Alfons Ariëns

De kapelaan die de katholieke arbeiders van Twente organiseert

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking

Jeugd
Alfons Ariëns komt van vaderszijde voort uit een geslacht van logement- en stalhouders in Venlo. Zijn moeder, Lisette Povel, stamt uit een koopmansgeslacht van Duitse immigranten en haar vader was eigenaar van een ‘winkel van sinkel’ in Amsterdam. Als Alfons op 26 april 1860 in Utrecht geboren wordt, is zijn vader daar advocaat en voorzitter van enkele katholieke liefdadigheidsinstellingen en zijn moeder bezoekt en ondersteunt veel mensen die in nood verkeren. Alfons is het vijfde kind in een gezin van vier meisjes en vier jongens. Hij is intelligent en is op zijn tiende jaar klaar met de lagere school. Dan volgt het kleinseminarie op het elite-internaat Rolduc bij Kerkrade, waar hij voorbereid  wordt op het staatsexamen gymnasium, waarvoor hij in 1876 slaagt.
In zijn jonge jaren wordt Alfons vanwege zijn flaporen veel gepest, maar dat richt geen blijvende schade aan. Hij krijgt namelijk ook waardering voor zijn successen, niet alleen bij het leren, maar ook bij het sporten. Spot laat hij van zich afglijden, hij staat er als het ware boven. Wel blijft hij zijn hele leven schuchter en bedeesd in zijn optreden, maar dat staat de effectiviteit van zijn handelen niet in de weg.

Priestervorming
Vader Ariëns ziet zijn slimme zoon graag op zijn advocatenkantoor komen. Hij stimuleert hem rechten te gaan studeren en Alfons doet ook toelatingsexamen voor de universiteit. Toch kiest hij anders. Met steun van zijn moeder en na veel aarzelingen geeft hij toe aan een door hem gevoelde roeping om priester te worden. Hij kan dan nog twee jaar op Rolduc blijven voor de studie filosofie. Voor de theologieopleiding gaat hij in 1878 naar Rijsenburg, het grootseminarie van het aartsbisdom Utrecht. Daar krijgt hij onder meer les in de kerkgeschiedenis van de door hem bewonderde Dr. Herman Schaepman. Hij is pas net 22 jaar als hij tot priester wordt gewijd. Van de familie van zijn inmiddels overleden moeder krijgt hij een rijk bewerkte miskelk cadeau.
Een belangrijke fase in zijn leven breekt aan als hij zijn theologische studie voortzet in Rome. Daar promoveert hij na drie jaar tot doctor in de theologie, maar meer nog ontdekt hij het leven van de gewone man. Hij doorkruist Rome en komt in alle volkswijken. Hij bezoekt in het jaar na zijn promotie vele delen van Italië, verblijft bij de arbeiders die in de zwavelmijnen van Sicilië werken en bezoekt in Turijn de priester Don Bosco, die zich toelegt op sociaal werk en onderwijs aan straatjongens. Volgens eigen zeggen heeft Alfons in dit laatste jaar in Italië meer geleerd dan met zijn hele universitaire studie.

