Dorothee Sölle

Een omstreden profetesl

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking
Op 30 september 1929 wordt Dorothee geboren in het gezin van de jurist Hans Carl Nipperdey te Keulen. Ze groeit op in een liberaal-burgerlijk milieu, samen met drie oudere broers en een jongere zus. Haar vader is hoogleraar arbeidsrecht en is zelden thuis; haar moeder is de spil van het gezin. Als in Duitsland de nationaal-socialisten de macht grijpen, is Dorothee vier jaar oud; bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is ze negen. Ze wil eigenlijk liever een jongen zijn, omdat jongens meer mogen dan meisjes. Op twaalfjarige leeftijd maakt haar lichamelijke ontwikkeling haar duidelijk dat ze toch echt een meisje is… Het gezin leeft in de Keulse professorenwijk Marienburg ook in de oorlog redelijk comfortabel. In dit milieu romantiseert de jeugd de historische grootheid van Duitsland, zonder nationaal-socialistisch te zijn. Maar een joodse vriendin van de familie, die er zes weken verborgen wordt gehouden, heeft wel een flesje gif bij zich. De confrontatie met dood en ellende maakt diepe indruk op Dorothee.

Na de oorlog
Na de oorlog gaat ze als zestienjarige de discussie aan: hoe zit het met de schuld van haar leeftijdgenoten die de nazi’s zijn gevolgd? Is het slecht om in de toekomst van je land te geloven? Een geliefde lerares moet zich verantwoorden vanwege haar houding tijdens de oorlog. Dorothee ontdekt in oktober 1945 dat haar vader een joodse grootmoeder had. Waarom is dat altijd verzwegen? En wat zou er met de familie gebeurd zijn als het eerder bekend was geworden?  In alle verwarring van de naoorlogse periode wordt ze snel volwassen. Onderweg naar huis uit Russische krijgsgevangenschap sterft haar oudste broer Carl. Het gezin wordt in diepe rouw gedompeld en Dorothee twijfelt aan het bestaan van een lieve God. Op school en in de (lutherse) kerk vindt ze geen antwoorden op haar levensvragen. Ze zoekt troost bij existentialisten als Nietzsche, Heidegger, Camus en Sartre. Als ze in 1950 het dagboek van Anne Frank leest, merkt ze dat nihilisme en existentialisme geen uitweg bieden: ze identificeert zich met de slachtoffers.

Studie, huwelijk en werk
In 1949 begint ze met een studie klassieke talen. Dat blijkt niet wat ze zoekt, dus ze gaat in 1950 theologie en literatuurwetenschap studeren “om de waarheid te vinden”. In 1954 promoveert ze op het proefschrift “Untersuchungen zur Struktur der Nachtwachen von Bonaventura”. Ze is de eerste die zich verdiept in de structuur van dit onder pseudoniem verschenen werk uit de Duitse romantiek (1804), waar tot dan toe voornamelijk de vraag naar de identiteit van de auteur ervan centraal stond.
Ze ontmoet dan de jonge abstracte schilder Dietrich Sölle. Ze zijn van zeer verschillende afkomst: Dorothee uit de gegoede burgerij, Dieter uit eenvoudige kringen. Ze trouwen vanuit hun romantische ideaal van alles overwinnende liefde en huwelijkstrouw en krijgen drie kinderen: Martin (1956), Michaela (1957) en Caroline (1961). Beide echtelieden zijn op zoek naar een nieuwe zin in het leven, na het ineenstorten van hun oude wereld.
Dorothee is een van de eerste geëmancipeerde vrouwen die gezin en werk combineren. Ze geeft godsdienstles aan een meisjesgymnasium in Keulen. In haar lessen besteedt ze veel aandacht aan het Derde Rijk, de Holocaust en het Duitse verzet. Rond de jaarwisseling 1959/1960 reist ze naar Jeruzalem met leden van de Vereniging voor christelijk-joodse samenwerking. Daar heeft ze een ontmoeting met Martin Buber. Ze krijgt er oog voor de joodse wortels van het christelijk geloof. Vooral de psalmen vormen voor haar een bron van inspiratie. Als dichteres bewerkt ze er in de loop van haar leven vele tot moderne geloofspoëzie. Vanaf 1960 werkt ze voor de West-Duitse omroep en diverse kranten. Wat later wordt ze wetenschappelijk medewerker aan de Keulse universiteit. In 1965 komt het ondanks de goede bedoelingen van het begin tot een echtscheiding: opnieuw stort haar wereld in. Haar hele leven blijft ze de naam van haar eerste man dragen.

