Joannes Zwijsen

De 19e-eeuwse bouwheer van de Katholieke Kerk van Nederland

Joannes Zwijsen

Jeugdjaren

Joannes Zwijsen wordt in 1794 geboren in het molenaarsgezin van Petrus Swijssen en diens tweede vrouw Wilhelmina van Herpen. Vader Petrus is afkomstig uit het in de Oostenrijkse (Zuidelijke) Nederlanden gelegen Tienen. Als beroepsmilitair in het Staatse leger van de Noordelijke Nederlanden wordt hij in ’s-Hertogenbosch gelegerd en ontmoet daar zijn eerste vrouw, de molenaarsdochter Cornelia van Heeswijk. Geholpen door zijn schoonvader wordt Petrus molenaar in Kerkdriel. Daar worden drie dochters geboren. Als hij na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwt, worden nog elf kinderen geboren, waarvan Joannes, meestal Jan genoemd, de oudste is. Hij wordt gedoopt in de katholieke schuurkerk van Kerkdriel. Acht jaar later betrekt het gezin de zgn. Stenen Watermolen in Berlicum-Middelrode. Na de lagere school in Berlicum gaat Jan voor twee jaar in de kost bij meester Van de Els, om op diens Franse School in Reek zijn eerste voortgezette scholing te krijgen. Na die twee jaar wil Jan priester worden en met het perspectief daarop wordt gekozen voor de Latijnse School van het kruisherenklooster van Uden. Drie jaar later zegt hij zijn hospita vaarwel en gaat naar de Latijnse School van de norbertijnen in Helmond, die dan rond de veertig leerlingen heeft. Het waarom van deze overstap valt wegens gebrek aan bronnen nu niet meer te achterhalen.

Grootseminarie Herlaer

In 1813 begint Jan Zwijsen aan de studie op het grootseminarie van het vicariaat (latere bisdom) Den Bosch, gevestigd in het kasteel Nieuw-Herlaer bij Sint-Michielsgestel. Dat seminarie is dan pas vijf jaar daarvoor gesticht, nadat de theologische opleiding van de Leuvense universiteit, waar de Brabantse priesters lange tijd werden opgeleid, door de Franse bezetters in 1797 gesloten is. Jan, de negentienjarige priesterstudent, krijgt tot zijn opluchting op voorspraak van de door Napoleon benoemde (tijdelijke) Bossche ‘bisschop’ vrijstelling van dienstplicht in het leger van Napoleon. Het onderwijsklimaat op het grootseminarie is sterk contrareformatorisch gericht en trouw aan de paus van Rome is allesoverheersend. Jan is een goede student, al zal hij nooit een wetenschapper worden. Omdat het vicariaat van ’s-Hertogenbosch in het overwegend protestante Nederland nog geen eigen bisschop mag hebben maar slechts een apostolisch vicaris, wordt Joannes Zwijsen tot priester gewijd door een bisschop-van-buiten. De aartsbisschop van Mechelen, graaf Franciscus de Méan, wijdt hem op 20 december 1817 in diens Rombouts kathedraal.

Pastorale zorg in Schijndel en Best

Na een paar korte assistentschappen wordt Jan Zwijsen in september 1818 benoemd tot kapelaan in de St. Servatiusparochie te Schijndel. Deze vrijwel geheel katholieke gemeenschap telt rond de 3500 zielen en wordt geleid door de zeventigjarige pastoor Van Alphen, die zijn kapelaans veel eigen ruimte gunt. Hier blijkt dat Zwijsen zich uitgaande van de strikte kerkelijke leer goed kan aanpassen aan de verschillende groepen waaraan hij catechese-les moet geven. Na deze tien jaar durende leerschool is hij klaar om pastoor te worden en hij krijgt de verantwoordelijkheid over de ruim 1800 gelovigen van de St. Odulphusparochie te Best. Hij kan goed opschieten met grootgrondbezitters, maar loopt ook net als zijn arme parochianen ’s winters op klompen naar de kerk. De invloed van pastoor Zwijsen strekt zich ook uit buiten de parochie: door hem wordt de bekwame en goed katholieke onderwijzer Matthijs Boelaars benoemd als onderwijzer op de enige, openbare school van het dorp. En bij een nieuwe burgemeestersbenoeming weet Zwijsen een eigen kandidaat naar voren te schuiven, die daarop ook benoemd wordt. Hij neemt zelfs koning Willem I voor zich in, die hem voor een gesprek in zijn rijtuig uitnodigt bij zijn doortocht door Best op weg naar Eindhoven.

Pastoor van ’t Heike in Tilburg

Met de benoemingsbrief van 11 mei 1832 wordt Joannes Zwijsen overgeplaatst van Best naar de parochie van ’t Heike in Tilburg. Die parochie wordt dan al zes eeuwen pastoraal bediend door de witheren van de norbertijner abdij van Tongerlo (gelegen in het huidige België). Door gedwongen sluiting van het klooster in de Franse Tijd wordt na de dood van de laatste norbertijner pastoor in 1832 een wereldheer gezocht als nieuwe pastoor. Dat wordt dus Zwijsen, die zelfs drie kapelaans als zijn medewerkers krijgt. Tot de parochie in de arme textielstad Tilburg behoren ongeveer 6000 gelovigen en de katholieke militairen van het garnizoen, dat een totale omvang heeft van zo’n 700 personen. De stafchef van het daar gevestigde leger is kroonprins Willem, de latere koning Willem II, die deels in Tilburg gaat wonen en met Zwijsen een vertrouwelijke band krijgt. Tijdens zijn koningschap laat Willem II in Tilburg een paleisje bouwen, dat nu het stadhuis is. Wanneer Willem II daar in 1849 na een kort ziekbed sterft, komen koningin Anna Paulowna en andere leden van de koninklijke familie naar Tilburg en logeren op de pastorie.

