Anna Maria van Schurman

Een begaafd en kunstzinnig gelovige

Als Anna Maria van Schurman in 1615 in Utrecht aankomt, zit de Republiek weliswaar midden in het Twaalfjarig bestand (1609-1621), een wapenstilstand tijdens de Tachtigjarige oorlog met Spanje, maar ook in maatschappelijk roerige tijden. Een theologisch conflict tussen de Remonstranten onder leiding van Arminius en de Contraremonstranten onder aanvoering van Gomarus werkt door in de samenleving. Arminius, die zich soepeler opstelt dan zijn tegenstander, heeft veel aanhang onder de rijke bovenlaag van kooplieden en regenten, die zich niet al te principieel willen opstellen. Gomarus daarentegen heeft zijn aanhang onder de orthodoxe calvinistische predikanten en een groot deel van het gewone volk.

(Contra)remonstranten

In 1610 vroegen de meer verdraagzame predikanten in een verzoekschrift, een remonstrantie, de Staten van Holland om een tolerante houding in te nemen in dit conflict. Onder leiding van Oldenbarneveldt, de landsadvocaat en daarmee de hoogste ambtenaar in Holland, werd dit verzoek ingewilligd. Maurits, die zijn vader Willem van Oranje was opgevolgd als stadhouder, kiest echter in 1617 de kant van de orthodoxe predikanten, die in een contra-remonstrantie juist strenge handhaving van de orthodoxe calvinistische leer hadden geëist.

Oldenbarneveldt zoekt dan steun bij een aantal stadbesturen in Holland en Utrecht, die meer voor tolerantie zijn. Maar Maurits vat die actie op als verraad en laat Oldenbarneveldt en een aantal medestanders in 1618 arresteren. Ook wordt in een groot aantal verdraagzame steden “de wet verzet”: het tolerante stadsbestuur wordt vervangen. Oldenbarneveldt eindigt op 13 mei 1619 op het schavot. De Synode van Dordrecht (1618/1619) stelt vervolgens de orthodoxe predikanten in het gelijk en veroordeelt de remonstranten in de zogeheten Dordtse Leerregels.

Deze “overwinning” van de orthodoxe predikanten had echter ook haar schaduwzijden. Zo was het lidmaatschap van de Nederduits Gerefomeerde kerk noodzakelijk om een overheidsambt te kunnen bekleden. En op grond van dat lidmaatschap kon iedereen deelnemen aan het Avondmaal. Daaraan zaten dus principiële, orthodoxe christenen en andersdenkenden door elkaar. Deze situatie leidde tot voortdurende pogingen “de schapen van de bokken te scheiden”.

Amsterdam in de Gouden Eeuw

Eveneens rond 1615 komt in Amsterdam de grachtengordel tot ontwikkeling: Herengracht, Prinsengracht en Keizersgracht worden gegraven en bebouwd. Midden 17e eeuw wonen er 150.000 mensen in Amsterdam. Ook de bevolking van andere steden in Holland neemt in die tijd fors toe. Om het geloof naar het noorden gevluchte Vlamingen en Brabanders introduceren naast economische bedrijvigheid ook verfijnder en uitbundiger kleedgewoonten, tafelmanieren en cultuuruitingen. Kunstenaars als Rembrandt hebben volop werk. De vrijheid van drukpers trekt denkers uit heel Europa naar de Nederlanden. De eerste helft van de zeventiende eeuw heet niet voor niets de Gouden Eeuw.

Utrecht

Ook in Utrecht bloeien de kunsten. De familie Van Schurman raakt met kunstenaars bevriend. Anna Maria experimenteert met allerlei technieken en leert o.a. graveren. Ze trekt met haar talenten de aandacht van Anna Roemer Visscher, die in contact staat met kringen van kunstenaars en schrijvers als Cats, Hooft, Huygens en Vondel. Ook zijn er circuits met geleerden als Daniël Heinsius (Leiden) en Voetius (Utrecht). De maatschappelijke en culturele bovenlaag heeft veel onderlinge contacten. In zo’n milieu valt een begaafd meisje met Anna Maria’s talenten beslist op. In haar welgestelde milieu kan ze zich zowel intellectueel als kunstzinnig volop ontwikkelen. Tot ongeveer 1640 doet ze dat ook. Dan krijgt ze, na het overlijden van haar moeder, de zorg voor twee tantes. En als ze in begin jaren ’60 in Utrecht terugkeert, stelt ze andere prioriteiten.

Keulen en daarna

Als Anna Maria van 1653 tot 1654 vanwege een erfeniskwestie in Keulen verkeert, in die tijd een katholieke stad, moet ze om een gereformeerde kerkdienst bij te wonen met een bootje de Rijn over, vaak onder zware weersomstandigheden, en behoort ze tot een onderdrukte minderheid, die veel voor het ware geloof over heeft. Als ze in 1654 voor een paar jaar terugkomt in Utrecht, heeft ze moeite met de situatie daar. Ze ziet dat de toegenomen welvaart ook bij kerkgangers leidt tot luxegedrag en constateert een groot verschil tussen de oorspronkelijke christelijke leer van soberheid, opofferingsgezindheid en gerichtheid op God, en de actuele situatie van de gereformeerde staatskerk in Gouden Eeuw.