Plaatsbekleding en visie
In deze dramatische omstandigheden schrijft ze haar eerste boek: Stellvertretung (Plaatsbekleding). De ondertitel luidt: Een hoofdstuk theologie na de dood van God.
Het is een zoektocht naar haar eigen identiteit, en naar de betekenis van Christus voor haar  leven. Met de traditionele opvattingen over God en Christus kan ze na Auschwitz niet meer uit de voeten. In dit boek zoekt ze naar mogelijkheden om, net als Jezus deed, te leven voor anderen. Dit mede-lijden met machtelozen en lijdenden wordt haar thema.
In de jaren ‘60 wordt ze ook politiek actief. Ze is verbijsterd over het feit dat zoveel Duitse christenen toeschouwers bleven tijdens de periode van fascisme en nationaal-socialisme, en dat relatief weinigen in verzet kwamen. Ze is tegen de oorlog in Vietnam, tegen de wapenwedloop gedurende de Koude Oorlog en tegen alle onrecht in de wereld. Ze doet soms felle uitspraken, die haar door de gevestigde orde niet in dank worden afgenomen. “Vietnam is Golgotha”, “De derde wereld is een permanent Auschwitz” en “God heeft geen handen behalve onze handen” zijn drie van zulke uitspraken.

Fulbert Steffensky

In 1966 gaat ze opnieuw naar Jeruzalem; op weg daarheen ontmoet ze Fulbert Steffensky, een Benedictijner monnik, die met Martin Buber had gesproken over “blijven of uittreden”. Samen bezoeken ze in Jeruzalem het graf van Buber, en uit hun samenzijn ontstaat geleidelijk een relatie. In 1968 is ze met Steffensky een van de initiatiefnemers van de zogeheten politieke nachtgebeden (1968–1972) in Keulen. Ze trouwen in 1969 en krijgen samen een dochter, Mirjam. Ook is Dorothee een van de oprichters van de Kölner Journalistenschule. In 1972 maakt ze een reis naar Noord-Vietnam. Jaren later is ze op uitnodiging van de sandinisten in Nicaragua waarnemer bij de verkiezingen in dat land.

Tegenstanders
Haar politiek geladen activiteiten leveren haar zowel binnen als buiten de kerk veel tegenstanders op. In Duitsland wordt ze dan ook niet benoemd tot hoogleraar. Van 1975 tot 1987 is ze echter wel professor aan het Union Theological Seminary te New York. Het is het enige seminarie dat niet aan een kerk is verbonden en de merendeels oudere studenten zoeken er een fundering voor de sociale en politieke toepassing van hun geloof. Het is een inspirerende omgeving voor Dorothee, die in die tijd steeds een half jaar in New York leeft en een half jaar in Hamburg, waar haar man werkt als hoogleraar.  Ze neemt als vredesactivist deel aan allerlei demonstraties en wordt wegens deelname aan blokkadeacties bij wapenopslagplaatsen zelfs een aantal malen veroordeeld, hoewel ze later in hoger beroep weer deels wordt vrijgesproken. Ze ontvangt voor haar activiteiten prijzen van de steden Hamburg en Meersburg.

Schrijven en actievoeren
In 1987 wordt ze benoemd tot gasthoogleraar te Kassel, en in 1991 te Basel.  In 1994 volgt een benoeming tot hoogleraar honoris causa aan de universiteit van Hamburg. Van 1994 tot haar dood in 2003 is ze naast haar gastdocentschap te Hamburg actief als schrijfster en activiste; ze reist over de hele wereld en houdt overal voordrachten.
Ze sterft “in het harnas” als ze tijdens een conferentie wordt getroffen door een hartinfarct. Op 27 april 2003 overlijdt ze te Göppingen. Tijdens haar begrafenis zegt de voorgangster: “Sölle was een ware profeet in onze tijd, omdat ze velen de ogen heeft geopend en mensen op een ander spoor heeft gezet.”

Dorothee Sölle


Een foto van Dorothee Sölle op jonge leeftijd.

Sölle's eerste boek: 'Stellvertretung', hier in een vertaling in het Nederlands.


Fulbert Steffensky op een Kirchentag te Bremen (2009). Zijn echtgenote Dorothee was zes jaar daarvoor overleden. Hij draagt de gebruikelijk blauwe sjaal, die door deelnemers van de Kirchentag wordt gedragen.
Wikimedia Commons