Ida Gerhardt

Een gelovige vrouw met een groot talent voor taal

Dienstbaar

Het gedicht Biecht uit de bundel Sonnetten van een leraar (1950) geeft kernachtig weer waarom we voor Ida Gerhardt een plaats hebben ingeruimd in ons overzicht van Beeldfiguren van het christendom. Ze komt eruit naar voren als een vredelievend collega, die echter absoluut niet kan verdragen dat mensen zich “omhoog” werken ten koste van anderen. Ook elders in dezelfde bundel geeft ze blijk van haar afkeer van “Streberei”. Ze wil in alle bescheidenheid dienstbaar zijn aan anderen, haar leerlingen vooral, met wie ze een band wil opbouwen en voor wie ze graag iets wil betekenen. Ondanks haar vele talenten stelt ze zichzelf nooit op de voorgrond.

Wat er kan gebeuren als je rustig je eigen weg gaat, niet aan de weg timmert en echt voor de inhoud gaat, laat zich goed illustreren aan de ontvangst van het literaire werk van Ida Gerhardt. Na een moeilijke jeugd vanwege een verstoorde relatie met haar veeleisende moeder, en de daaruit voortvloeiende verwijdering uit het ouderlijk huis, viel het haar niet gemakkelijk haar plaats in de samenleving te vinden. Bij haar afstuderen in de crisistijd (1933) lagen de banen bepaald niet voor het opscheppen. Via via doet ze onbetaald wat onderwijservaring op, maar ze leeft in armoedige omstandigheden. Daardoor loopt ze longvliesontsteking op; pas dan mag ze weer thuis komen.


BIECHT

Ruzies met mijn collega’s hebben niets om ’t lijf.

Ik mag hen graag: vooral de krommen en de scheven.

-ik sta ook trouwens zelf van de gebreken stijf-

Alleen, die éne Streber kan ik niet vergeven.

Mijn rector gunt me veel; en zèlfs wel dat ik “schrijf”.

De school gaf ik de beste jaren van mijn leven.

Sòms zeg ik dat ik ga, toch weet ik dat ik blijf.

Alleen, die ene Streber kan ik niet vergeven.

Hij is correct; hij heeft mij waarlijk niets misdreven.

Maar gruwelijk strooit distels tussen ’t kiemend zaad

hij, die maar één beginsel heeft: zijn eigen voordeel.

’t Is om dit minne onkruid, dat ik hem zo haat.

Ik werd de laatste tijd toch zachter in mijn oordeel…

Vergeef het mij, ik kan…ik kan hem niet vergeven!

Gedichten

Het overlijden van haar moeder (eind 1934) is zowel een klap als een verlossing. In de zomer van 1935 begint Ida met het schrijven van gedichten… In juni 1936 wordt haar eerste gedicht gepubliceerd: Kinderspel , dat veel gelijkenis vertoont met Kinderpartij van haar oud-leraar en voorbeeld J.H.Leopold. In 1936 vindt Ida uiteindelijk een betaalde baan als lerares op het Stedelijk Gymnasium te Groningen. Daarnaast blijft ze gedichten schrijven en vertaalt ze in haar vrije tijd Lucretius. Vrienden stimuleren haar erop te gaan promoveren, en in 1942 lukt haar dat.

Gerhardts eerste dichtbundel, Kosmos, verschijnt zoals eerder vermeld op 9 mei 1940, een dag voor de Duitse inval. De oorlog overstemt dus haar debuut. Haar tweede bundel, Het veerhuis uit 1945, krijgt de Van der Hoogtprijs en wordt in 1946 herdrukt in de uitzonderlijk hoge oplage van 2000 exemplaren, maar even later na de oorlog is er nauwelijks aandacht meer voor traditionele poëzie, omdat de Vijftigers met hun moderne gedichten de publiciteit overheersen. De dichters Aafjes, Hoornik en Vasalis protesteren zelfs in een open brief in Vrij Nederland (19 januari 1946) tegen de toekenning van de Van der Hoogtprijs aan Gerhardt. Ze vinden dat Gerrit Achterberg hem had moeten krijgen….

Onderwijs

Als ze in de overstap maakt naar het lyceum in Kampen, is dat een intellectuele stap terug van het gymnasium in de universiteitsstad Groningen, maar juist in Kampen komt de lerares in Gerhardt tot ontplooiing. In haar lessen probeert ze de leerlingen tot hun recht te laten komen en bij haar thuis organiseert ze lessen in Griekse filosofie, waar in het schoolcurriculum geen plaats voor was.

