Herman Schaepman

De strijdlustige katholieke emancipator van de negentiende eeuw

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking
Ouderlijk huis
Herman Schaepman wordt in 1844 als oudste van zeven kinderen geboren in het gezin van de burgemeester van het Twentse Tubbergen. Hij wordt vernoemd naar zijn opa van vaderskant, die oud-burgemeester van Haaksbergen is. Zijn moeder is Johanna Francisca la Chapelle, die van Frans-Vlaamse afkomst en creatief zeer begaafd is. Ze schildert, musiceert, schrijft gedichten en zorgt met humor voor een gezellig familieleven. Vóór hij naar de openbare lagere school in zijn geboortedorp gaat, krijgt Herman thuis al een brede, maar ook duidelijk katholieke vorming. Vandaar dat hij zelfbewust en opstandig reageert op de atheïstische meester Ter Marsch, die nogal eens anti-paaps uit de hoek kan komen. Op elfjarige leeftijd komt een einde aan de huiselijke idylle. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1855 wordt fraude gepleegd en de burgemeester, die tegelijk gemeentesecretaris is, wordt beschuldigd van onvoldoende toezicht. Vader Schaepman ziet zich gedwongen ontslag te nemen en het gezin verhuist in 1857 naar Arnhem. Herman gaat naar het kleine en beschermde progymnasium (alleen de eerste leerjaren van een gymnasium) in het katholieke Oldenzaal, waar hij liefdevol in het gezin van de gemeenteontvanger wordt opgenomen. Maar zijn heimwee blijkt te sterk en anderhalf jaar later is hij thuis. Maar niet voor lang.

Priesteropleiding en promotie
Het is tot in het midden van de twintigste eeuw heel gebruikelijk dat in een groot katholiek gezin de oudste zoon wordt voorbestemd voor het priesterschap. Bij Herman is een roeping in die richting nog niet duidelijk aanwezig, maar de degelijke jezuïetenopleiding op het kleinseminarie Kuilenburg in de zgn. Papenhoek van Culemborg komt altijd van pas. Herman begint er zijn studie in oktober 1858 en hij zal na vier jaar zijn gymnasiumopleiding voltooien en daarna nog een jaar filosofie studeren. Dan volgt toch de theologiestudie aan het grootseminarie te Rijsenburg. Hij is er theologant van 1863 tot 1867. Op 23-jarige leeftijd wordt hij door Mgr. A.I. Schaepman, die een volle neef van zijn vader is en hulpbisschop van Utrecht, tot priester gewijd. Tijdelijk zal Herman in Utrecht assistent in de kathedrale kerk zijn tot hij begin oktober 1868 kan afreizen naar Rome voor een vervolgstudie aan de Gregoriana, de pauselijke universiteit, die door jezuïeten geleid wordt. Hij geniet meer van de kunst van Rome dan van de studie. Het duurt hem ook te lang: drie jaar! Bij de dominicanen kan het sneller. Binnen een jaar, op 1 juli 1869, is Herman aan hun universiteit, de Sapienza, gepromoveerd tot doctor in de theologie. Hij zal zijn hele leven ‘doctor’ Schaepman genoemd worden. Terug in Nederland zal hij ruim dertig jaar (deeltijd)hoogleraar zijn aan het grootseminarie Rijsenburg, met colleges Oude Testament en kerkgeschiedenis.

Ultramontaan
In de eerste week na zijn aankomst in Rome is er voor Herman Schaepman al een audiëntie bij paus Pius IX – meestal Pio Nono genoemd - geregeld. Deze innemende persoonlijkheid heeft daarbij op hem een onuitwisbare indruk gemaakt. Sinds dit onderhoud is de jonge priester een Ultramontaan (ultra montes – over de bergen), een fervent verdediger van het pauselijk gezag. Dat gezag wordt op dat moment fel bestreden. De Kerkelijke Staat, waarvan de paus het staatshoofd is, wordt bedreigd door de Italiaanse eenheidsstrijd, die eindigt met de inname van Rome in 1870; de paus houdt alleen Vaticaanstad over om te regeren. Binnen de kerk zelf is er een diepgaand meningsverschil over de vraag of de paus in officiële religieuze uitspraken onfeilbaar is of niet. Het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) in Rome kondigt inderdaad die onfeilbaarheid af. Al met al staat het pausschap in die dagen wereldwijd in het centrum van de aandacht. Herman Schaepman doet over alle ontwikkelingen enthousiast verslag in een reeks ‘Romeinse Brieven’ in het katholieke dagblad ‘De Tijd’. In het tweede jaar van zijn verblijf in Rome is hij als secretaris toegevoegd aan de bisschop van Haarlem en kan daardoor van binnenuit de ontwikkelingen goed volgen. Hij geniet er van en hij wijdt aan zijn geliefde paus Pio Nono verschillende wijdlopige gedichten.

