Henri Poels

De theoloog die actievoerder werd

Bittere arbeidsconflicten

De industriële ontwikkeling van Nederland heeft in de tweede helft van de negentiende eeuw tot verschillende bittere arbeidsconflicten tussen de arbeiders en hun werkgevers geleid. De lonen waren laag en de werktijden waren lang. Twaalf uren per dag en zes dagen per week werken voor een hongerloon was heel normaal. De werkgevers verdedigden zich door te zeggen dat ze toch maar voor werkgelegenheid zorgden en dat ze vanwege de concurrentie geen hogere lonen konden geven. Ondertussen waren de verschillen tussen rijkdom en armoede schrijnend. In heel Nederland, ook in het katholieke zuiden.

Door het Kinderwetje van Van Houten werd in 1874 bepaald dat kinderen pas vanaf hun twaalfde jaar in fabrieken mochten werken. En vanaf 1889 verbood de Arbeidswet kinderen en vrouwen in fabrieken langer te werken dan elf uur per dag. Dat zette natuurlijk weinig zoden aan de dijk.

Rerum Novarum

De communisten en socialisten, volgelingen van de Duitse filosoof Karl Marx, riepen de arbeiders op tot een klassenstrijd tegen de kapitalisten, de fabrikanten. Die strijd tussen de proletariërs, de arbeiders, en de kapitalisten zou tot een revolutie moeten leiden. De katholieke kerk heeft in 1891 via een pauselijke brief – de encycliek Rerum Novarum – een andere weg gewezen. De arbeiders zouden de krachten moeten bundelen in vakverenigingen om gezamenlijk via overleg met de werkgevers tot verbeteringen te komen. De katholieke sociale leer ging uit van het christelijk solidarisme: wie christen was moest solidair zijn met zijn lotgenoten en samenwerken. De kernwaarde van de naastenliefde in het christelijk geloof eiste van de ondernemers oog te hebben voor de gerechtvaardigde verlangens van de arbeiders. De belangen van de ondernemingen en van de arbeiders moesten in wederzijds belang en in goed overleg afgewogen worden.

De bisschoppen van Nederland vertaalden die oproep van de paus zo, dat overal katholieke arbeidersverenigingen werden gesticht. Voor de mijnwerkers, voor de textielindustrie, voor de metaalarbeiders en ga zo maar door. Zij benoemden priesters om die verenigingen te begeleiden. Dat werk werd in een bisdom gecoördineerd door een aalmoezenier van sociale werken. Een pionier op dat terrein was de Limburgse Henri Poels.

Armoede in Maastricht

In de tweede helft van de negentiende eeuw leefde meer dan de helft van de mensen in Maastricht in armoede en moest geregeld een beroep doen op de armenzorg. De fabrikanten, zoals Petrus Regout van de bekende aardewerkfabriek De Sphinx, bouwden wel een beperkt aantal arbeiderswoningen, maar die waren bestemd voor het geschoolde vakpersoneel. De ongeschoolde arbeiders woonden meestal in krotwoningen zonder stromend water en riolering. Door gebrek aan hygiëne kon men de besmettelijke ziekten cholera, tyfus en tuberculose niet onder de knie krijgen. Met de woningbouw schoot het niet op. De katholieke woningbouwvereniging St. Servatius bouwde pas in 1907 zijn eerste goedkope woningwetwoningen voor arbeiders.

Toen in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) een fors aantal Belgische families naar Maastricht in het neutrale Nederland vluchtte, werd de woningtoestand helemaal nijpend. In 1917 kwam monseigneur Poels met zijn donderpreek over de laksheid van de Maastrichtse katholieke bestuurders. Door hun onverschilligheid leefden nog steeds 1986 gezinnen op slechts een kamer, niet meer dan schamele hokken in mensenpakhuizen van wel zeven verdiepingen. Men schaamde zich wel na deze felle aanklacht. Tussen 1919 en 1923 werden in Maastricht gelukkig ruim 1700 nieuwe woningen gebouwd.

Paus Leo XIII schreef in 1891 zijn encycliek Rerum Novarum (= Over nieuwe dingen).

De Sphinx, een bekende aardewerkfabriek in Maastricht, opgericht door Petrus Regout

Mijnwerker aan het werk in een van de Limburgse kolenmijnen.