Websites
EHRA NOAC Practical Guide 2021
Drug-drug interacties (EHRA NOAC Practical Guide 2021)
Drug-drug interacties kankerbehandeling (EHRA NOAC Practical Guide 2021)
Drug-drug interacties anti-epileptica (EHRA NOAC Practical Guide 2021)
Apixaban
VTE standaard: 10 mg 2dd gedurende 7 dagen gevolgd door 5 mg 2dd
VTE reduced: indien eGFR 15-29 mL/min gebruiken 'met voorzichtigheid'
VTE extensie: 2.5 mg 2dd na 6 maanden
AF standaard: 5 mg 2dd
AF reduced: 2.5 mg 2dd indien eGFR 15-29 mL/min of indien 2 van 3 volgende criteria: gewicht ≤60 kg, leeftijd ≥80 jaar of kreatinine ≥133 mcg/L
Dabigatran
AF standaard: 150 mg 2dd of 110 mg 2dd
AF reduced: 110 mg 2dd indien leeftijd >80 jaar of gebruik van verapamil; overweeg 110 mg 2dd bij eGFR 30-50 mL/min, leeftijd 75-80 jaar, verhoogd bloedingsrisico of gastritis/oesofagitis/gastro-oesofageale reflux
VTE standaard: 150 mg 2dd (na ten minste 5 dagen LMWH)
VTE reduced: 110 mg 2dd indien leeftijd >80 jaar of gebruik van verapamil; overweeg 110 mg 2dd bij eGFR 30-50 mL/min, leeftijd 75-80 jaar, verhoogd bloedingsrisico of gastritis/oesofagitis/gastro-oesofageale reflux
Edoxaban
AF standaard: 60 mg 1dd
AF reduced: 30 mg 1dd indien eGFR 15-50 mL/min, gewicht <=60 kg of gebruik van ciclosporine, erytromycine of ketoconazol
VTE standaard: 60 mg 1dd (na ten minste 5 dagen LMWH)
VTE reduced: 30 mg 1dd indien eGFR 15-50 mL/min, gewicht <=60 kg of gebruik van ciclosporine, erytromycine of ketoconazol
Rivaroxaban
VTE standaard: 15 mg 2dd gedurende 21 dagen gevolgd door 20 mg 1dd
VTE reduced: overweeg alleen op strikte indicatie een verlaging naar 15 mg 1dd, gebruik in principe standaarddosering bij eGFR 15-29 mL/min
VTE extensie: 10 mg 1dd
AF standaard: 20 mg 1dd
AF reduced: 15 mg 1dd indien eGFR 15-29 mL/min
Foutieve inname
Gemiste dosis bij 2dd schema: alsnog innemen tot 6 uur na geplande inname
Gemiste dosis bij 1dd schema: alsnog innemen tot 12 uur na geplande inname
Dubbele dosis bij 2dd schema: volgende inname overslaan, volgende dosis weer na 24 uur
Dubbele dosis bij 1dd schema: geen inname overslaan
Twijfel over inname bij 2dd schema: volgende dosis na 12 uur (niet alsnog innemen)
Twijfel over inname bij 1dd schema: alleen dosis innemen na 6-8 uur indien hoog risico (CHADS-Vasc >2), anders inname overslaan
Check indicatie en geschikte dosering
Bij start: bloedbeeld, PT, aPTT, nierfunctie, leverenzymen
Beoordeel: gewicht, nierfunctie, medicatie-interacgties
Overweeg protonpompremming indien voorgeschiedenis van maagbloeding of ulcus, of indien gecombineerd met antiplaatjestherapie
Tijdens follow-up
Compliantie
Tromboembolische events
Bloedingen
Andere bijwerkingen
Medicatie-interacties
Modificeerbare risicofactoren bloedingen: NSAID, trombocytenaggregatieremmers, valrisico, bloeddruk >160 mmHg, alcohol, oorzaken voor eventuele bloeding wegnemen (bv. contactsport)
Nierfunctie 1x per jaar of 2x per jaar indien >=75 jaar of kwetsbaar of vaker bij eGFR <60 mL/min (frequentie eGFR / 10, dus iedere 4 maanden bij 40 mL/min) of direct indien intercurrente ziekten met risico op nier- of leverinsufficiëntie
Check dosering en pas aan indien nodig
Zie Stollingstesten
AMC protocol
Antitrombotisch beleid
LMWH bij een eGFR 30 tot 60 ml/min/1.73m2:
Overweeg een eenmalige 100% startdosering enoxaparine, nadroparine of dalteparine. Geen dosisreductie bij tinzaparine.
Geef een vervolgdosering met een dosisreductie van 25%.
Indien behandeling >3 dagen: overweeg eenmalig anti-Xa topspiegel
LMWH bij een eGFR <30 ml/min/1.73m2:
Overweeg een eenmalige 100% startdosering enoxaparine, nadroparine of dalteparine. Geen dosisreductie bij tinzaparine.
Geef een vervolgdosering met een dosisreductie van 50%.
