1. Intima (endotheelcellen, subendotheliale laag)
2. Lamina elastica interna (onderdel van intima)
3. Media: glad spierweefsel, collageen
4. Lamina elastica externa (onderdeel van media)
5. Adventitia: collageen, fibroblasten, macrofagen, vasa/nervi vasorum
Grote vaten vasculitis
Takayasu arteriitis: Arteritis, often granulomatous, predominantly affecting the aorta and/or its major branches. Onset usually in patients <50 years.
Arteriitis temporalis (giant cell artritis; GCA); Arteritis, often granulomatous, usually affecting the aorta and/or its major branches, with a predilection for the branches of the carotid and vertebral arteries. Often involves the temporal artery. Onset usually in patients >50 years and often associated with polymyalgia rheumatica.
Middelgrote vaten vasculitis
Polyarteritis nodosa (PAN): Necrotizing arteritis of medium or small arteries without glomerulonephritis or vasculitis in arterioles, capillaries, or venules, and not associated with antineutrophil cytoplasmic antibodies (ANCAs).
Kawasaki: Arteritis associated with the mucocutaneous lymph node syndrome and predominantly affecting medium and small arteries. Coronary arteries are often involved. Aorta and large arteries may be involved. Usually occurs in infants and young children.
Kleine vaten vasculitis
ANCA-geassocieerde vasculitis (AAV): Necrotizing vasculitis, with few or no immune deposits, predominantly affecting small vessels (ie, capillaries, venules, arterioles, and small arteries), associated with myeloperoxidase (MPO) ANCA or proteinase 3 (PR3) ANCA. Not all patients have ANCA. Add a prefix indicating ANCA reactivity, eg, MPO-ANCA, PR3-ANCA, ANCA-negative.
Microscopische polyangiitis (MPA): Necrotizing vasculitis, with few or no immune deposits, predominantly affecting small vessels (ie, capillaries, venules, or arterioles). Necrotizing arteritis involving small and medium arteries may be present. Necrotizing glomerulonephritis is very common. Pulmonary capillaritis often occurs. Granulomatous inflammation is absent.
Granulonatose met polyangiitis: (GPA; Wegener): Necrotizing granulomatous inflammation usually involving the upper and lower respiratory tract, and necrotizing vasculitis affecting predominantly small to medium vessels (eg, capillaries, venules, arterioles, arteries and veins). Necrotizing glomerulonephritis is common. Approximately 90% of patients is ANCA-positive.
Eosinofiele granulomatose met polyangiiti (EGPA; Churg-Strauss): Eosinofielrijk en necrotiserende granulomateuze ontsteken, vaak van de bovenste en onderste luchtwegen. Necrotiserende vasculitis die vooral de kleine en middelgrote vaten aantast. Geassocieerd met astma en eosinofilie. ANCA minder vaak aanwezig dan bij GPA/MPA, vaker indien glomerulonefritis.
Immuun-complex vasculitis: Vasculitis with moderate to marked vessel-wall deposits of immunoglobulin and/or complement components predominantly affecting small vessels (ie, capillaries, venules, arterioles, and small arteries). Glomerulonephritis is frequent.
Anti-glomerular basement membrane (anti-GBM) disease: Vasculitis affecting glomerular capillaries, pulmonary capillaries, or both, with GBM deposition of anti-GBM autoantibodies. Lung involvement causes pulmonary hemorrhage, and renal involvement causes glomerulonephritis with necrosis and crescents.
Cryoglobulinemische vasculitis: Vasculitis with cryoglobulin immune deposits affecting small vessels (predominantly capillaries, venules, or arterioles) and associated with serum cryoglobulins. Skin, glomeruli, and peripheral nerves are often involved.
IgA vasculitis (IgAV; Henoch-Schönlein): Vasculitis, with IgA1-dominant immune deposits, affecting small vessels (predominantly capillaries, venules, or arterioles). Often involves skin and gastrointestinal tract, and frequently causes arthritis. Glomerulonephritis indistinguishable from IgA nephropathy may occur.
Hypocomplementemic urticarial vasculitis (HUV) (anti-C1q vasculitis): Vasculitis accompanied by urticaria and hypocomplementemia affecting small vessels (ie, capillaries, venules, or arterioles), and associated with anti-C1q antibodies. Glomerulonephritis, arthritis, obstructive pulmonary disease, and ocular inflammation are common.
Variable vessel vasculitis
Syndroom van Behcet: Vasculitis occurring in patients with Behçet's syndrome that can affect arteries or veins. Behçet's syndrome is characterized by recurrent oral and/or genital aphthous ulcers accompanied by cutaneous, ocular, articular, gastrointestinal, and/or central nervous system inflammatory lesions. Small-vessel vasculitis, thromboangiitis, thrombosis, arteritis, and arterial aneurysms may occur.
Syndroom van Cogan: Vasculitis occurring in patients with Cogan's syndrome. Cogan's syndrome is characterized by ocular inflammatory lesions, including interstitial keratitis, uveitis, and episcleritis, and inner ear disease, including sensorineural hearing loss and vestibular dysfunction. Vasculitic manifestations may include arteritis (affecting small, medium, or large arteries), aortitis, aortic aneurysms, and aortic and mitral valvulitis.
