Jan de Jong

Een standvastig kerkleider in de oorlogsjaren van ‘40 – ‘45

Een Amelander

Jan de Jong wordt geboren in een eenvoudig milieu op een eiland dat in zijn jeugd nog nauwelijks toeristen trekt. Zijn hele leven zal De Jong een afkeer houden van grootdoenerij en pompeuze plechtigheden. De stilte van de natuur op het ver afgelegen eiland zal hem altijd blijven trekken. Hij gaat er graag op vakantie. Hoe afgelegen in die tijd dit eiland is, wordt goed geïllustreerd door de reis die Jan moet maken als hij voor het eerst naar het kleinseminarie in Culemborg gaat. Met de boot varen hij en zijn oom op Oudejaarsdag naar Holwerd op het Friese vasteland. Dan gaat het met de koets naar Stiens, waar ze overstappen op de met twee paarden bespannen diligence naar Leeuwarden en vervolgens doorrijden naar Staveren. Van daar gaat het met de boot naar Enkhuizen en dan met de trein naar Amsterdam. Op Nieuwjaarsdag verblijven ze bij Amelandse kennissen in Amsterdam en op 2 januari reizen ze met de trein verder, eerst naar Utrecht en dan naar Culemborg. Jan de Jong zal zijn hele leven iets van een eilandmentaliteit houden: een zekere gereserveerdheid en zelfs schuchterheid tegenover vreemden, gepaard aan een sterk vertrouwen in het doorzetten van een eigen koers.

Behoudend

Jan de Jong heeft op Ameland tot zijn dertiende jaar slechts één priester ontmoet: de vrome, oude pastoor Scholten. Dat is zijn rolmodel: een ontwikkeld man met een goed gevulde boekenkast, die hem, een jongen op klompen, graag lessen Latijn geeft en met hem praat over vaderlandse en kerkelijke geschiedenis. Een man ook die met gezag het instituut Kerk op het eiland vertegenwoordigt en bij wie de kerkelijke leerstellingen eeuwigheidswaarde hebben. Op een foto van de werkkamer van de grootseminarieprofessor De Jong zie je hem nu zelf te midden van zijn eigen rijk gevulde boekenkasten. Ook bij De Jong gaat het er niet om vragen bij de Kerk te stellen, maar om met grote eruditie uit te leggen hoe het instituut Kerk zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld en hoe die Kerk voortdurend een zegen voor de gelovigen is geweest.

Mgr. De Jong is nooit een vernieuwer geworden. Hij beschermt als kerkvorst met verve zijn instituut en alle katholieke maatschappelijke organisaties die tot het Rijke Roomse Leven zijn gaan behoren. Wanneer in het begin van de jaren vijftig de eerste tekenen van secularisatie zichtbaar worden, doet hij in 1953 tijdens zijn laatste optreden in het openbaar een hartstochtelijke oproep aan de Nederlandse katholieken vooral één te blijven.

Onbuigzaam in oorlogstijd

Vanaf het begin van de oorlog zet Mgr. De Jong met kracht de lijnen uit: geen verzachting van de bisschoppelijke bepalingen tegen de NSB, geen tegemoetkomende houding tegen de bezettingsautoriteiten en slechts bescherming van de katholieke organisaties zolang ze uit de greep van de nazi’s kunnen blijven. Als in de zomer van 1941 verschillende katholieke organisaties op gezag van Seyss-Inquart onder NSB-leiding worden gesteld, schrijft De Jong eigenhandig de brief die op zondag 3 augustus in alle katholieke kerken en kapellen wordt voorgelezen: de betrokken bestuurders dienen nu af te treden en leden hun lidmaatschap op te zeggen op straffe van onthouding van de sacramenten. Het aantal leden van het RK Werkliedenverbond daalt spoedig van 180.000 tot 7.000 en ook de Katholieke Boeren-en Tuindersbond en het Katholiek Onderwijzers Verbond stromen leeg. Mgr. De Jong beseft heel goed de sociale gevolgen van zijn oproep. Hij richt daarom een kerkelijk noodfonds op, waarmee bestuursleden en medewerkers die hun baan verliezen, kunnen rekenen op een uitkering.

In de nacht van 2 op 3 augustus had Seyss-Inquart nog geprobeerd de aartsbisschop te bedreigen en het voorlezen van de brief te voorkomen, maar Mgr. De Jong gaf geen krimp. De aartsbisschop krijgt wegens het niet opvolgen van een overheidsbevel een boete van f 500,- opgelegd en hij betaalt ‘onder protest’, omdat deze futiliteit het hem niet waard is de zaken verder te laten escaleren. Veel meer pijn doet het intrekken van de Ausweis om naar Ameland te mogen reizen. Mgr. De Jong zal gedurende de oorlog zijn familie niet meer zien.

Na de in de biografie al genoemde brief tegen rassenhaat en de anti-joodse maatregelen in juli 1942 schrijft Mgr. De Jong in mei 1943 ook nog een brief over de gedwongen tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland. Hij verzet zich uit principiële en vaderlandslievende motieven tegen deze praktijken. Dit heeft zeker het ter beschikking stellen van onderduikmogelijkheden bevorderd en daardoor mensenlevens gered.

Een groot man

Niets aan kardinaal De Jong is gepolijst. In postuur en in taal komt hij vierkant over. Maar daarom is hij juist een baken in zware tijden. Onverbloemd bestrijdt hij het antisemitisme; zonder angst voor zijn persoonlijk lot mag het kaartsysteem van het Utrechtse Kindercomité met adressen van honderden ondergedoken joodse kinderen bij hem in huis ondergebracht worden. Resoluut geeft hij aan hoe de katholieke gelovigen gewetensvolle beslissingen behoren te nemen. Als geen ander kan hij in moeilijke tijden de evangelische opdracht in concrete daden omzetten.

Monument voor kardinaal De Jong op zijn geboorte-eiland Ameland.

Wikimedia Commons

Ook tijdens de oorlogsjaren gingen De Jongs pastorale activiteiten door. Hier zien we hem op vormreis in Deventer.

Grootseminarieprofessor De Jong te midden van de vele boeken in zijn werkkamer.

Op 25 december 1945 verlaat De Jong hier de St. Catharinakathedraal in Utrecht na een pontificale mis.

Kardinaal De Jong houdt een toespraak in concertzaal Tivoli in Utrecht, 1946.