Pierre Cuypers

De architect van de katholieke herleving

Gelijkberechtiging

De omwenteling van 1795, die een einde maakt aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Bataafse Republiek introduceert, brengt onder meer gelijkberechtiging voor de katholieken met zich mee. De voormalige katholieke Generaliteitslanden Brabant en Limburg kunnen hun tweederangs status achter zich laten en de Nederlands Hervormde Kerk verliest haar ‘heerschende’ positie. Vrijheid van godsdienst geldt vanaf nu voor iedereen. De katholieken kunnen hun schuilkerken verlaten en er komt een felle discussie op gang over de vraag of zij aanspraak kunnen maken op de kerkgebouwen die hun in de Tachtigjarige Oorlog door de calvinisten zijn afgenomen. De Sint-Jan in Den Bosch wordt weer katholiek, maar op veel plaatsen blijven de meningsverschillen doorzeuren. Een vrijwillige proportionele verdeling van de kerken, waartoe van overheidswege is opgeroepen, mislukt vaak.

Met het Koninklijk Besluit (K.B.) van 16 augustus 1824 komt deze kwestie tot een oplossing. Besloten wordt dat elke kerk in handen blijft van het genootschap dat die kerk op dat moment in bezit heeft. Ter compensatie kunnen nieuwe kerken met financiële steun van de landelijke overheid gebouwd worden. Om voor subsidie in aanmerking te komen, is toestemming en controle vereist van de ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat. De kerken die op basis van deze regeling in de periode van 1824 tot 1868 tot stand komen, worden Waterstaatskerken genoemd. Er is geen sprake van een voorgeschreven bouwstijl, maar omdat de ingenieurs van Waterstaat een voorkeur hebben voor het meer zakelijke neoclassicisme, wordt dat de meest toegepaste bouwvorm:de goedkeuringsprocedure wordt er immers mee bespoedigd.. De Waterstaatskerken herken je daarom vooral aan een voorgevel met zuilen en een timpaan en een laag, houten torentje, waaraan de protestanten geen aanstoot zouden nemen.

Hausse in kerkenbouw

Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en de daaruit voortvloeiende herinrichting van de katholieke kerkorganisatie ontstaat er een ware hausse in de kerkenbouw. Tussen 1853 en 1903 worden 506 nieuwe katholieke kerken ingewijd. Alleen al in het bisdom Haarlem (in Noord- en Zuid-Holland en een deel van Zeeland) zijn dat er 154. Het past bij het liberalisme van die tijd dat de overheidsbemoeienis beëindigd wordt en het K.B. van 1824 en de daarop gebaseerde bouwvoorschriften worden ingetrokken. Het past ook bij het herwonnen zelfbewustzijn van de katholieken dat zij een nieuw en eigen stempel gaan zetten op de bouwstijl van hun kerken. Het is niet verrassend dat zij daarbij teruggrijpen naar de gotische stijl van het katholiek triomfalisme in de middeleeuwen. Architect P.J.H. Cuypers zal bij uitstek de bouwmeester van de neogotiek worden. Voor iemand die opgegroeid is in het katholieke Limburg en gestudeerd heeft in het katholieke Antwerpen is dat ook niet verwonderlijk. Overigens is de neogotiek niet alleen toegepast door katholieken. Het paleisje van de latere koning Willen II in Tilburg (1847) is ook gebouwd in die stijl, evenals de Hervormde Kerk in Schagen uit 1896.

Katholiek totaalconcept

Pierre Cuypers heeft ruim 100 kerken ontworpen, waarvan er ongeveer 70 ook werkelijk gebouwd zijn. Zijn eerste monumentale kerken, zoals in Veghel (de Sint-Lambertuskerk in 1856) en Eindhoven (de Sint-Catharinakerk in 1860) bouwt hij volgens de principes van de Franse gotiek uit de 13e eeuw. Ze zijn hoogstrevend gebouwd, voorzien van gemetselde kruisribgewelven en gepolychromeerde zandstenen heiligenbeelden. Zijn latere kerken, zoals de Sint-Vituskerk in Hilversum uit 1891, zijn nog steeds monumentaal en neogotisch, maar onder meer door de accentuering van de gevels met banden van gele bakstenen wordt het Franse karakter minder sterk.

Voor Pierre Cuypers is al het bouwen, maar vooral de kerkenbouw, een streven naar schoonheid. En volmaakte schoonheid is voor hem doortrokken van het goddelijke. Voor hem dient een gebouw een eenheid van kunsten te bevatten, die alleen vanuit een totaalconcept kan voortkomen. Daarom dient een architect ook verantwoordelijk te zijn voor het interieur en zijn de bedrijven van de firma in Roermond en Amsterdam er ook op gericht alle benodigdheden voor een kerk te ontwerpen en uit te voeren: de constructie, de altaren, de preekstoelen, de beelden en de decoraties. Juist ook vanwege deze eenheid van stijl, maar ook vanwege de kwaliteit van de ontwerpen en de gebruikte materialen vindt in de huidige tijd weer een herwaardering van de werken van Cuypers plaats. Dat geldt overigens niet alleen voor zijn kerken, maar ook voor het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam, die in het begin van de 21e eeuw ingrijpend gerestaureerd zijn.

Leerlingen

Als Cuypers in 1897 zijn 70e verjaardag viert, krijgt hij een oorkonde, getekend door 70 oud-leerlingen. Die leerlingen waren jonge medewerkers geweest, die de eerste periode van hun arbeidzame jaren ervaring opdeden op het bureau van Cuypers in Amsterdam. Sommigen klommen zelfs op tot opzichter en chef de bureau. Een deel van hen heeft de rijke leerschool van Cuypers een leven lang benut en is vooral in neogotische stijl verdergegaan. Hiertoe behoren Evert Margry (de Maria van Jessekerk in Delft) en Nicolaas Molenaar sr. (de Bonaventurakerk in Woerden, de Jeroenskerk in Noordwijk en de Bartholomeuskerk in Poeldijk). Anderen hebben het streven van Cuypers naar eenheid van stijl in ex- en interieur later toegepast in een nieuwe vormentaal. Een voorbeeld daarvan is K.P.C. de Bazel, bekend als architect van gebouw De Bazel (nu stadsarchief) in Amsterdam en de synagoge van Enschede.

Pierre Cuypers aan de tekentafel in zijn werkkamer.

Cuypershuis, Roermond

Het vroegere woonhuis van Cuypers in Roermond, thans Museum het Cuypershuis.

De St.-Vituskerk in Hilversum, een van de markante kerken van Cuypers.

Wikimedia Commons

Kasteel De Haar bij Haarzuilens (Utrecht).

Wikimedia Commons