Single organ vasculitis (bv. cutane kleine vaten vasculitis, testiculaire vasculitis)
Vasculitis geassocieerd met een systeemziekte (bv. lupus vasculitis)
Vasculitis met waarschijnlijke etiologie (bv. hepatitis-B geassocieerde vasculitis, heptiatis-C geassocieerde cryoglobulinemische vasculitis)
Immuuncomplexformatie en -deposities (bv. IgA-vasculitis): weefselschade door immuuncomplexdeposities met secundair complementactivatie gevolgd door chemotaxis van neutrofielen met vaatwandinflammatie en schade tot gevolg.
Productie van ANCA (MPA, GPA of EGPA). Auto-antilichamen tegen eiwitten in cytoplasmatische granules in neutrofielen en monocyten. Deze eiwitten worden naar het celmembraan getransloceerd wanneer neutrofielen geprimed worden (bv. door TNF-alfa of IL-1), waarna ze kunnen interacteren met ANCA. Neutrofielen degranuleren vervolgens waarna weefselschade ontstaat. Ook kunnen deze neutrofielen endotheelcellen killen.
Pathogene T-lymfocyt repons en granuloomvorming (bv. GCA, Takayasu, GPA, EGPA). Endotheelcellen kunnen HLA klasse II moleculen tot expressie brengen als gevolg van activatie door cytokines. Daardoor kunnen deze endotheelcellen een immunologische reactie aangaan met CD4+ T-cellen op eenzelfde manier als bij antigeenpresenterende cellen.
Vasculitis leidt vaak tot ischemie van organen en/of aneurysmavorming.
Achtergrond: Vasculitis neuropathies (review Lancet 2014)
Drie primaire uitingsvormen vasculitische neuropathie:
Multifocale mononeuropathie (i.e. mononeuritis multiplex) is een vaak acute, pijnlijke neuropathie van meerdere zenuwen (A). Daarnaast worden vaak een doof gevoel en tintelingen beschreven en kan sprake zijn van zwakte. Begint vaak aan onderste extremiteit. Bij uitbreiding (B) kan dit leiden tot een overlappende neuropathie (C).
Distale sensorimotore polyneuropathie (D)
Plexopathie (E).
Zie voor beschrijving livedo reticularis/racemosa hier.
Purpura: niet weg-drukbare roodheid door extravasatie van erytrocyten (bron)
Petechieën: diameter <5 mm)
Purpura (5-9 mm)
Ecchymosen (>1 cm)
Het onderscheid tussen petechiën en purpura is enigszins artificieel en beide letsels komen vaak samen voor
Indien petechieën/purpura palpabel zijn, dan is dat suggestief voor een vasculitis als onderliggende oorzaak. Niet-palpabele petechieën kunnen veroorzaakt worden door trombopenie of trombopathie (NSAID, aspirine, ITP, TTP, DIS, etc).
Retiforme purpura worden veroorzaakt door complete occlusie van een bloedvat waarna een bloeding optreedt door de lokale ischemie van de endotheelcellen.
Overige huidafwijkingen (bron)
Nod(ul)i
Papels
Ulcera
Livedo
Urticariële laesies
Necrose
Bij patiënten met nodi, livedo, eventueel met necrose en ulcera moet men altijd denken aan cutane PAN.
Diagnostiek (bron)
Bij verdenking op vasculitis van de huid is een huidbiopt nodig. Hierin wordt bij voorkeur de combinatie van neutrofiel infiltraat in en rond het bloedvat, met leukocytoclasie (degeneratie van neutrofielen) gezien. Fibrinoïde necrose en/of erytrocytenextravasatie ondersteunen de diagnose vasculitis. Een neutrofiel infiltraat in en rond het bloedvat alleen is niet voldoende voor de diagnose vasculitis.
Neem bij voorkeur een diepe punchbiopsie met subcutaan vet bij de verdenking vasculitis van de kleine vaten van de huid.
Neem bij voorkeur een excisiebiopsie of wigexcisie met voldoende subcutaan vet bij de verdenking vasculitis van de middelgrote vaten van de huid.
Bij livedo racemosa is het witte centrum van de laesie de beste plaats voor een biopsie.
Biopten van de huid uit digitale infarcten geven zelden de diagnose, geadviseerd wordt deze niet te biopteren, mede in verband met de slechte genezingstendens.
Het beste tijdstip voor het nemen van biopten voor lichtmicroscopie en direct immunofluorescentieonderzoek samen is van laesies van 24-48 uur oud na ontstaan van de betreffende laesie, bij voorkeur zonder immunosuppressieve therapie.
Bij verdenking op vasculitis van de huid wordt altijd een huidbiopt genomen voor lichtmicroscopie van paraffinecoupes en zo mogelijk een huidbiopt voor direct immunofluorescentieonderzoek van vriescoupes, gezien de gemiddeld hogere opbrengst bij voorkeur beide uit een huidlaesie van 24-48 oud.
Bij IgA-neerslagen bij IF-onderzoek van de huid moet niet alleen aan IgA vasculitis gedacht worden maar ook aan GPA of EGPA.
