Juliana van Stolberg

De religieus bewogen stammoeder van het Huis van Oranje-Nassau

De jeugdjaren

Juliana van Stolberg wordt in 1506 geboren in het slot van Stolberg, gelegen aan de zuidrand van het Harz-gebergte in Midden-Duitsland. Haar vader is Botho III, graaf van Stolberg-Wernigerode en haar moeder is Anna van Eppstein-Königstein. Juliana is het vijfde kind in het gezin, dat dertien kinderen zal gaan tellen. Ze groeit op in een groot kasteel met veel personeel, goede leermeesters, volop luxe en afwisseling. Er worden vaak feestelijke bijeenkomsten georganiseerd, vooral op de katholieke hoogtijdagen door het jaar heen. Al vroeg komt overigens het gedachtegoed van Maarten Luther binnen bij de grafelijke familie. Er wordt in 1512 een hofkapelaan benoemd die in Wittenberg gestudeerd heeft en bevriend is met Luther. De familie is niet alleen rijk – onder meer vanwege de zilvermijnen in het gebied - maar ook invloedrijk. Vader Botho is zelfs een vertrouweling en adviseur van de Duitse keizers Maximiliaan I en Karel V.

Juliana van Stolberg

Vroeg uit huis

Als Juliana dertien is verhuist ze naar de burcht Butzbach im Taunus, de bij Frankfurt am Main gelegen residentie van haar kinderloze oom graaf Eberhard van Eppstein-Königstein. Haar oudere broer Ludwig, die door hem als eerste erfgenaam is aangewezen, haar zusje Maria en jongste broertje Christoph gaan met haar mee. Een jaar later (1520) wordt voor Juliana op papier al een huwelijk geregeld met de vijf jaar oudere Filips II graaf van Hanau-Münzenberg. De ondertekenaars van het contract zijn haar vader Botho, haar oom Eberhard, de (toekomstige) bruidegom Filips en diens voogd Willem de Rijke, graaf van Nassau-Dillenburg. Juliana blijft nog bij haar oom wonen tot na de bruiloft, die in juni 1523 in Hanau plaatsvindt. De festiviteiten met ongeveer 350 gasten duren verschillende dagen. Vanaf datzelfde jaar krijgt het lutheranisme in het graafschap Hanau-Münzenberg alle ruimte om zich te verspreiden; ook de hofkapelaan sympathiseert er mee. Er volgen zes gelukkige huwelijksjaren, maar wanneer Juliana zwanger is van haar vijfde kind, sterft haar man Filips plotseling op 27-jarige leeftijd. Voor de erfopvolging door de pas drie jaar oude Filips III moet een voogdij geregeld worden. Deze wordt opgedragen aan de weduwe Juliana en drie edelen, van wie Willem de Rijke er een is. Zij regeren gezamenlijk over het graafschap tot 1551.

Huwelijk met Willem de Rijke van Nassau-Dillenburg

In het jaar 1529, waarin Juliana van Stolberg weduwe wordt, overlijdt ook de eerste vrouw van Willem de Rijke. Juliana en Willem kennen elkaar dan al vele jaren. Zo is Juliana in 1522 in Siegen aanwezig bij de doopplechtigheid van Magdalena, de tweede dochter van Willem. In 1531 zal dat meisje haar stiefdochter worden, omdat Juliana dan met Willem de Rijke trouwt, die bijna twintig jaar ouder is dan zij. De vaste residentie van Willem de Rijke en zijn nieuwe vrouw Juliana wordt het slot van Dillenburg. Daar wordt in 1533 het eerste van hun twaalf kinderen geboren, dat ook Willem gaat heten, de latere prins van Oranje. Hij wordt nog katholiek gedoopt, ondanks de lutherse sympathieën aan het hof. Vader Willem hecht daar dan nog aan omdat hij beslist de steun van de katholieke keizer Karel V wil behouden, vanwege een slepende erfeniskwestie rondom het graafschap Katzenelnbogen. Juliana verzet zich niet tegen een katholiek doopritueel: voor haar geldt dat voor zowel katholieken als lutheranen de doop een christelijk-sacramentele handeling is.

