Bernardus Alfrink

De behoedzame kardinaal-aartsbisschop van een polariserende kerkprovincie

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking
Jeugd
Bernard Alfrink wordt op 5 juli 1900 geboren in het grotendeels protestantse Nijkerk. Hij is de derde zoon in het gezin van timmerman-aannemer Theodorus Alfrink en diens vrouw Elisabeth Ossenvoort. Een jaar later overlijdt Bernards moeder in het kraambed bij de geboorte van een tweeling, twee meisjes die slechts een paar maanden in leven blijven. De kleine Bernard komt onder de hoede van een kinderloze oom en tante in Barneveld. Rond zijn vijfde verjaardag keert Bernard terug naar Nijkerk, waar zijn vader inmiddels hertrouwd is met de bij het gezin inwonende huishoudster. Voor Bernard is zij eigenlijk zijn derde moeder, maar na een periode van gewenning kunnen zij het goed met elkaar vinden. Bernard gaat naar de katholieke lagere school, die slechts uit twee lokalen bestaat. Net als zijn twee broers wordt hij misdienaar in de naast zijn ouderlijk huis gelegen katholieke kerk. Hij komt vaak in de pastorie om van de pastoor boeken te lenen. De leergierige en intelligente Bernard lijkt het wel wat om ook zelf pastoor te worden.

Studiejaren
Het kleinseminarie van het aartsbisdom Utrecht is in die tijd in Culemborg gevestigd. Bernard doet er toelatingsexamen en slaagt als een van de besten. Hij start de opleiding met zo’n veertig medeleerlingen, die allemaal moeten wennen aan het dagritme op de kostschool met zijn grote studiezalen en slaapzalen met rijen chambrettes. Een geweldige overgang voor een dertienjarige, maar Bernard Alfrink past zich tamelijk gemakkelijk aan. De studie gaat goed en na zes jaar legt hij met een kleine groep ook het staatsexamen gymnasium af. Hij slaagt en vervolgt zijn opleiding in Culemborg met een jaar filosofiestudie. In 1920 begint Bernard de theologiestudie aan het in Driebergen gelegen grootseminarie Rijsenburg. Hier krijgt hij les van dr. Jan de Jong, de latere aartsbisschop en kardinaal, die hem colleges kerkgeschiedenis geeft. Op 15 augustus 1924, het hoogfeest van Maria-ten-Hemelopneming, vindt zijn priesterwijding plaats in de Sint-Catharinakathedraal in Utrecht.

Promotie
Het staat voor iedereen wel vast dat Bernard Alfrink verder moet studeren om later zelf hoogleraar aan het grootseminarie te kunnen worden. De vraag is alleen waar en met welke specialisatie. Aartsbisschop Henricus van de Wetering promoot zijn nog jonge Katholieke Universiteit van Nijmegen en beslist dat daar Bernards vervolgtraject ligt. Maar als paus Pius XI zijn bisschoppen oproept de knapste jonge priesters te selecteren voor een studie in Rome aan het Pauselijke Bijbelinstituut, heeft Van de Wetering geen betere kandidaat dan de jonge Alfrink. Zo wijzigt diens bestemming en is meteen duidelijk welke studie: het wordt Bijbelexegese. Alfrink vertrekt dus naar Rome. Eerst drie jaar colleges en dan het promotietraject. Als promotieonderwerp kiest Bernard voor de verschillende voorstellingen over het hiernamaals in respectievelijk Israël en Babylon. Voor het onderzoek gaat hij ook een jaar naar het Pauselijk Bijbelinstituut in Jerusalem. De afronding van het onderzoek loopt vertraging op, omdat de eerste versie van de eindtekst door theologische haarkloverij wordt afgewezen. Vandaar dat een herziening nodig is en Alfrink pas in 1930 promoveert tot doctor in de bijbelwetenschappen.

Kapelaan en hoogleraar
Om kennis te maken met de praktijk van de zielzorg wordt Alfrink in 1930 benoemd tot kapelaan in Maarssen. Zijn pastoor is daar de ervaren en wijze Rientjes, met wie Alfrink een heel goede werkrelatie krijgt en zelfs persoonlijk bevriend raakt. Drie jaar later volgt dan zijn benoeming tot hoogleraar Exegese aan Rijsenburg en keert hij terug naar zijn vertrouwde omgeving. De president van de opleiding is dan Jan de Jong, die evenwel twee jaar later tot aartsbisschop van Utrecht benoemd wordt. De gelukkige jaren in Rijsenburg worden slechts onderbroken door twee ingrijpende gebeurtenissen: een brand waardoor de kamer van Alfrink met al zijn boeken volledig in de as gelegd wordt, en de Tweede Wereldoorlog, waarin het hele grootseminarie moet uitwijken naar Laag Keppel in de Gelderse Achterhoek. Kort na de oorlog volgt de benoeming tot hoogleraar in de exegese van het Oude Testament en in het Hebreeuws aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Alfrink blijkt een degelijke, maar door zijn afstandelijkheid weinig inspirerende docent. Zijn ook internationaal gewaardeerde publicaties, o.a. over het bijbelboek Jozua, leveren hem de benoeming op tot consultor van de Pauselijke Bijbelcommissie.