Laboratoriumonderzoek: BSE, CRP, bloedbeeld met diff, kreatinine, leverenzymen, CK, glucose, IgM/IgG/IgA
Urine: sediment, dysmorfe erytrocyten, portie op kreat/eiwit
Immunologisch: ANA, ANCA, C3, C4
Infectiologisch: bloedkweken, HBV, HCV, HIV
Beeldvorming: ECG, X-thorax
Op indicatie: antifosfolipiden antistoffen, anti-GBM, ACE, sCD25, biopsie, angiografie, spirometrie met diffusie, HRCT, 24-uurs urine, M-proteine, VLK, TTE, lues, Chlamydia, gonorroe, cryoglobuline, ADA2, genetische diagnostiek (bv. UBA1 mutatie ihkv VEXAS)
Infectieus: bacteriële endocarditis, gedissemineerde gonokokkeninfectie, pulmonale histoplasma, coccidioimycosis, syfilis, Lyme, Rocky mountain spotted fever, M. Whipple
Coagulopathie: antifosfolipidensyndroom, TTP
Maligniteit: atriaal myxoom, lymfoon, carcinomatosis
Toxisch-medicamenteus: bv. cocaine, amfetamine, arseen
Overig: sarcoidose, cholesterolembolieën, anti-GBM (Goodpasture), amyloidose, migraine, fibromusculaire dysplasie, segmentele arteriële mediolyse (SAM), reversibel cerebraal vasoconstrictief syndroom, VEXAS
Vaak immuun-complex vasculitis van kleine vaten (capillairen, venulen, arteriolen en kleine arterieën), zonder aanwijzingen voor ANCA-geassocieerde vasculitis
Onderscheid tussen cutane klene vaten vasculitis (single organ vasculitis) en vasculitis met andere orgaanbetrokkenheid
Cutane kleine vaten vasculitis: single-organ vasculitis, vaak leukocytoclastische vasculitis (zeer uitgebreide differentiaaldiagnose: o.a. systeemziekten, medicatie)
Anti-GBM vasculitis: vasculitis van glomerulaire capillairen en/of pulmonale capillairen door depositie van anti-GBM autoantilichamen. Klinisch vaak crescentische glomerulonefritis en hemoptoë. Diagnostiek: anti-GBM
Cryoglobulinemische vasculitis: vasculitis door deposities van cryoglobulinen met tevens cryoglobulinemie. Klinisch vaak betrokkenheid, huid, glomeruli en perifere zenuwen. Cryoglobulines kunnen het gevolg zijn van hepatitis B/C of hematologische maligniteiten.
IgA vasculitis: vasculitis door depositie van IgA. Klinisch vaak betrokkenheid van huid, gastrointestinaal, artritis en glomerulonefritis (vaak niet te onderscheiden van IgA nefropathie).
Urticariële vasculitis: vasculitis door deposities van anti-C1q autoantlichamen
Hypocomplementemische urticariële vasculitis (HUV): urticariële vasculitis en hypocomplementemie zonder te voldoen aan criteria voor HUVS (zie onder). Patiënten met HUV hebben doorgaans huidafwijkingen zonder systemische manifestaties.
Hypocomplementemische urticariële vasculitis syndroom (HUVS) kenmerkt zich door ten minste 6 maanden urticaria met hypocomplementemie (twee major criteria) i.c.m. ten minste twee minor criteria (kleine vaten vasculitis van de huid, artralgie of artritis, milde glomerulonefritis, uveitis of episcleritis, recidiverende buikpijn of positieve C1q precipitine test o.b.v. immunodiffusie met een verlaagd C1q.
Definitie: single-organ vasculitis van kleine vaten beperkt tot de huid, vaak leukocytoclastisch, zonder systemische vasculitis of glomerulonefritis. Let op: exact hetzelfde huidbeeld kan gezien worden in het kader van systemische kleine-vaten vasculitis zoals bijvoorbeeld ANCA-geassocieerde vasculitis, cryoglobulinemische vasculitis, IgA vasculitis of endocarditis.
Leukocytoclastische vasculitis: histopathologische term voor kleine-vaten vasculitis met een inflammatoir infiltraat op basis van neutrofielen (na degranulatie gaan neutrofielen dood en worden ze afgebroken waarbij nucleair debris vrijkomt; dit wordt leukocytoclasie genoemd).
Oorzaken
Medicamenteus (penicilline, cefalosporine, sulfonamide, allopurinol; zie tabel UpToDate)
Infectie (hepatitis B/C, HIV, chronische bacteriëmie, andere virussen)
Kliniek: palpeerbare purpura (0.3-1 cm) en/of niet-wegdrukbare petechieën (<0.3 cm). Soms vloeien de lesies samen, ulcereren ze of zijn er hemorrhagische bullae zichtbaar.
Timing: meestal 7-10 dagen na blootstelling waarna er voldoende antigen-antilichaam complexen zijn, soms al na 2-7 dagen bij secundaire antigen exposure
Diagnostiek:
Vragen: 1) Is dit vasculitis? 2) Wat is de oorzaak? 3) Zijn er andere organen betrokken?
Anamnese en lichamelijk onderzoek gericht op systemische vasculitis (constitutioneel, musculoskeletaal, KNO, luchtwegen, neuropathie, gastrointestinaal, oog, nieren), andere auto-immuuneziekten (bv. reumatoide artritis), infecties en medicatie
Differentiaal diagnse: ITP, TTP en niet-inflammatoire vaatschade zoals vitamine C, Ehlers-Dahnlos, cholesterol embolieën, actinische of seniele purpura, glucocorticoid-geïnduceerde purpura
Lab en urine: zie boven
Biopt huid (bij voorkeur van lesies 24-48 uur oud) met immunofluorescentie vaak zinvol
Therapie: symptomatisch, vaak treedt spontane resolutie op in dagen tot weken, zelden is behandeling met prednisolon noodzakelijk; bij persisterende huidafwijkingen in afwezigheid van infectie kan dapson, colchicine of prednison overwogen worden (bron)
Cryoglobuline = immuunglobuline (meestal IgM) die precipitatie (neerslaat) bij koude. Cryoglobulinemie kan asymptomatisch zijn of leidend tot orgaanschade (cryoglobulinemische vasculitis).
