Jan de Jong

Een standvastig kerkleider in de oorlogsjaren van ‘40 – ‘45

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking

Kinderjaren op Ameland
Jan de Jong wordt op 10 september 1885 geboren in Nes op Ameland. Hij is de oudste zoon van bakkersknecht Jan de Jong en Trijntje Mosterman en wordt vernoemd naar zijn opa van vaderskant. Zijn drie jaar jongere broer krijgt de naam Johannes, genoemd naar opa van moederskant. Om het gezin van uiteindelijk zes jongens en twee meisjes goed te onderhouden begint vader Jan een eigen bakkerij en hij houdt in de schuur van zijn nieuwe, grotere huis ook een paar varkens en koeien. Hoewel de leerplicht nog niet bestaat, gaat Jan wel naar school, de enig beschikbare openbare lagere school, en hij is daar een leergierige leerling. Frans en Latijn leert hij van pastoor Otger Scholten, de pastoor die 52 jaar lang zijn taak op Ameland vervullen zal. Jan wordt bij hem misdienaar en zal van hem vele boeken lenen, vooral van historische aard. De pastoor bereidt Jan voor op een priesteropleiding aan het kleinseminarie.

Priesterstudie

Ameland valt in die tijd kerkelijk onder het aartsbisdom Utrecht. Ome Jan Mosterman, die zuivelfabrikant is, brengt zijn dertienjarige neefje in de kerstvakantie van 1898/1899 in een reis van drie dagen naar het kleinseminarie Kuilenburg in Culemborg. Daar begint Jan meteen in de tweede klas en hij kan al snel zo goed meekomen, dat hij in alle vakken de beste van zijn klas wordt. Ook leert hij binnen zes weken sigaren te roken, zoals dat van elke priester in die tijd verwacht wordt. Ameland is nu ver weg. Zo ver dat hij zelfs niet naar de begrafenis van zijn moeder kan, wanneer deze in februari 1900 sterft.
In 1904 wordt de tweede fase van de priesteropleiding begonnen aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen. De dagen worden gevuld met kerkgeschiedenis, filosofie, exegese (Bijbeluitleg) en moraaltheologie. Het is nogal schools onderwijs, dat voor Jan veel ruimte laat om te lezen en studiegenoten te helpen. Op 15 augustus 1908 wordt de 22-jarige Jan in de aartsbisschoppelijke Catharinakerk van Utrecht tot priester gewijd. De week daarop volgt zijn eerste, feestelijke eucharistieviering in het kerkje van zijn geboorteplaats Nes met de 81-jarige pastoor Scholten als zijn assistent. Voor het eerst sinds 1515 is een Amelandse jongen weer priester geworden!

De omweg naar Rijsenburg

Na een korte vakantie op Ameland vertrekt de jonge priester in opdracht van zijn bisschop naar Rome voor een theologische vervolgstudie aan de Gregoriana, de pauselijke universiteit. Hij voelt zich in het conservatieve centrum van de wereldkerk goed thuis. In drie jaar tijd promoveert hij twee keer: hij wordt doctor in de filosofie en in de theologie. Toch vindt hij ook tijd om Rome van alle kanten te verkennen en maakt hij een reis naar Napels.
Terug in Nederland wordt hij eerst assistent-kapelaan in de parochie Het Zand in Amersfoort en nauwelijks een jaar later conrector van het klooster van de zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort. Hier geeft hij onder meer catechismuslessen aan de meisjes die op het internaat verblijven. Dat zijn twee verschillende groepen: pensionaires uit ‘de deftige stand’ en kwekelingen in opleiding voor onderwijzeres. Daarnaast geeft hij godsdienstles aan de arme meisjes van het Mariagesticht. Hij is een verlegen en houterige leraar, maar ook geliefd en hij wordt vaak in vertrouwen genomen.
Dan wordt hij in 1914 op 29-jarige leeftijd benoemd tot professor in de kerkgeschiedenis aan het hem vertrouwde grootseminarie Rijsenburg. Hoewel hij geen gepromoveerd kerkhistoricus is, zal hij dit vak met verve gaan beoefenen. Zijn gedegen vierdelige Handboek der Kerkgeschiedenis getuigt daarvan. Meer dan een halve eeuw zal dit hét studieboek op dat terrein zijn op de priesteropleidingen in Nederland en Vlaanderen. Het lesgeven is vooral dicteren aan zo’n honderd studenten tegelijk: saai, licht rumoerig en ook degelijk. Eén college geven per dag, vier dagen in de week, en verder studeren en schrijven maken van hem een echte boekenman. In 1931 benoemt de bisschop hem tot president van het grootseminarie. Deze functie vraagt kwaliteiten van bestuurlijke en inlevende aard. Nu blijkt de grote wijsheid van dr. De Jong en valt hij bij de overige Utrechtse kerkbestuurders op als bekwaam adviseur van de bisschop. Een voordracht aan de paus hem tot hulpbisschop te benoemen komt daar waarschijnlijk uit voort.