De Labadie

Ze is niet de enige. Haar broer Johan Godschalk maakt in die jaren een academische reis door Europa en ontmoet in Genève een gereformeerd predikant, Jean de Labadie. Vroeger was hij katholiek priester, maar hij heeft zich bekeerd tot het “ware” geloof. Hij hervormt de kerk in Genève en trekt daarmee de aandacht van velen in Europa die ook wel zo’n terugkeer naar de oude waarden zouden willen. Na zijn terugkomst in Utrecht blijft Johan Godschalk corresponderen met De Labadie, en na het overlijden van haar broer in 1664 neemt Anna Maria deze correspondentie over.

In 1666 arriveert De Labadie met een aantal volgelingen in Utrecht. De brief die Anna Maria hem op verzoek van een aantal Utrechtse predikanten had geschreven, heeft hem ertoe gebracht het beroep naar Middelburg aan te nemen. Hij logeert een tijdje ten huize van Anna Maria en trekt de aandacht met charismatische preekbeurten. Ook in steden als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam krijgt hij veel gehoor. Zijn succes irriteert een aantaal collega-predikanten. Als hij predikant is in Middelburg, gaat Anna Maria geregeld bij hem naar de kerk. Maar al snel ontstaan er rond De Labadie problemen, zoals zo vaak gebeurt rond zeer principiële gelovigen, die ertoe leiden dat hij in 1669 door de synode wordt geschorst. Hij vertrekt met zijn volgelingen naar Amsterdam.

Een zuivere gemeente

Anna Maria verkoopt dan haar huis en sluit zich aan bij de Amsterdamse gemeente van De Labadie. Aanvankelijk zijn er geen problemen met de Amsterdamse overheid. De contacten van Van Schurman met haar brede netwerk van geleerden en kunstenaars worden geleidelijk minder, nu zij zich concentreert op de theologie en steeds meer afstand neemt van haar vroegere leven. Ze richt zich helemaal op het realiseren van een christelijke gemeenschap naar de uitgangspunten van Handelingen 2: alle bezit gemeenschappelijk, concentratie op soberheid, gebed en Avondmaalsviering.

Haar vroegere vrienden begrijpen deze ommezwaai niet. Er ontstaat een hetze tegen haar, waarbij ook de suggestie wordt gewekt dat ze een verhouding met De Labadie heeft. Constantijn Huygens verwijt haar dat ze haar academische opleiding verloochent. Als blijkt dat ze volhardt, wordt ze “in de ban gedaan”: haar naam wordt bij voorbeeld niet meer vermeld in herdrukken van publicaties die aan haar waren opgedragen. Uit het ledenregister van de gereformeerde kerk te Utrecht wordt ze geschrapt. Uit dit alles blijkt de angst dat haar voorbeeld navolging krijgt….

Een leidende rol

Ze heeft in de gemeenschap van De Labadie een leidinggevende rol. Hij wordt papa genoemd, en zij mama. Ze zit aan het hoofd van de tafel voor de uitverkorenen, naast De Labadie. Er zijn aparte tafels voor “mensen op proef” en voor gasten. Eind 1670 moeten de labadisten uit Amsterdam vertrekken. Er zijn rellen uitgebroken na een mysterieus overlijden; een van Labadies vertrouwelingen is krankzinnig geworden.

De labadisten kunnen in het Duitse Herford terecht bij Elizabeth van de Palts, een rijke vriendin van Van Schurman. Ook hier komen er problemen met de lokale bevolking.

In 1672 vertrekken de labadisten naar Altona, bij Hamburg. In die stad wonen veel dissidenten en vrijdenkers. Daar hebben ze even rust. Anna Maria werkt er aan haar autobiografie, waarin ze zich ook verdedigt omtrent haar overstap naar de labadisten.

De publicatie van deze Eukleria wordt beschouwt als een briljante verdediging van het labadisme, maar lokt natuurlijk ook negatieve reacties uit. In 1674 overlijdt Jean de Labadie. Hij kan echter niet in Altona worden begraven, omdat geen enkele gemeente een plekje voor hem beschikbaar wil stellen op het kerkhof.

De Friese familie Aerssen van Sommelsdijck biedt de labadisten echter onderdak aan op het landgoed Walthastate bij Wieuwerd. Daar vindt De Labadie een laatste rustplaats. De commune produceert er wol, zalf en zeep. Er is een medisch-chirurgisch centrum, ook voor bewoners uit de omgeving. Van Schurman publiceert er veel brieven ter verdediging van het labadisme. Ze stelt al haar kennis en vaardigheden in dienst van het koninkrijk van God. Bij haar overlijden in mei 1674 verschijnt slechts één rouwgedicht over haar.

De Dom van Utrecht in de staat zoals Anne Maria die moet hebben gezien. In de zomerstorm van 1 augustus 1674 werd het middenschip verwoest. Daar bevindt zich thans het Domplein.

Het Utrechts Archief

Albumblad op perkament met spreuken in acht talen, met de hand geschreven door Anna Maria van Schurman, ca. 1640.

Het Utrechts Archief

Anna Maria maakte dit zelfportret in de vorm van een gravure, 1640.

Museum Martena, Franeker

De toren van het stadhuis van Keulen. Een van de afgebeelde figuren (rechts) is Anna Maria van Schurman.

© Raimond Spekking / CC-BY-SA-3.0 (via Wikimedia Commons)

De Nicolaaskerk te Wieuwerd (Friesland). In deze kerk hadden de labadisten hun samenkomsten. De kerk bezit een grafkelder, waarin zich verschillende mummies - vermoedelijk leden van een adellijke familie - bevinden.