Overheidsregels die bepalen vóór welke datum gewassen geoogst moeten worden, voelen onnatuurlijk. Je zou denken dat geoogst moet worden wanneer het gewas rijp is, en de omstandigheden gunstig. Maar nee, na de oogst moeten zogenaamde ‘vanggewassen’ worden ingezaaid, om stikstof te binden. En hoe eerder die gezaaid zijn, hoe meer stikstof ze binden, dus rijp of groen, de maïs móet van het land. De theorie zal vast kloppen, maar het voelt vreemd: oogsten wat misschien nog helemaal niet rijp is…
Ook in kerken gaat het soms over groeien en oogsten. Een gemeente die niet groeit sterft uit, wordt dan gezegd. Toename van leden en toename van betrokkenheid wordt tot kerndoel gemaakt van de geloofsgemeenschap. Is dat ook niet eigenaardig?
Ik sprak eens een Amerikaanse predikant. Hij werkte heel anders dan dominees hier. Hij regelde een ruimte, een voormalige supermarkt of zo, begon te folderen, zorgde dat zijn gemeente flink groeide, en trok na een poosje verder, om een nieuwe kerk uit de grond te stampen. Naar eigen zeggen was hij heel succesvol, ik heb dat niet kunnen controleren.
Maar past zo'n geforceerde focus op ‘groei’ eigenlijk wel bij het geloof? Gaat het om ‘de kerk’ op zich? Bovendien: laat geloof zich eigenlijk wel dwingen? God doet de dingen op zijn tijd, niet op de onze... Vaak is het beter om geduld te hebben, en niet alles te plannen en te organiseren. Gods water over Gods akker laten stromen is niet per definitie fout…
‘Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap,’ zegt de Psalm…