Kliniek: vaso-occlusie met vasculitis-achtige verschijnselen zoals purpura, artralgieën, perifere neuropathie, glomerulonefritis, acrocyanose en gangreen.
Denk aan cryoglobuline bij:
Klinisch: purpura, livedo reticularis, Raynaud, acrocyanose, cutane ischemie/ulcera, artralgieën en artritis, perifere neuropathie en koude overgevoeligheid
Lab: onverklaarde hypocomplementemie (m.n. C4), onverklaard verhoogd IgM RF, positieve hepatitis C serologie, actief urinesediment
Patholoie: leukocytoclastische vasulitis, membraneuze glomerulonefritis, hyaline trombi in kleine vaten
Er bestaan drie types cryoglobulines:
Type 1: geïsoleerde monoklonale immuunglobulines (meestal IgM of IgG), meestal ihkv B-cel lymfoproliferatieve ziekte (bv. MGUS, multipel myeloom, Waldenström of CLL).
Type 2: Mixed cryoglobulinemie bestaande uit monoklonale component (meestal IgM) die precipiteert met polyklonale (meestal IgG) component. Bij 87-100% is de IgM reumafactor positief.
Type 3: Uitsluitend polyklonale immuunglobulines met sterke reumafactor activiteit van één van de componenten.
Type 1 cryoglobulines aggregeren en slaan neer door verminderde oplosbaarheid bij lage temperaturen en hogere concentratie, en niet door formatie van immuuncomplexen (en gaat dus gepaard met minimale inflammatie). Daarom veroorzaken type 1 cryoglobulinen met name hyperviscositeit / mechanische obstructie en (meestal) geen vasculitis. Aangedane organen zijn met name distale extramiteiten (acryocyanose) door koude en nieren door hogere lokale concentratie door hyperfiltratie (zie figuur onder).
Type 2 en 3 cryogobulines slaan neer in kleine vaatjes o.a. door binding van C1q aan C1q receptoren. Dit leidt tot massale complementactivatie (altijd laag C4, waarbij C3 opvallend genoeg normaal kan zijn). Dit leidt tot chemotaxie van o.a. neutrofielen met een influx in de vaatwand en dus kleine-vaten (leukocytoclastische) vasculitis tot gevolg.
Cryoglobulinemie is primair/essentieel of secundair aan
Lymfoproliferatieve aandoeningen: M. Waldenström, multipel myeloom, B-cel NHL
Systeemziekten: M. Sjögren, SLE, reumatoide artritis
Leverziekten: hepatitis B/C, auto-immuun hepatitis, cirrose
Chronische infecties: endocarditis, Lyme, HIV
Diagnostiek:
Lab: bloedbeeld incl diff, ALAT, ASAT, AF, gamma GT, bilirubine, PT, albumine, kreatinine, IgG/IgM/IgA, M-proteïne, vrije lichte ketens, C1q, C3, C4, IgM reumafactor. Let op: bij een negatieve cryoglobuline maar positieve IgM reumafactor mét een laag C4 en normaal C3, herhaal diagnostiek cryoglobuline (cave afnamefout)
Urine: sediment, portie eiwit/kreatinine
Serologie: hepatitis B, hepatitis C, HIV
Immunologie: cryoglobuline (zie hier voor meer informatie), ANA, SSA, SSB
Classificatie: Necrotiserende arteritis van middelgrote of kleine vaten zonder glomerulonefritis of vasculitis van arteriolen, capillairen of venulen, en niet geassocieerd met ANCA.
Orgaamanifestaties
Constitutioneel (~67%): gewichtsverlies, koorts
Musculoskeletaal (~50%): myalgie (vaak met normaal of slechts licht verhoogd CK), artralgie van knieën/enkels/ellebogen/polsen
Perifeer zenuwstelsel (50-75%): perifere sensorische neuropathie, mononeuritis multiplex
Huid (8-27%): cutane/subcutane noduli, necrotische purpura; minder frequent: ulceraties en livedo
Gastrointestinaal (40-60%; vaker bij HBV-geassocieerde PAN): gastrointestinale bloeding, dunne-darmperforaties
Urogenitaal: orchitis
Nieren: renovasculaire hypertensie, geen glomerulonefritis
Cardiaal: hartfalen
Centraal zenuwstelsel (zelden): hersenzenuwuitval, CVA, epilepsie, visusstoornissen
Ernst:
Ernstige ziekte: levensbedreigende of orgaanbedreigende manifestaties zoals renale betrokkenheid, mononeuritis multiplex, spierbetrokkenheid, mesenteriale ischemie, betrokkenheid coronairen en/of ischemie vinger/teen/extremiteit
Niet-ernstige ziekte: milde systemische symptomen, ongecompliceerde huidbetrokkenheid, milde inflammatoire artritis
Relapse: <25% (minder vaak dan bij ANCA-geassocieerde vasculitis)
Diagnostiek
Orgaanspecifieke diagnostiek:
Huidbetrokkenheid: diep huidbiopt. Kenmerkens is o.a. fibrinoïde necrose. Dit ontstaat door necrose van endotheelcellen en dientengevolge agglutinatie van cytoplasmatische eiwitten die vrijkomen. Deze eiwitten vormen fibrinoid weefsel (wat dus geen fibrine bevat) met een vezelachtig structuur. Fibrinoide necrose kan ook gezien worden secundair aan infecties en immuungemedieerde vaatschade (o.a. ANCA vasculitis).
