel van Calvijn als grondslag te nemen voor het eigen land. In korte tijd groeit het aantal calvinistische gemeenten tot boven de 2000.

De gematigde koers heeft geen kans van slagen

In datzelfde jaar 1559 sterft de Franse koning Henri II van Valois ten gevolge van verwondingen opgelopen tijdens een toernooi. Achtereenvolgens komen daarna drie van zijn zoons op de troon: de eerste is de vijftienjarige Frans II, vervolgens de tienjarige Karel IX en ten slotte de 23-jarige Henri III. De orthodox katholieke familie De Guise probeert vanwege de minderjarigheid van de koning in 1559 de macht naar zich toe te trekken. Maar de katholiek gematigde koningin-moeder Catharina de’ Medici weet dat met hulp van de Staten-Generaal (de standenvergadering) én met steun van calvinistische edelen te voorkomen. Zij wordt daarmee regentes tijdens het koningschap van haar twee oudste zoons. Ze probeert te laveren tussen de geharnaste contrareformatorische partij van een grote groep katholieke edelen onder leiding van De Guise en de felle calvinistische partij met als leider De Coligny. Die tussenpositie verklaart haar initiatief voor het Godsdienstgesprek van Poissy en de Vrede van Saint-Germain-en-Laye. Ook Jeanne d’Albret, die zelf tot de hugenoten behoort, staat een verzoeningspolitiek voor en steunt Catharina in haar pogingen. En dat dus ondanks hun tegengestelde religieuze keuzes en het feit dat ze elkaar lang niet in alle opzichten vertrouwen.

De Bartholomeüsnacht, 24 augustus 1572

Op 18 augustus 1572 trouwt de hugenoot Henri de Bourbon – twee maanden na de dood van zijn moeder en met pauselijke goedkeuring - met de katholieke prinses Marguerite. De huwelijksplechtigheid vindt plaats in het conservatieve katholieke bolwerk Parijs. De toestroom van honderden calvinistische edelen irriteert de katholieke partij hevig. In de dagen na de bruiloft wordt op de hugenotenleider De Coligny een aanslag gepleegd, die hem licht verwondt. De angst voor wraak van de zijde van de hugenoten is bij de katholieken groot en ten paleize wordt door hertog De Guise en Catharina de’ Medici druk uitgeoefend op koning Karel IX om in te grijpen. Deze geeft vrij baan aan De Guise en zijn makkers. Nadat deze de stadspoorten heeft laten sluiten, worden in de nacht van 23 op 24 augustus (gedenkdag van St. Bartholomeus) protestantse bruiloftsgasten vermoord, onder wie De Coligny. Ook andere Parijse calvinisten ontspringen de dans niet. Bij elkaar worden 2 à 3000 personen in koelen bloede gedood. Het koninklijke huwelijk met de gruwelijk pogrom aan het eind krijgt in de geschiedenis de naam ‘Bloedbruiloft’. De bruidegom, Henri de Bourbon, krijgt overigens de gelegenheid zijn leven te redden door onmiddellijk voor het katholicisme te kiezen, hetgeen hij doet, maar later weer herroept. Na Parijs gaat het moorden in alle grotere provinciesteden door en daar sneuvelen zeker nog eens 3 à 4000 hugenoten. In Rome laat de paus een plechtig Te Deum aanheffen en koning Filips II van Spanje zendt aan Frankrijk gelukwensen met als tekst: “Dit is een van de meest vreugdevolle gebeurtenissen van mijn leven”. En na al dat bloedvergieten zijn de hugenotenoorlogen nog lang niet ten einde: er zullen er nog vier volgen… De verzoening, mede door Jeanne d’Albret nagestreefd, kan pas na de aanvaarding van het koningschap door haar zoon gerealiseerd gaan worden.

Bartholomeusnacht, 24 augustus 1572. Schilderij door Francois Dubois (1529-1584). Moordpartij op protestantse bruiloftsgasten bij het huwelijk van de protestantse Henri de Bourbon met de katholieke prinses Marguerite. Later zal men spreken over de 'Bloedbruiloft'.

Musée cantonal des Beaux-Arts Lausanne / Wikimedia Commons