Coadjutor, aartsbisschop en kardinaal

In 1951 wordt Alfrink door paus Pius XII benoemd tot bisschop-coadjutor van het aartsbisdom Utrecht om de zieke kardinaal De Jong te assisteren. Binnen de kortste tijd staat Alfrink er alleen voor, omdat de kardinaal zich terugtrekt in een klooster in Amersfoort. Alfrink krijgt dan ook meteen de schijnwerpers op zich gericht. Dat komt enerzijds door de manifestatie Honderd jaar Kromstaf in 1953, de viering van het jubileum van het herstel van de bisschoppelijk hiërarchie, en anderzijds door het Bisschoppelijk Mandement van 1954, waarin de katholieken het lidmaatschap van socialistische organisaties wordt ontraden of verboden. Alfrink manifesteert zich als een standvastige en behoudende prelaat. Na de dood van kardinaal De Jong wordt Alfrink in 1955 benoemd tot aartsbisschop van Utrecht en vijf jaar later volgt de verheffing tot kardinaal tijdens het pontificaat van paus Johannes XXIII. Tijdens het door deze paus bijeengeroepen Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) zal Alfrink uitgroeien tot een van de gezaghebbende concilievaders. Hij krijgt een plaats in de voorbereidingscommissie en wordt gekozen tot lid van het tienkoppige presidium. Met ondersteuning van o.a. de Nijmeegse theoloog en dominicaan Edward Schillebeeckx weet Alfrink bij te dragen aan verschillende conciliedocumenten. Zijn primaire doel, een permanente betrokkenheid van de bisschoppen bij het pauselijk bestuur en het reorganiseren van de Curie tot een uitvoerende instantie, begint vorm te krijgen. Weer thuis probeert Alfrink met enthousiasme de conciliebesluiten te vertalen voor de Nederlandse kerkprovincie. Daartoe wordt het Pastoraal Concilie (1966-1970) in Noordwijkerhout georganiseerd. Hier worden de inmiddels gegroeide tegenstellingen tussen de progressieven, die een grondige herziening van de praktijken in de kerk nastreven, o.a. beëindiging van het verplichte celibaat voor priesters, en de conservatieven, die dat afwijzen, pas echt zichtbaar. In de groeiende crisis binnen de Nederlandse katholieke kerk wordt door paus Paulus VI ingegrepen via de benoeming van conservatieve bisschoppen, zoals Simonis in Rotterdam (1970) en Gijsen in Roermond (1972).

Laatste jaren
Kardinaal Alfrink probeert behoedzaam de vleugels binnen de Nederlandse kerkprovincie te verzoenen en een goede relatie met het Vaticaan te bewaren. Allemaal tevergeefs: de polarisatie blijkt niet te stoppen. Als Alfrink ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag bij de paus ontslag vraagt wordt dat per kerende post verleend en komt de ervaren Romeinse bestuurder kardinaal Willebrands hem vervangen. Alfrink voelt zich teruggewezen en houdt zich daarna op de achtergrond. Hij ervaart nog wel erkenning door het bezoek van paus Johannes Paulus II aan hem in zijn appartement in Huis ter Heide tijdens diens reis door Nederland in 1985. Twee jaar later sterft Alfrink aan een hersenbloeding en wordt in Utrecht begraven naast zijn voorganger kardinaal De Jong.

Bernardus Alfrink

Bernardus Alfrink als jonge priesterstudent aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen, ca. 1920.
RKK Nederland

Statiefoto van Mgr. Alfrink gemaakt kort na zijn benoeming tot bisschop-coadjutor in het aartsbisdom Utrecht (1951).

Het St. Pietersplein tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Alfrink werd al gauw beschouwd als een van de gezaghebbende concilievaders.
Wikimedia Commons

Kardinaal Alfrink tijdens het Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout

Voor kardinaal Alfrink - inmiddels dan met emeritaat - betekende het bezoek van paus Johannes Paulus II tijdens diens bezoek aan Nederland (1985) een zekere erkenning.