Perifere neuropathie: EMG, gecombineerd spier-zenuw biopt
Indien geen clues of verdere ondersteuning nodig: CT-A abdomen ter evaluatie microaneurysmata
Ter uitsluiting: HBV, HCV, HIV, ANCA, ADA2 activiteit
Follow-up:
Indien perifere motorische neuropathie: neurologisch onderzoek iedere 6 maanden
Indien gastrointestinale betrokkenheid: herhaalde beeldvorming abdomen
HBV-geassocieerde PAN
Differentiaal diagnose necrotiserende vasculitis
Definities
Necrotiserende vasculitis met slechts enkele of geen immuuncomplex deposities.
Met name betrokkenheid van kleine vaten (capillairen, venulen arteriolen en kleine arterieën).
Geassocieerd met myeloperoxidase (MPO) of proteinase 3 ANCA (antistoffen tegen neutrofielen). Niet alle patiënten hebben een ANCA.
Incidentie: ~20 per 1,000,000 per jaar
Leeftijd: piek tussen 60-70 jaar
Etniciteit: vaker bij Kaukasiërs en Aziaten
PR3-ANCA (cANCA): aanwezig in >90% van patiënten met actieve GPA. Hogere relapse rate.
MPO-ANCA: hogere mortaliteit
Algemeen: aanhoudende griepachtige verschijnselen met hoofdpijn, myalgie, arthralgie en gewichtsverlies.
KNO: langzaam progressief gehoorverlies gedurende dagen tot weken zonder voorafgaande verkoudheid maar met aanhoudende griepachtige verschijnselen of ontwikkelen van neusstenose met middenaangezichtspijn en toenemend bloederig-purulent secreet met kortsvorming dat niet reageert op antibiotica (granulomatose met polyangiitis)
Ogen: onverklaarde conjunctivitis met constitutionele symptomen, uveitis, unilatere proptose en parese van de motorische oogzenuwen.
Longen: langzaam ontwikkelende hoest en dyspnoe eventueel met bloedig-purulent sputum, bilaterale infiltraten die niet reageren op antibiotica, of caviterende laesies of alveolaire bloedingen.
Huid: aanvallen van cutane vasculitis, pyoderma gangrenosum of oedeem.
Nieren: hematurie, proteinurie, hypertensie, verminderde nierfunctie
Overige diagnostiek
Lab: BSE, CRP, bloedbeeld met differentiatie
Urine: sediment, eiwit/kreat in portie
Overig: X-thorax
Op indicatie: ECG, ICC KNO, ICC longarts
Classificatie: necrotiserende granulomateuze ontsteking van met name de bovenste en onderste luchtwegen, en necrotiserende vasculitis van met name de kleine en middelgrote vaten. Frequent ook necrotiserende glomerulonefritis.
Epidemiologie: Prevalentie: 3 per 100,000. Man:vrouw = 1:1. Gemiddelde leeftijd 40 jaar.
Orgaanbetrokkenheid:
Constitutioneel (30-80%): koorts, gewichtsverlies, vermoeidheid
KNO (90-95%): bloederige korsten, rhinitis, sinusitis, chronische otitis media, zadelneusdeformiteit, septumperforatie, gehoorverlies (conductief of perceptief), hypertrofisch tandvlees, aardbeitong, heesheid
Longen (60-90%): bilateraal noduli met vaak cavitatie, hemoptoë
Nieren (55-80%): necrotiserende crescentische glomerulonefritis of pauci-immuun glomerulonefritis
Perifeer zenuwstelsel (15-33%): vaak mononeuritis multiplex, senorimotorische polyneuropathie
Centraal zenuwstelsel (6-13%; vaak later in ziekteproces): o.a. pachymeningitis
Musculoskeletaal (~67%): non-erosieve polyartritis van middelgrote en grote gewrichten
Huid (10-50%): purpura benen/voeten, pijnlijke huidulcers
Oog: episcleritis, scleritis, orbitale granulomen/pseudotumor
Gastrointestinaal: infrequent
Hart: infrequent
Categorieën: systemische GPA vs. limited GPA (beperkt tot KNO of huid)
Diagnostiek
Diagnose wordt gesteld op basis van weefselbiopt (vaak long, KNO of nier).
