Herman Schaepman

De strijdlustige katholieke emancipator van de negentiende eeuw

Scheiding van kerk en staat

In de achttiende eeuw is in Europa veel strijd geleverd tegen de machtsposities van de adel, de vorsten en de staatskerken. De Franse Revolutie van 1789 en de Europese oorlogen die hieruit voortkomen hebben die machtsbolwerken aangetast. De Staatsregeling voor het Bataafse Volk van 1798 maakt in Nederland een einde aan de standenmaatschappij en regelt in artikel 19: ‘Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart’. De godsdienstvrijheid geldt vanaf dat moment uiteraard ook voor de katholieken, maar er is dan nog geen eigen kerkorganisatie. Pas de grondwetswijziging van 1848 levert met het grondrecht van de vrijheid van vereniging en vergadering de basis voor het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. Vanaf 1853 hebben de katholieken in Nederland weer eigen bisschoppen. Ondanks het felle verzet hiertegen van de calvinisten in de Aprilbeweging kan de nieuwe opbouw van de katholieke kerkorganisatie gewoon doorgang vinden: kerk en staat zijn immers grondwettelijk gescheiden.

Katholiek centralisme

Het verlies aan wereldlijke macht van de katholieke kerk vindt zijn dieptepunt in de verovering van de Kerkelijke Staat door het koninkrijk Italië in 1870. Tegelijk wordt de centralisatie binnen de katholieke kerk afgerond in de afkondiging van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. Tijdens het pontificaat van paus Pius IX, dat duurt van 1846 tot 1878, krijgt dat zijn beslag. Dat zijn ook de vormingsjaren van Herman Schaepman. Boven de grote rivieren was nergens het katholicisme zo onaangetast gebleven als in Twente. Deze streek was pas laat in de Tachtigjarige Oorlog door de opstandige Republiek der Nederlanden veroverd en had de katholieke strijdbaarheid van de contrareformatie behouden. Schaepman groeit daarin op en hij ziet de groeiende machtsuitoefening vanuit Rome als ruggensteun in zijn strijd voor een gerechtvaardigde plaats voor de katholieken in de Nederlandse samenleving. Hierbij komt hij vaak in botsing met de katholieke leiders uit Brabant en Limburg. Die hoeven niet zo te strijden, omdat vrijwel iedereen hier katholiek is. De behoefte aan aparte katholieke scholen bijvoorbeeld wordt in de katholiek provincies minder gevoeld waar in de openbare scholen bijna uitsluitend katholieke onderwijzers en leraren te vinden zijn. Zowel de paus als de bisschoppen geven de richting aan die Schaepman wil gaan. De paus spreekt zich in de encycliek ‘Quanta Cura’ van 1864 uit tegen het liberalisme en de openbare school. De bisschoppen van Nederland roepen als vervolg daarop in het mandement van 1868 hun gelovigen op om eigen katholieke scholen te stichten.

Eenzame strijd

Schaepmans gedrevenheid botst met zijn geloofsgenoten niet alleen over (het tempo van) de schoolstrijd. Een ander punt is de katholieke partijvorming. Het districtenstelsel, waarbij elk district één volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer afvaardigt, maakt het niet zo nodig tot een gezamenlijke politieke partij voor de katholieken van Nederland te komen. Schaepman loopt voorop en schrijft zijn concept voor een partijprogramma van de Katholieke Partij al in 1883. Pas in 1897 wordt zijn Proeve door de algemene vergadering van de katholieke kiesverenigingen goedgekeurd en uiteindelijk komt de Roomsch-katholieke Staatspartij (RKSP) pas tot stand in 1926!

Andere voorbeelden. Een langdurige politieke strijd wordt in Nederland gestreden over de uitbreiding van het kiesrecht. Schaepman is van mening dat zo veel mogelijk katholieke mannen het stemrecht moeten krijgen. Zijn katholieke mede-Kamerleden staan ook hier steeds op de rem. Als in 1900 in de Kamer gestemd moet worden over het invoeren van de leerplicht stemt Schaepman vóór, 20 katholieke Kamerleden stemmen tegen. Zij vinden dat de overheid niet het recht toekomt op dit punt dwang uit te oefenen, terwijl het gevolg is dat vele kinderen slechts een gebrekkige schoolopleiding krijgen.

In Twente ziet men al heel vroeg dat het vlak over de grens goed mogelijk is dat katholieken en protestanten in één politieke partij, het Zentrum, kunnen samenwerken. In Nederland zal dat nog meer dan een eeuw duren. Schaepman wil met de Antirevolutionaire Partij in coalitieverband samenwerken, maar ook dat is problematisch. Dat lukt in de periode van Schaepmans Kamerlidmaatschap onder meer door aarzelingen in het katholieke kamp maar twee keer. Die beide keren is het voor Schaepman wel een succes, omdat het bijzonder onderwijs van overheidswege steeds meer subsidie krijgt: de katholieke en protestantse scholen kunnen daardoor gaan floreren.

Man van formaat

Schaepman is zijn tijd vooruit, hij wijst zijn geloofsgenoten de weg naar vooruitgang: meer scholing voor iedereen, meer sociale rechten voor de arbeiders, dienstplicht voor iedereen, zonder de mogelijkheid voor de rijken dat af te kopen. Hij wordt vaak niet begrepen en maakt het door zijn koppigheid voor zijn geloofsgenoten niet gemakkelijk hem te volgen. De marxistisch georiënteerde historici Jan en Annie Romein rekenen hem overigens wel tot de erflaters van onze beschaving en stellen dat pas door zijn strijd de katholieken in de volle zin des woords deel zijn gaan uitmaken van de Nederlandse natie.

'Tempelridders te veld'. Herman Schaepman als 'ridder' in de schoolstrijd samen met de antirevolutionaire politicus Keuchenius. Deze politieke prent verscheen in 1883.

Op het terrein van het vroegere seminarie Rijsenburg bij Driebergen bevindt zich een Schaepmanmonument, ontworpen door Pierre Cuypers (1908).