Tweede Kamerlid
Terug in Nederland wordt Schaepman behalve professor op Rijsenburg redacteur van ‘De Tijd’ en richt hij samen met de historicus Nuyens het katholiek-culturele maandblad ‘De Wachter’ op. Zijn bekendheid groeit hierdoor en die wordt versterkt door zijn grote welsprekendheid tijdens redevoeringen op grootschalige katholieke bijeenkomsten. Als parlementair verslaggever en commentator raakt Schaepman inmiddels steeds meer betrokken bij het politieke proces. Hij strijdt voor subsidiëring van het bijzonder (confessioneel) onderwijs en uitbreiding van het kiesrecht. De katholieke kiesvereniging Breda stelt dr. Schaepman kandidaat voor de Tweede Kamer en hij wordt in 1880 voor het kiesdistrict Breda gekozen met 1853 van de 1886 uitgebrachte geldige stemmen. Schaepman kan toetreden tot de volksvertegenwoordiging als hij al zijn kerkelijke functies neerlegt en zijn professoraat is omgezet in een buitengewoon hoogleraarschap. Bij elkaar zal Schaepman tot zijn dood 23 jaar lid van de Tweede Kamer blijven.
Er is in die tijd nog geen katholieke partij. Van de 86 leden van de Tweede Kamer zijn er 17 katholiek en de meesten daarvan zijn conservatief en steunen de werkgeversbelangen. Herman Schaepman komt vaak in botsing met zijn geloofsgenoten. Hij wil toewerken naar één katholieke partij met een sociaal karakter. In 1883 publiceert hij zijn ‘Proeve van een Program’ als basis voor die partij. Hij krijgt er de handen niet voor op elkaar. Hij wil ook om echte invloed uit te oefenen op het regeringsbeleid samenwerken met de Antirevolutionairen, de groepering van Abraham Kuyper. Schaepman loopt hiermee vóór de troepen uit, is weinig tactisch en komt nogal eens over als een betweter, die zijn tegenstanders voor dom houdt. Zo krijgt hij minder voor elkaar dan zijn idealisme en sociale bewogenheid eigenlijk rechtvaardigen. Maar met al zijn redevoeringen, artikelen en in zijn stemgedrag wijst hij voor zijn geloofsgenoten de juiste weg: samen met andere christenen ijveren voor een socialere samenleving, verplicht onderwijs voor alle kinderen en gelijke financiering van de verschillende scholen.

Sterfbed in Rome
Schaepman is de motor geweest achter de oprichting van de Diocesane Utrechtse Werkliedenvereniging, waarvan hij vele jaren geestelijk adviseur is. Gestimuleerd door de sociale encycliek ‘Rerum Novarum’ van paus Leo XIII in 1891 bevordert hij het oprichten van katholieke arbeidersverenigingen als tegenmacht tegen de werkgevers, En hij vindt ook dat stakingen een geoorloofd drukmiddel zijn. Na een inspannende Bondsvergadering van de Utrechtse Werkliedenvereniging in juli 1902 blijkt Herman Schaepman uitgeput te zijn. Oude hartproblemen spelen weer op en gaan nu ook gepaard met inmiddels geconstateerde suikerziekte. De tot nu toe bijna onvermoeibare Schaepman blijkt te veel van zijn lichaam gevraagd te hebben. Hij gaat in het voorjaar naar Rome om te rusten. Daar wordt hij door paus Leo XIII benoemd tot protonotarius apostolicus, de hoogste onderscheiding die een gewone priester gegeven kan worden. Hij verwerft daarmee de aanspreektitel van monseigneur en mag een paarse cape dragen. Weer terug in Nederland voor Prinsjesdag blijkt het toch niet goed met hem te gaan en hij vertrekt opnieuw naar Rome, weg van het vele werk dat op hem ligt te wachten. Daar overlijdt hij in het pension van de zusters Franciscanessen op 21 januari 1903. Hij krijgt een erebegrafenis, waarbij zijn lijkkoets getrokken wordt door zes paarden. Vervolgens wordt hij begraven op het Campo Santo Teutonico, de kleine begraafplaats binnen de muren van het Vaticaan voor de in Rome wonende leden van de Broederschap van de Heilige Maagd Maria afkomstig uit Duitsland, Vlaanderen of Nederland.

Herman Schaepman


Schaepman in werkkamer
Herman Schaepman in zijn werkkamer.

Paus Pius IX. Deze paus maakte op Schaepman een onuitwisbare indruk.