De goede betrekkingen van Zwijsen met kroonprins Willem blijken heel belangrijk voor het de stichting van het grootseminarie Haaren. Via zijn bemiddeling komt de koninklijke goedkeuring af voor de bouw van de nieuwe priesteropleiding. Na zijn troonsbestijging stemt Willem II in met de benoeming van Zwijsen tot coadjutor (plaatsvervanger met recht van opvolging) van de apostolisch vicaris van Den Bosch. Met assistentie van vier kapelaans kan Zwijsen dan nog steeds pastoor in Tilburg blijven.

Tijdens het pastoraat van Zwijsen in Tilburg laat hij zien dat christelijke naastenliefde in de dagelijkse praktijk goede organisatorische verbanden nodig heeft. Hij sticht voor de verpleging van zieken en de opvang van en het geven van onderwijs aan meisjes de Congregatie van de Zusters van Liefde. Later gevolgd door de stichting van de Congregatie van de Fraters van Tilburg, die een jongensweeshuis (met drukkerij) gaan beheren en zich specifiek toeleggen op het onderwijs aan de (arbeiders)jeugd om daarmee kinderarbeid en analfabetisme te bestrijden.

Apostolisch vicaris van ’s-Hertogenbosch en aartsbisschop van Utrecht

In 1851 wordt Zwijsen na het overlijden van Mgr. Den Dubbelden de nieuwe apostolisch vicaris van Den Bosch. Twee jaar later, na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (mogelijk geworden na de grondwetswijziging van 1848), wordt hij aartsbisschop van Utrecht. Daarnaast blijft hij het bisdom Den Bosch leiden. Dat geeft hem het excuus in Brabant te blijven wonen. Voor de Brabantse bestuurlijke taken krijgt hij een coadjutor.

Ondanks de grote deining in protestants Nederland na het herstel van de katholieke kerkorganisatie gaat Zwijsen in alle rust aan het werk om het aartsbisdom, dat zich uitstrekt van Utrecht tot Groningen, een nieuwe structuur te geven. De parochie-indeling, de kerk- en armbesturen, de dekenaten, de kerkenbouw, de kerkelijke financiën en de priesteropleiding: alles komt op de rails onder zijn krachtige bestuurlijke hand. Hierop voortbouwend organiseert hij in de St. Janskathedraal van Den Bosch een Provinciaal Concilie, waarin hij de ‘kerkelijke klokken’ in katholiek Nederland gelijkstemt. Na driehonderd jaar missiegebied te zijn geweest is de katholieke kerk in ons land dan bestuurlijk weer geheel opgetuigd en dat bevordert vervolgens de emancipatie van het katholieke volksdeel.

Van een aanslag tot zijn dood

In de nacht van 14 op 15 mei 1863 wordt Zwijsen bij een roofoverval op zijn woning beschoten, maar de hevig bloedende schotwond is niet dodelijk. De monseigneur herstelt snel, maar besluit wel kort daarna een huis te kopen in de binnenstad van Den Bosch, aan de Parade, schuin tegenover de St. Jan. Dat is nu nog steeds het bisschoppelijk paleis van Den Bosch.

Na afloop van het Provinciaal Concilie van 1865 is het reorganisatiewerk van Zwijsen min of meer voltooid. Bijna aan het einde van zijn aartsbisschoppelijk bestuur weet hij nog een gezamenlijke bisschoppelijke nota te formuleren, een mandement, waarin een oproep staat tot het stichten van eigen scholen voor katholieke leerlingen. En dan vraagt hij in 1868 ontslag aan als aartsbisschop van Utrecht. Hij blijft nog wel het bisdom Den Bosch leiden, en krijgt daarbij van de paus de titel ‘Aartsbisschop-Bisschop’, een uitzonderlijk eerbewijs.

Op 83-jarige leeftijd vloeien de krachten uit zijn lichaam weg en hij overlijdt na een kort ziekbed op 16 oktober 1877. Na de plechtige uitvaartdienst wordt hij begeleid door een stoet van 35 koetsen met kerkelijke en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders naar het kerkhof in de Bossche wijk Orthen. Op zijn graf staat inmiddels de bisschoppelijke grafkapel, waarin ook verschillende van zijn opvolgers zijn bijgezet.

't Heike of St. Dionysiuskerk in Tilburg. De kerk werd in 1826-1829 gebouwd en verving het oorspronkelijke gebouw uit 1600. De toren is het enige wat van deze kerk is overgebleven.

Wikimedia Commons / Johan Bakker

Haarendael in Haaren (N-B). Het vormde het hoofdgebouw van het vroegere groot-seminarie.

Wikimedia Commons

Het bisschoppelijk paleis aan de Parade in 's-Hertogenbosch

Wikimedia Commons

De Bisschopskapel op de Begraafplaats Orthen in 's-Hertogenbosch. In de crypte bevinden zich de graven van verschillende bisschoppen waaronder Zwijsen.

Wikimedia Commons / Johan Bakker