ANCA is ondersteunend (doch niet bewijzend)
PR3-ANCA is positief in 90% van patiënten met actieve ziekte
Behandeling
Remissie-inductie behandeling:
Actieve, ernstige ziekte levensbedreigende of orgaanbedreigende manifestaties (bv. hemoptoe, glomerulonefritis, centraal zenuwstelsel vasculitis, mononeuritis multiplex, cardiale betrokkenheid, darmischemie, ischemie van vingers of extremiteiten):
Eerste keuze volgens ACR 2021: rituximab 375 mg/m2 wekelijks gedurende 4 weken of 1000 mg op dag 1 en 15
Tweede keuze volgens ACR 2021: cyclofosfamide 2 mg/kg/dag per os gedurende 3-6 maanden of 15 mg/kg i.v. elke 2 weken voor 3 doses, gevolgd door 15 mg/kg i.v. iedere 3 weken voor ten minste 3 doses
Combineer rituximab of cyclofosfamide met prednison 1 mg/kg met reduced-dose afbouw volgens PEXIVAS
Bij ernstige nier- en of longbetrokkenheid: MPNS 1000 mg 1dd gedurende 3 dagen gevolgd door prednison 1 mg/kg
Alleen plasmaferese overwegen bij patiënten die dialyse-afhankelijk zijn bij presentatie of een hoog risico hebben op progressie naar eindstadium nierfalen
Actieve, niet-ernstige ziekte (bv. rhinosinusitis, astma, milde systemische symptomen, ongecompliceerde cutane uitingen, milde artritis): methotrexaat i.c.m. prednison
Cotrimoxazol profylaxe aanbevolen
Onderhoudsbehandeling (vaak gedurende ten minste 2 jaar na bereiken remissie waarna tapering)
Eerste keuzen: rituximab 500 mg/6 maanden
Tweede keuze: methotrexaat (tot 25 mg) of azathioprine (2 mg/kg, verlagen naar 1.5 mg/kg na 1 jaar na start inductietherapie)
Derde keuze: mycofenolaat mofetil of leflunomide
Soms blijft lage dosis prednison nodig
Relapse: zie stroomschema
Specifieke situaties
Sinonasale berokkenheid: neusspoelingen, topicale nasale therapie (bv. Flixonase of antibiotica)
Neusseptumdefecten of neusbrugdefecten: overweeg reconstructieve chirurgie
Subglottische stenose met actieve ontsteking: systemische immunosuppressiva, eventueel in combinatie met dilatatie (via longarts of KNO-arts met starre scoop) en/of intralesionale corticosteroidinjectie. Dilatatie met corticosteroidinjectie direct doen bij kritische stenose.
Lesies met massawerking (bv. orbitale pseudotumor of massa van parotis, hersenen of longen): systemische immunosuppressiva, bij voorkeur geen initële operatieve verwijdering
Classificatie: Necrotiserende vasculitis met enkele of geen immuuncomplexdeposities, met betrokkenheid van kleine vaten (capillairen, venulen, arteriolen). Zeer vaak necrotiserende glomerulonefritis (>80%). Vaak ook pulmonale capillairitis. Geen granulomateuze ontsteking (ter differentatie van GPA).
Epidemiologie: 3-5 per 100,000. Gemiddelde leeftijd 57 jaar. Mannen > vrouwen.
Orgaanbetrokkenheid
Nieren (80-100%): glomerulonefritis
Pulmonaal (25-55%): capillairitis met hemoptoe
Musculoskeletaal (56-76%): myalgie, artralgie en soms artritis
Perifeer zenuwstelsel (~67%): mononeuritis multiplex, symmetrische polyneuropathie
Gastrointestinaal (50%): buikpijn met soms bloedingen, ulcera of ischemie
Huid (50%): maculopapulaire purpura van onderste extremiteiten, maar ook necrose, ulcera, noduli, livedo reticularis, orale aften en gezichtsoedeem
Diagnostiek:
Diagnose op basis van biopt.
ANCA is ondersteunend (doch niet bewijzend).
ANCA is positief in 75% van patiënten met actieve ziekte, met name MPO-ANCA.
Behandeling: conform behandeling GPA
Classificatie: Eosinofielenrijk en necrotiserende granulomateuze ontsteking. Vaak betrokkenheid bovenste en onderste luchtwegen. Necrotiserende vasculitis van met name kleine en middelgrote vaten, geassocieerd met astma, allergische rhinitis en eosinofilie (in bloed en weefsel). Vaak ook betrokkenheid huid, cardiovasculair, nier, perifeer zenuwstelsel (multipele mononeuropathie) en gastrointestinaal.
Epidemiologie: 1-3 per 1,000,000. Gemiddelde leeftijd 48 jaar. Vrouw: man = 1.2:1
Diagnostiek
Bij voorkeur biopsie, maar vaak lastig
Eosinofilie >1.0 in >80% van patiënten
ANCA in slechts ~50% van patiënten aanwezig, vaak MPO-ANCA. ANCA is vaker aanwezig als ook glomerulonefritis aanwezig is.
Echocardiografie in alle patiënten ten tijde van diagnose!
