Ook mijn vader was predikant, in 1950 werd hij bevestigd in zijn eerste gemeente. Ik heb uiteraard heel wat diensten onder zijn gehoor gezeten. De manier waarop hij preekte is uiteindelijk van grote invloed geweest op mijn keuze voor het predikantschap.
In vaders tijd waren er nog geen computers en tekstverwerkers, preken werden met de hand uitgeschreven in schriften. Daar kwamen dus steeds meer van, in de studeerkamer lagen fikse stapels volgeschreven preekschriften. Die gingen na het emeritaat mee naar de seniorenwoning.
Ik heb me wel eens afgevraagd wat er zou gebeuren als ik op zondag in plaats van een eigen preek éen van mijn vader zou houden… Ik vermoed dat de gemeente onmiddellijk zou merken dat die preek anders dan anders is... Andere lengte, ander taalgebruik, duidelijk iets uit een vervlogen tijd. Dat is ook logisch, noodzakelijk zelfs, de prediker is immers, als het goed is, altijd in gesprek met de eigen tijd en cultuur. Wanneer dat verband ontbreekt zouden de hoorders het meteen moeten merken…
Daarom verbaast het me dat in de leesdiensten van ultra orthodoxe protestanten nog steeds oudvaders uit de 17e of 18eeeuw worden voorgelezen. Afgezien van de taalbarrière, (hoewel men daar natuurlijk wel de tale Kanaäns verstaat), moet de totaal andere tijd met bijbehorend levensgevoel zo’n preek tot iets vreemds maken, waarin een eigentijds mens zich slecht kan herkennen…
Met vaders preken kan ik het niet meer uitproberen… Toen we het huis moesten leegruimen waren ze allemaal weg, hij had ze vernietigd… Zo blijken meer gepensioneerde dominees te doen…