Willem de Rijke

Voor de kinderen van Willem en Juliana, verdere familieleden en bevriende adellijke families, en later voor vele kleinkinderen wordt op het slot Dillenburg de grafelijke hofschool ingericht, die onder toezicht van Juliana komt te staan. Het onderwijs, gegeven door verschillende docenten, staat er op hoog niveau. De kinderen worden ook ingeleid in de lutherse leer en er wordt gelezen uit de door Luther vertaalde bijbel. Die kinderschare woont op de Dillenburg en Juliana ziet toe op hun opvoeding. Zij heeft voor hen regels voor goed gedrag opgesteld, bovenop de algemene huisregels van het hof die voor alle slotbewoners gelden. Verder is Juliana zeer geïnteresseerd in de geneeskrachtige werking van kruiden. Ze onderhoudt haar eigen kruidentuin en verwerkt kruiden tot medicinale poeders. Vanuit het gelijknamige, aan de voet van de Dillenburg gelegen stadje weet men de gravin te vinden om van haar heilzame kruiden voor de zieken te verkrijgen. De gravin daalt ook met regelmaat de berg af om zieken te bezoeken en bij te dragen aan hun verpleging.

Stammoeder op het familieslot

Door de vele zwangerschappen tijdens haar eveneens gelukkige huwelijksjaren met Willem de Rijke groeit Juliana uit tot de gravin die vrijwel continu leiding geeft aan het slot Dillenburg. Zij wordt de vaste burcht waar de kinderen altijd op kunnen terugvallen. Met haar man zet ze zich actief in voor de verspreiding van het lutheranisme zonder de katholieke onderdanen te belemmeren in hun godsdienstuitoefening. Haar oudste zoon Willem mag vanaf zijn elfde jaar wel verder katholiek opgevoed worden, als hem de erfenis ten beurt valt van zijn neef René van Chalon. Die katholieke opvoeding is voor Karel V de voorwaarde om de jonge graaf Willem van Nassau-Dillenburg in zijn nieuwe hoedanigheid als prins van (het nu in Frankrijk gelegen) Orange en heer van Breda te aanvaarden als hoogste edelman in zijn Nederlandse gewesten. Willem van Oranje komt vervolgens in 1544 als page aan het hof van regentes Maria van Hongarije in Brussel te wonen.

Na het overlijden van Willem de Rijke in 1559 volgt in Nassau-Dillenburg de tweede zoon, Jan VI, die veelal Jan de Oude genoemd wordt, hem als kasteelheer op. Door de goede relatie met haar zoon Jan en diens echtgenote kan Juliana haar invloedrijke positie aan het hof grotendeels behouden. Wanneer acht jaar later Willem van Oranje door zijn toenemend verzet tegen Filips II voor zijn leven moet vrezen, vlucht hij naar de Dillenburg. Hij wordt daar met een gevolg van ruim honderd man gastvrij welkom geheten. Er wordt vanuit de familie veel geld en energie gestoken in Willems gewapende strijd tegen de Spanjaarden en drie jongere broers van hem zullen in die strijd sneuvelen. Juliana heeft daar uiteraard veel verdriet van, maar is er blijvend van overtuigd dat het nodig is te strijden voor gewetensvrijheid en godsdienstige tolerantie. Ze vindt vervolgens ook dat er op de Dillenburg niet alleen plaats is voor de daar in 1567 geboren Maurits, zoon van Willem en diens tweede vrouw Anna van Saksen, maar ook voor het in 1571 geboren buitenechtelijke kind Christine van Dietz uit de relatie tussen dezelfde Anna en Jan Rubens, die later vader wordt van de schilder Peter Paul Rubens.

Laatste jaren

In de laatste jaren wordt voor Juliana het reizen naar de dochters, die door huwelijken over het Duitse rijk zijn uitgewaaierd, door lichamelijke gebreken (chronische hoofdpijn en nierstenen) steeds moeilijker. Na lange aarzelingen heeft ze zich in 1577 nog laten overtuigen door de geloofsopvattingen van Johannes Calvijn en is ze net als haar zoons Willem van Oranje en Jan de Oude nog overgegaan naar het calvinisme. Het kenmerkt haar bescheidenheid, dat ze haar kinderen niet verontrust over haar naderend einde. Zo komt het dat niet één van haar tien nog in leven zijnde kinderen op het moment van haar overlijden op 18 juni 1580 op de Dillenburg aan haar zijde is.