Bernardus van Clairvaux

Een gedreven middeleeuwse abt

Cluniacenzers en cisterciënzers

Op 11 september van het jaar 909 ondertekent Willem I, hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon, de stichtingsacte voor de oprichting van een kleine benedictijner abdij voor twaalf monniken in het dorp Cluny. Het klooster wordt onder direct gezag van de paus van Rome geplaatst. Tweehonderd jaar later stuurt de abt van Cluny een kloosterorde aan van meer dan 1200 vestigingen, deels gevormd door nieuwe stichtingen, deels door aansluiting van reeds bestaande kloosters. De orde is dan puissant rijk geworden door grondschenkingen en door inkomsten van bedevaartgangers, vooral van hen die naar Santiago de Compostella in Spanje gaan, en die in de kloosters overnachten. De abdijkerk van Cluny wordt de grootste kerk van de christelijke wereld.

In 1075 wordt de benedictijner monnik Robert de abt van het nog uit houten gebouwen bestaande klooster Molesme. Door veel schenkingen en snelle groei wordt het steeds moeilijker een sober leven van bidden en werken binnen de regels van de kloostertucht te handhaven. Daarom wil hij opnieuw beginnen. Met toestemming van de aartsbisschop van Lyon krijgt hij in 1098 de kans in een beboste vallei van de Saône in Bourgondië een nieuwe benedictijner orde te stichten. Het eerste klooster wordt gevestigd in Cîteaux, dat in het Latijn ‘cistercium’ is, waarvan de naam ‘cisterciënzers’ wordt afgeleid. Onder Bernardus van Clairvaux wordt de orde pas echt groot en krijgt een omvang van 350 vestigingen. Vanuit Cluny beweert men dat de strenge regels van Bernardus onpraktisch en op lange termijn niet houdbaar zijn, maar de groei van de cisterciënzer orde bewijst het tegendeel. De cluniacenzers worden door de cisterciënzers overvleugeld.

Het pauselijk gezag versterkt

Aan het eind van de elfde en het begin van de twaalfde eeuw zijn er twee bedreigingen voor het gezag van de paus. De eerste betreft de concurrentie met de vorsten over de vraag wie de macht heeft bisschoppen te benoemen en de tweede gaat over de concurrentie tussen twee adellijke families in Rome over de vraag uit welke familie de nieuwe paus wordt gekozen. De tientallen jaren slepende kwestie over de bisschopsbenoemingen, de investituurstrijd genoemd, wordt uiteindelijk in 1122 met een compromis bezegeld in het Concordaat van Worms. De paus wint dan het gevecht, omdat híj het benoemingsrecht krijgt, waarna de koning/keizer pas de nieuwe bisschop bevestigt met het wereldlijk gezag. Maar die overwinning voor de paus dreigt verloren te gaan door het pauselijk schisma van 1130 tot 1138. De twee machtige Romeinse families hebben dan het kardinalencollege gespleten waardoor er twee pausen gekozen worden. Bernardus van Clairvaux blijkt dan in staat om door zijn enorme overtuigingskracht en onuitputtelijke inzet vrijwel alle kloosterorden en vorsten achter de hervormingsgezinde en sobere Innocentius II te scharen. De zeer ervaren, maar ook zeer verkwistende tegenpaus Anacletus II moet uiteindelijk het onderspit delven. Als teken van de nieuwe eenheid wordt in 1139 in Rome het Tweede Concilie van Lateranen gehouden, waar, geheel in de geest van Bernardus, de regels betreffende de kerkelijke functionarissen worden aangescherpt: het celibaat wordt algemeen verplicht en de priesters krijgen kledingvoorschriften.

Cisterciënzer kunst

Voor Bernardus van Clairvaux wordt het monnikenleven gekenmerkt door ascese, eenvoud en armoede. Geen wonder dus dat hij deze waarden ook in de architectuur en de aankleding van de kloosters weerspiegeld wil zien. Hij verzet zich dan ook tegen de pronkzucht van de cluniacenzers. In zijn ‘Verdediging van het geloof aan Guillaume’ formuleert hij zijn afkeer van de grillige vormen van de romaanse beeldhouwkunst als volgt: ‘Oh, ijdelheid der ijdelheden, maar deze ijdelheid is nog dwazer dan ijdel. De muren van de kerk flonkeren van rijkdommen, maar de armen zijn in nood; zijn stenen zijn bedekt met vergulde versieringen maar haar kinderen lopen er naakt bij; men gebruikt het bezit van de armen voor de verfraaiingen die de blikken van de rijken lokken (…). Maar wat betekenen deze lachwekkende monsters, deze vreselijke schoonheden, en die mooie verschrikkingen in uw kloosters, waar de geestelijken hun boeken schrijven? Waar zijn ze in deze gebouwen goed voor, die obscene apen, die wilde leeuwen, (…) die vechtende soldaten en hoorn blazende jagers? (…) Het aantal van dit soort afbeeldingen is zo groot, en de verscheidenheid zo verleidelijk en divers dat men liever naar dit marmeren beeldhouwwerk kijkt dan manuscripten leest en dat men liever de dag al bewonderend doorbrengt, dan dat men Gods wetten bestudeert.’

Het zal duidelijk zijn dat de cisterciënzer kloosters alle praal overboord gezet hebben. Beelden worden absoluut verboden en schilderingen zijn alleen toegestaan op kruisen. In de architectuur is degelijkheid en ruimtelijkheid geboden. De eenvoud van de vroeg-gotische bouwstijl bevordert de aandacht voor het gebed, terwijl tegelijk de eenvoudige spitsbogen verwijzen naar het goddelijke.

De abdij van Cluny, een voorstelling uit eind 19e eeuw van dit geweldige kloostercomplex.

Wikimedia Commons

Op deze romaanse miniatuur uit de 13e eeuw staan de drie stichters van de orde van Cîteaux: Robert van Molesme, Alberic van Cîteaux en Stephen Harding.Wikimedia Commons

De kerk van de voormalige cisterciënzer abdij in Pontigny (Midden-Frankrijk). De abdij is gesticht in 1114. Tijdens de Franse Revolutie zijn bijna alle abdijgebouwen verwoest. De kerk blijft gespaard en wordt parochiekerk. Het gebouw wordt beschouwd als de grootste nog bestaande cisterciënzer kerk in Frankrijk.

Wikimedia Commons

De Abdij van Fontenay is een voormalige cisterciënzer abdij in Bourgondië (Frankrijk). De abdij wordt beschouwd als een goed voorbeeld van de 12e-eeuwse cisterciënzer bouwkunst. Het kerkgebouw maakt ondanks zijn sobere inrichting toch op de toeschouwer een overdonderende indruk.

Wikimedia Commons