Bereken Five-Factor Score (FFS) om ernst in te schatten
Proteinurie >1 gram/24h (+1 punt)
Kreatinine >140 mcg/L (+1 punt)
Gastrointestinale betrokkenheid (+1 punt)
Cardiale betrokkenheid (+1 punt)
Centraal zenuwstelsel betrokkenheid (+1 punt)
Behandeling:
Remissie-inductie voor actieve, ernstige EGPA (levensbedreigend of orgaanbedreigend):
Gelijkwaardig (ACR 2021): cyclofosfamide 2 mg/kg/dag per os gedurende 3-6 maanden of 15 mg/kg i.v. elke 2 weken voor 3 doses, gevolgd door 15 mg/kg i.v. iedere 3 weken voor ten minste 3 doses (overwegen bij: cardiale/neurologische/gastrointestinale betrokkenheid en/of ANCA negatief)
Gelijkwaardig (ACR 2021): rituximab 375 mg/m2 wekelijks gedurende 4 weken of 1000 mg op dag 1 en 15 (overwegen bij: glomerulonefritis en/of ANCA positief en/of risico gonadale toxiciteit cyclofosfamide)
Cyclofosfamide of rituximab combineren met: MPNS 1000 mg 1dd gedurende 3 dagen of hoge dosis prednison 1 mg/kg
Geef cotrimoxazol bij behandeling met cyclofosfamide of rituximab
Remissie-inductie voor actieve, niet-ernstige EGPA (astma, sinusitis, niet-ernstige vasculitis):
Onderhoudstherapie:
Indien remissie: methotrexaat of azathioprine of mycofenolaat mofetil
Prednison afbouwen op geleide van klachten, geen duidelijk advies
Relapse: zie stroomschema
Oorzaken grote vaten vasculitis
Betrokkenheid grote vaten
Reuscelarteriitis vs Takayasu
Pathogenese aortitis
Epidemiologie: leeftijd >50 jaar, vaker in Noord-Europeanen
Klachten
Constitutioneel: vermoeidheid, koorts, gewichtsverlies, malaise, nachtzweten
Hoofdpijn: nieuwe of veranderde hoofdpijn/druk op het hoofd (60-70%); met name temporaal en frontaal bij betrokkenheid van arteria temporalis en achterhoofd bij betrokkenheid van de a. occipitalis of a. vertebralis. Hoofdpijn kan unilateraal of bilateraal zijn. De pijn is meestal gelokaliseerd alwaar de arterie loopt die betrokken is. Oatroon is progressief of waxing/waning. Ook: haarkampijn/pijn bij aanraken hoofdhuid/branderig gevoel hoofdhuid.
Kaak-/tongclaudicatie: mandibulaire pijn of vermoeidheid bij kauwen met verbetering na stoppen, aanwezig bij ~50%; soms ook claudicatie van tong (ontstaan na paar minuten eten)
Oog (zie onder)
Musculoskeletaal: proximale spierpijn en spierzwakte, soms met perifere synovitis en pitting oedeem (RS3PE), armclaudicatie
PMR symptomen: ochtendstijfheid >45 min in nek, schouder- of heupregio gedurende een aantal weken; pijn/stijfheid in nek, schoudergordel/bovenarmen, bekkengordel/bovenbenen en onderrug.; moeite met opstaan uit stoel, uit bed komen en aan-/uitkleden gerelateerd aan stijfheid en pijn; distale symptomen, waaronder pijn en zwelling van handen, polsen en knieën kan gezien worden in 25-50% van patiënten.
Overig: carotidynie/pijn in de hals, aangezichtspijn
Pathologie: Biopt met mononucleaire of granulomateuze ontsteking. Ziekte begint met inflammatie in adventitia via dendritische cellen uit vasa vasorum en breidt uit naar naar tunica media met uiteindelijk ook intima media hyperplasie (en dus stenosering). Meerdere dendritische cellen samen vormen reuscellen.
Oogbetrokkenheid
Oog: passagère monoculair visusverlies (amaurosis fugax of 'schaduw' voor het oog) of permanent visusverlies; in 10% diplopie door ischemie van hersenzenuwen (bv. n. oculomotorius)
Betrokken arterieën
Anterior ischemic optic neuropathy (AION): meest voorkomende oorzaak van visusverlies bij GCA (~85%) veroorzaakt door occlusie van a. ciliaris posterior, een tak van de a. ophtalmica, waardoor ischemie van n. opticus ontstaat. Slechts een klein deel van AION (~10%) wordt veroorzaakt door GCA, meestal is een ischemische opticusneuropathie atherosclerotisch van aard of wordt veroorzaakt door hypoperfusie door (nachtelijke) bloeddrukdaling (genaamd 'NAION').
A. retinalis centralis occlusie (5-15%)
Posterior ischemic optic neuropathy (PION) (<3%)
Cerebrale ischemie (corticale blindheid) (<3%)
Oogheelkundig onderzoek
AION: Oogzenuw is aanvankelijk enigszins bleek en oedemateus, met enkele kleine bloedingen. Na enkele weken ontstaat atrofie.
PION: Geen afwijkingen fundus, maar na 6-8 weken ontstaat atrofie van oogzenuw
Diagnostiek
Laboratoriumonderzoek: BSE, CRP, bloedbeeld, kreatinine, glucose, leverenzymen.
Denk aan infectiologische screening voor start prednison indien zeer hoge verdenking
Bij verdenking craniële GCA:
Echografie vaatlab: halo sign? Evt. ook analyse aa. axillaris. Sensitiviteit 67%, specificieit 95%. (bron).
Biopt (>1 cm, bij voorkeur >2 cm) van a. temporalis (aan zijde met klachten). Biopt is binnen 2 weken na start prednison goed te beoordelen (hoe eerder, hoe beter). Eventueel biopt aan contralaterale zijde herhalen indien negatief en sterke verdenking. Sensitiviteit 38%, zeer hoge specificiteit (bron).
PET/CT (hoge sensitiviteit tot 3 dagen na starten hoge dosis prednison)
Bij verdenking large vessel-GCA:
Beeldvorming: PET/CT, MRA (van craniële arterieën) of echografie
Initiële behandeling (Kwadraet)
Remissie-inductie behandeling
Indien craniële ischemie (amaurosis fugax, visusverlies, herseninfarct): methylprednisolon 500-1000 mg iv gedurende 3 opeenvolgende dagen.