Kapelaan in Enschede
In 1886 komt hij terug in Nederland en wordt aangesteld als kapelaan van de Sint-Jacobusparochie in het fabrieksstadje Enschede. Niet zo ongebruikelijk in die tijd: elke gepromoveerde, jonge priester werd eerst een paar jaar zielzorger in een gewone parochie om na die ervaring een kerkelijke carrière te starten. Het bijzondere is dat Alfons Ariëns er vijftien jaar zal blijven. Zijn sociale opbouwwerk binnen de volkswijk van zijn parochie en daarbuiten krijgt erkenning van de progressieve aartsbisschop Mgr. P.N. Snickers, die hem daarom ook niet overplaatst in een andere functie.
Als Ariëns in – zoals hij zegt - de lelijkste stad van Nederland arriveert, ziet hij al snel twee acute problemen: onvoorstelbaar drankmisbruik en socialistische onlusten. Beide vormen een gevaar voor de katholieke textielarbeiders en hij probeert er wat aan te doen. Hij stimuleert het drinken van het minder gevaarlijke bier in plaats van jenever en hij richt de katholieke drankbestrijdingsorganisatie het Kruisverbond op. En om de aantrekkingskracht van de socialisten, die echt werk maken van de strijd tegen lange werkdagen en lage lonen, op de katholieke arbeiders tegen te gaan, richt hij zelf enkele katholieke arbeidersorganisaties op. Het worden organisaties van katholieke (textiel)arbeiders vóór katholieke (textiel)arbeiders. Ariëns wordt zelf geen bestuurslid, maar slechts geestelijk adviseur. Met deze verenigingen probeert Ariëns de katholieke arbeiders bij de kerk te houden en tegelijk een stem te geven tegen de werkgevers. Er wordt meegedaan aan stakingen, maar er wordt ook weer gepraat om ze te beëindigen, ondanks de vaak hevige spot van socialistische voormannen. Als in 1895 een veertigtal textielarbeiders ontslagen wordt, stimuleert Ariëns de oprichting van de coöperatieve textielfabriek De Eendracht in Haaksbergen. Een mooi initiatief, maar zakelijk wordt het een mislukking. Ariëns verkoopt zelfs zijn kelk om schulden af te lossen, maar uiteindelijk gaat de fabriek toch failliet. Meer succes heeft hij met het weekblad De Katholieke Werkman, dat een belangrijk middel blijkt om de katholieke arbeiders met informatie te bereiken, waardoor het overlopen naar de atheïstische socialistische organisaties deels voorkomen wordt.

Pastoor in Steenderen
De conservatieve nieuwe aartsbisschop van Utrecht, Mgr. H. van de Wetering, probeert meer greep te krijgen op de arbeidersorganisaties. Dat is in strijd met het door Ariëns voorgestane model. Hij wordt dan ook in 1901 uit Enschede weggepromoveerd door zijn aanstelling tot pastoor in Steenderen, een dorpje gelegen tussen Zutphen en Doesburg. Ariëns heeft geen idee waar het ligt, maar het is voor die tijd op voldoende afstand van Twente. Hij kan nu geen intensieve contacten met Enschede blijven onderhouden.
Hij zet in zijn nieuwe parochie het sociale werk voort, maar op andere schaal. Landelijk blijft hij actief, o.a. als lid van de staatscommissie die na de Spoorwegstaking van 1903 de regering adviseert over de positie van de spoorwegarbeiders. Verder speelt hij een bemiddelende rol bij verschillende uitzichtloze arbeidsconflicten en houdt hij regelmatig lezingen.

Pastoor in Maarsen
In 1908 krijgt Ariëns een benoeming tot pastoor in Maarssen bij Utrecht en weer gaat hij met grote tegenzin. Hij zal hier acht jaar blijven. Hij blijft actief, maar nu niet meer voor de katholieke arbeidersbeweging, maar voor allerlei cultureel-maatschappelijke katholieke verenigingen, waaronder de katholieke vrouwenvereniging en het Geert Grootegenootschap. In 1919 krijgt Ariëns een hoge kerkelijke erkenning voor zijn werk door de benoeming tot ‘geheim kamerheer’ van de paus. Vanaf nu draagt hij de titel Monseigneur. Als hij in 1922 zijn 40-jarig priesterjubileum viert koopt de parochie als geschenk voor hem zijn eerder verkochte kelk weer terug.

Overlijden
De laatste paar jaar van zijn leven wordt Ariëns verzorgd in het moederhuis van de zusters van Sint Joseph in Amersfoort, waar hij op 68-jarige leeftijd overlijdt. Hij wordt begraven op het katholieke kerkhof van Maarssen. Zijn kelk heeft in de naastgelegen kerk een ereplaats gekregen.





Alfons Ariëns

Een groepsfoto van de nog jonge Alfons Ariëns samen met zijn ouders en zus.
Katholiek leven in beeld, Katholiek Documentatie Centrum

De kelk van Alfons Ariëns. Toen het niet zo goed ging met de mede door hem opgerichte coöperatieve fabriek De Eendracht, verkocht Ariëns op een gegeven moment zijn kelk om de schulden te kunnen aflossen. Later heeft de parochie in Maarssen de kelk ter gelegenheid van Ariëns' 40-jarig priesterfeest teruggekocht.
Katholiek leven in beeld. Katholiek Documentatie Centrum.