Aartsbisschop in oorlogstijd

In 1935 wordt Jan de Jong eerst tot hulpbisschop met recht van opvolging benoemd en op 8 februari 1936 volgt hij Mgr. Jansen op als aartsbisschop van Utrecht. Hij is dan vijftig jaar en de eerstkomende vijftien jaar zal hij wonen in het aartsbisschoppelijk paleis aan de Maliebaan in Utrecht. Binnen een paar maanden blijkt al zijn ferme houding tegenover fascisme en nationaal-socialisme: in mei 1936 verschijnt de bisschoppelijke brief met het verbod voor katholieken om (in belangrijke mate) steun te verlenen aan de Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert. Deze zal zich hierover in het Vaticaan in Rome gaan beklagen, maar daarbij geen succes boeken.
Na de Duitse inval in ons land zal opnieuw blijken dat Mgr. De Jong niets moet hebben van de nazi’s en hun meelopers. Het lidmaatschap van de NSB en de nazi-organisaties wordt voor katholieken zonder meer verboden. Als in juli 1942 de eerste transporten van joden van Amsterdam naar het doorgangskamp Westerbork beginnen, reageren de gezamenlijke kerken met een schrijven, dat op 26 juli ook in de katholieke kerken wordt voorgelezen. Alle anti-joodse maatregelen worden fel veroordeeld en de gelovigen worden opgeroepen geen medewerking te verlenen aan de uitvoering daarvan. Rijkscommissaris Seyss-Inquart reageert direct met represailles: 245 katholiek geworden joden, zoals de karmelietessen Edith Stein en haar zus Rosa, worden opgepakt en op transport gesteld. Er zijn verschillende aanwijzingen voor om aan te nemen dat mgr. De Jong er bij paus Pius XII op heeft aangedrongen zich publiekelijk uit te spreken tegen de jodenvervolgingen. Dat deze dat niet gedaan heeft, komt wellicht ook voort uit angst voor represailles zoals in Nederland zijn gevolgd.

Lichamelijke zwakte

Mgr. De Jong is een grote, forse man. Toch heeft hij al voor de Tweede Wereldoorlog hartproblemen, waardoor het roken geminimaliseerd moet worden. In november 1942 wordt hij getroffen door een beroerte en moet hij langdurig rust houden. In juli 1944 overkomt hem een auto-ongeluk, waardoor hij vanwege een ernstige hersenschudding voor vier maanden in het ziekenhuis belandt. En ondanks deze lichamelijke problemen blijft De Jong de ontwikkelingen in het land goed volgen. In december 1944 roept hij in een bisschoppelijk schrijven alle katholieken op ook tijdens de Hongerwinter hun christenplicht te vervullen door te geven aan hen die niets meer hebben en niet economisch te profiteren van de honger van anderen.
Vlak voor de kerstdagen van 1945 benoemt de paus mgr. De Jong tot kardinaal: een eerbetoon voor deze standvastige man in oorlogstijd. Hij is overigens te vermoeid en te zwak om zelf naar Rome te reizen voor de kardinaalscreatie. Voor hem vindt die plechtigheid plaats onder leiding van de pauselijke nuntius in de Catharinakerk in Utrecht. In de zomer van 1946 is de conditie van de nieuwe kardinaal zo ver hersteld, dat hij alsnog naar Rome kan afreizen om de paus te ontmoeten. In 1951 wordt in Utrecht de oud-testamenticus professor Bernard Alfrink benoemd tot hulpbisschop. Mgr. De Jong verhuist naar het klooster van de zusters van O.L. Vrouw te Amersfoort en hij geeft Alfrink de dagelijkse leiding in Utrecht. De laatste moeizame jaren leeft hij teruggetrokken en hij overlijdt in zijn slaap op 8 september 1955. De uitvaartplechtigheden vinden in Utrecht plaats onder overweldigende belangstelling.
Kardinaal De Jong

In 1935 werd De Jong benoemd tot hulpbisschop van de toenmalige aartsbisschop van Utrecht. Een jaar later werd hij diens opvolger. Als wapenspreuk koos hij Dominus mihi adjutor (De heer is mijn Helper, Psalm 118). In zijn wapen is de wassende maan van het wapen van Ameland opgenomen.

Aartsbisschop De Jong (in het midden) met de vier andere Nederlandse bisschoppen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Jong bij het monument voor oorlogsslachtoffers in 's Heerenberg. Ook de pastoor en kapelaan in deze plaats waren tijdens de oorlog omgekomen.

Ondanks zijn zwakke gezondheid maakte De Jong in 1946 toch een reis naar Italië, waarbij hij paus Pius XII in diens buitenverblijf in Castel Gandolfo ontmoette.