Indien geen craniële ischemie: prednison 40-60 mg/dag.
Start direct met tocilizumab of methotrexaat indien hoog risico op glucocorticoide-geïnduceerde complicaties (reeds bestaande diabetes mellitus, fors overgewicht of ernstige osteoporose)
Vervolgbehandeling
Indien geen verbetering na 2-4 weken: start tocilizumab of methotrexaat
Bij verbetering na 3-4 weken: prednison afbouwen volgens BSR schema (zie farmacologie). Bij gelijktijdig gebruik van MTX/tocilizumab, overweeg afbouw volgens GiACTA trial (zie onder)
Overig
Overweeg clopidogrel bij kritische betrokkenheid van aa. vertebralis of aa. carotis of bij craniële GCA in combinatie met verhoogd cardiovasculair risicoprofiel (plus maagbescherming: bij clopidogrel pantoprazol ipv omeprazol).
Behandeling GCA
Behandeling flare
Minor flare
Symptomen passend bij actieve GCA zonder andere verklaring en zonder klinische tekenen van ischemie (constitutionele klachten, hoofdpijn, kaakclaudicatie, klachten PMR, eventueel met verhoogd BSE/CRP)
Maak eventueel PET/CT (let op: maak niet te snel een nieuwe PET/CT vanwege persisterende activiteit die niets zegt over ziekteactiviteit, bij voorkeur niet binnen 6 maanden)
Prednison ophogen naar dosering waarmee ziekte in remissie was
NB: watchful waiting indien verhoogd BSE/CRP zonder kliniek
Major flare
Symptomen passend bij actieve GCA zonder andere verklaring met klinische tekenen van ischemie (visusverlies, herseninfact, cardiale ischemie, ischemie extremiteit)
Terug naar oorspronkelijke dosering prednison en starten MTX (opbouwen tot 15-25 mg/week) of tocilizumab
Bij oogheelkundige betrokkenheid: methylprednisolon iv
Follow-up
Periodieke monitoring middels anamnese en laboratoriumonderzoek
Screening aneurysma aortae 1x per 5 jaar (meeste dilataties doen zich voor in aorta ascendens). Voorkeur voor echografie, als alternatief CT-A of MR-A
Epidemiologie: man:vrouw ratio = 1:9, piekleeftijd 10-40 jaar, hogere incidentie onder Aziaten
Pathologie: granulomateuze inflammatie van met name aorta (thoracaal en/of abdominaal) en grote aftakkingen; vaak initieel betrokkenheid a. subclavia links; later ook a. carotis communis, a. vertebralis, a. brachiocephalica; histologie: infiltratie CD8+ T-lymfocyten
Klachten (vaak subacuut beloop):
Constitutioneel: laaggradige koorts, gewichtsverlies, vermoeidheid
Musculoskeletaal: artralgieën en myalgiën (~50%)
Vasculair:
Thoracala aorta: angina pectoris
Carotis/vertebralis: carotidynie (10-30%), duizeligheid/hoofdpijn/orthostase/syncope indien steose
Subclavia: claudicatie armen, bloeddrukverschil, soms subclavian steal syndrome (indien stenose vóór aftakking a. vertebralis)
Abdominale aorta: angina abdominalis, darmischemie, hypertensie indien nierarteriestenose
Pulmonaalarterieën (zelden): dyspnoe, pulmonale hypertensie
Lichamelijk onderzoek: bloeddruk beiderzijds, souffle carotis/subclavia/axillaris/renalis/femoralis, pulsaties radialis/femoralis/dorsalis pedis
Aanvullend onderzoek:
Laboratoriumonderzoek: volledig bloedbeeld met differentiatie, CRP, BSE, kreatinine, urinesediment, urineportie op eiwit
Beeldvorming: CTA of MRA ter evaluatie lumen
Op indicatie: PET/CT, echo duplex carotiden, enkel-armindex
Differentiaal diagnose (peri-)aortitis
Infectieus: lues, mycobacteriële infectie, Salmonella, S. aureus, S. pneumoniae, Pseudomonas, schimmelinfectie (zeldzaam), HIV, Coxiella
Primaire vasculitiden: Takayasu, GCA, Behcet
Auto-immuun: IgG4-RD, Cogan, relapsing polychondritis, HLA-B27 geässocieerde spondylarthropathieën (SpA, Reiter), sarcoidose, reumatoide artritis, SLE, ANCA-geassocieerde vasculitis, PAN, IBD, histiocytose (Erdheim-Chester)
Overig: geïsoleerde idiopathische aortitis, retroperitoneale fibrose, fibromusculaire dysplasie (geen inflammatie), atherosclerose (geen inflammatie), lymfoom, medicamenteus (nivolumab, GM-CSF agonisten)
Diagnostiek (peri-)aortitis
Laboratoriumonderzoek: volledig bloedbeeld met differentiatie, CRP, BSE, kreatinine, leverenzymen, urinesediment, urineportie op eiwit
Immunologie: ANA, ANCA, IgM RF, anti-CCP, IgG4, HLA-B27, ACE, sIL-2R/CD25
Microbiologie: bloedkweken, lues, IGRA, HIV
Beeldvorming: CT-aorta, MR-angiografie, PET/CT, echo, X-LWK/bekken (sacroiliitis?)