Gelukkig blijven haar talenten niet onopgemerkt: de onderwijsvernieuwer Kees Boeke biedt haar in 1951 een baan op de Werkplaats Kindergemeenschap te Bilthoven aan als conrectrix van een nieuw op te zetten gymnasiumafdeling. Het levend monogram (1955) krijgt een jaar later de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam; in 1956 verschijnt De argelozen. In datzelfde jaar koopt Ida samen met Marie van der Zeyde een huis in Bilthoven. In 1962 wordt De hovenier (1961) bekroond, opnieuw met de Poëzieprijs van Amsterdam. Er is dus wel waardering, maar de Vijftigers beheersen de markt. Ida haalt haar hart op in haar werk aan de Werkplaats, waar kinderen veel eigen verantwoordelijkheid krijgen en oefenen met medezeggenschap, wat in die tijd een grote vernieuwing betekent.

Hebreeuws

Ida’s vader overleed in 1953. Als ook haar zus Truus plotseling overlijdt (1960), draagt Ida De hovenier aan haar nagedachtenis op. Na een aantal malen overspannen te zijn geweest, gaat ze in 1963 met vervroegd pensioen. En waar een ander wellicht zou kiezen voor een rustige oude dag zonder veel verplichtingen, ziet Ida een geheel nieuw perspectief: ze gaat Hebreeuws leren en zet zich samen met haar vriendin aan een vertaling van de Hebreeuwse Psalmen. Een van haar leerlingen in Bilthoven had haar eens gezegd dat hij de bestaande psalmvertaling zo lelijk vond en dacht dat de oorspronkelijke psalmen in het Hebreeuws veel mooier moesten zijn. Dat gaf Ida de inspiratie voor een nieuw project tijdens haar voortijdige pensioen.

In 1964 rondt Ida Gerhardt haar studie Hebreeuws in Utrecht cum laude af. Omdat ze in het huis te Bilthoven veel last heeft van de televisie van de buren, zondert ze zich met Marie van der Zeyde ’s zomers af in Ierland, waar ze in een afgelegen boerenwoning heerlijk kunnen werken aan gedichten en psalmen. Tot eind jaren ’60 gaan ze zo door. De psalmvertaling verschijnt uiteindelijk voor het eerst in 1972. In haar gepensioneerde staat komt Gerhardt ook steeds beter aan haar eigen gedichten toe: er verschijnen nog diverse bundels.

P.C. Hooftprijs

Begin jaren ’70 zet uitgever en classicus J.B.W.Polak zich in voor de (her)uitgave van Ida’s poëzie. De herdrukken en de nieuwe bundels openen in deze jaren veler ogen voor de kwaliteiten van haar werk. Uiteindelijk leidt dat in 1979 tot een bekroning met de Prijs voor meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, en tot de toekenning van de P.C.Hooftprijs. En dan is er geen sprake meer van tegenstand, zoals in 1946….

Haar leven lang heeft Ida Gerhardt tegen de stroom opgeroeid en eigen keuzes gemaakt. Onopvallend en volhardend koos ze voor de weg van de meeste weerstand, dwars tegen de heersende mode in. Als gelovige vrouw probeerde ze invulling te geven aan haar christen zijn, ook als dat niet zo makkelijk was. Ze bleef trouw aan haar eigen opvattingen en haar eigen stijl. Dat ze daarvoor uiteindelijk ook breder waardering heeft gekregen, moet haar uiteindelijk goed hebben gedaan.

In 1942 promoveerde Gerhardt op een proefschrift over Lucretius.

In 1972 verscheen het Boek der Psalmen, een vertaling uit het Hebreeuws die Ida Gerhardt samen met Marie van der Zeyde maakte.

Het gedicht 'Code d'Honneur' bevindt zich op de buitenmuur van het Lipsiusgebouw van de universiteit in Leiden. De tekst luidt:

Bezie de kinderen niet te klein:

Zij moeten veel verdragen -

eenzaamheid, angsten, groeiens pijn

en, onverhoeds, de slagen.

Bezie de kinderen niet te klein:

Hun eerlijkheid blijft vragen,

of gij niet haast uzelf durft zijn.

Dàn kunt ge 't met hen wagen.

Laat uw comedie op de gang

- zij weten 't immers tòch al lang! -

Ken in uzelf het kwade.

Heb eerbied voor wat leeft en groeit,

zorg dat ge het niet smet of knoeit. -

Dan schenk' u God genade.

(Uit: Sonnetten van een leraar, Assen 1951)