Indien behandeling >3 dagen: overweeg eenmalig anti-Xa topspiegel
Alleen indien voldaan drie criteria hieronder
(Beoogde) duur van gebruik LMWH in therapeutische dosering >3 dagen
eGFR <30 mL/min (in steady state)
Niet gelijktijdig starten van vitamine K antagonist
Dalspiegel vlak vóór ochtendgift, streefwaarde 0.2-0.5 U/mL
Metingen in AMC op maandag en donderdag
Dosering op anti-FXa activiteit
Aandachtspunten
Indien hoog tromboserisico: overweeg bolus van 80 IU/kg met maximum van 10.000 IE (indien geen hoog bloedingsrisico)
Let op: aPTT wordt ook beïnvloed door:
Factordeficiënties (congenitaal, diffuse intravasale stolling, leversynthesestoornis)
Fibrinogeen: zeer laag fibrinogeen verlengt aPTT en hoog fibrinogeen verkort aPTT
Factor VIII: hoog FVIII verkort aPTT
Controleer trombocyten ter analyse HIT
Indien reeds heparine exposure <100 dagen: meet na 24-48 uur
Overig: tussen dag 4-14 meten, bij voorkeur om de 2-3 dagen
Meet anti-FXa activiteit indien reeds verlengde uitgangs aPTT, veel inflammatie of DIS
Toediening
Ongefractioneerde heparine: negatief geladen glycosaminoglycaan polysaccharide uit varkensdarm met polymeer lengte van 3000-30.000 dalton (LMWH: 3500-5000 dalton)
Oplossing: Heparine Leo wordt aangeleverd in kant-en-klare flesjes van 50 mL met 400 IE/mL, dus 20.000 IE per flesje van 50 mL
Werking i.v. na 2 minuten
Halfwaardetijd: ca. 1 uur (langer bij hogere dosis)
Klaring: reticuloendotheliaal en lever (geen renale klaring tenzij zeer hoge doses)
Uitgangs aPTT: standaard 30 sec (=bovengrens normaal)
Therapeutische range anti-FXa: 0.3-0.7 IE/mL (met chromogene assay)
Werkingsmechanisme LMWH en UFH
Definitie heterogeen, maar mogelijk >35.000 IE UFH per dag, >30 IE/kg/uur of >500 IE/kg/dag (initiële bolus niet meerekenen)
Oorzaken:
Meting: Interferentie aPTT meting (bv. hoog FVIII en hoog fibrinogeen)
Antitrombine-gerelateerd: preoperatief heparinegebruik, perioperatief verbruik/dilutie bij chirurgie met cardiopulmonale bypass, lever- of nierziekten, DIS, sepsis, congenitale deficiëntie, ECMO, asparaginase
Verhoogde heparinebinding (zie box hiernaast)
Overig: trombocytentransfusie, heparine-geïnduceerd trombopenie, mogelijk andexanet alfa
Cave: heparine zelf verlaagt ook antitrombine, dus interpreteer antitrombine ten tijde ven heparine voorzichtig
Indien (vermeende) resistentie: meet anti-FXa activiteit (cave recent LMWH/DOAC gebruik)
Indien alternatief gewenst: argatroban of bivalirudine
Protamine 10 mg coupeert UFH 1000 EH
Meestal voldoende om het aantal IE UFH gegeven in laatste 2 uur te couperen
Langzaam toedienen, cave allergische reactie
VKA naïeve patiënt
Acenocoumarol
Leeftijd <70 jr: 6-4-2 stuks (= 6-4-2 mg), INR na 2 of 3 dagen
Leeftijd >70 jr: 4-2-1 stuks (= 6-4-2 mg), INR na 2 of 3 dagen
Fenprocoumon
Leeftijd <70 jr: 4-2-1 stuks (= 12-6-3 mg), INR na 2 of 3 dagen
Leeftijd >70 jr: 2-1-0,5 stuks (= 6-3-1.5 mg), INR na 2 of 3 dagen
Patiënt die reeds VKA gebruikte
Acenocoumarol:
Dag 1: dubbele dosis van gemiddelde vroegere dosering
Dag 2: vroegere dosering starten met het hoogste aantal tabletten.
INR na 2 of 3 dagen.
Voorbeeld: patiënt die 2-3-2-2-3 gebruikte, start met 5-3-2.
Fenprocoumon:
Dag 1 en dag 2: dubbele dosis van gemiddelde vroegere dosering
Dag 3: vroegere dosering starten met het hoogste aantal tabletten.
INR na 2 of 3 dagen.
Voorbeeld: patiënt die 0,5-0,5-1-0,5-1 gebruikte, start met 1,5-1,5-1.
Biologische beschikbaarheid is bijna 100%, dus orale dosering is gelijk aan intraveneuze dosering
Opstarten:
Standaard (poliklinische patiënt met laag risico bloeding): 5-5-5-INR of 10-10-INR
Oudere >75 jaar, leverdysfunctie, hartfalen, nierinsufficiëntie of medicatie-interactie: 2.5-2.5-2.5-INR
Indien hoog risico trombose: overlap met LMWH gedurende ten minste 5 dagen en tot INR 1x binnen streef
Indien eerder gebruik warfarine:
Dag 1: dubbele dosis van gemiddelde vroegere dosering
Dag 2: vroegere dosering starten met het hoogste aantal milligram
INR na 2 of 3 dagen.
Onderhoudsdosering: meestal 2-10 mg 1dd
Warfarine poliklinisch aanpassen: zie hier
ASH guideline (recommendation 16)
INR 4.5-10 zónder bloeding: stop VKA, geen vitamine K (NB: ACCP 2008 adviseerde nog vitamine K 1.25-2.5 mg)
INR >10 zónder bloeding: vitamine K 2.5-5 mg
Ergo: indien INR >7.5, dan altijd voorkeur voor vitamine K (aangezien bovengrens niet bekend is)
Achtergrond
Aspirine wordt snel opgenomen in de maag / duodenum. Tmax is 30-40 minuten . Halfwaardetijd 15-20 minuten.
Effect van aspirine op bloedplaatjes is irreversibel en houdt dus aan gedurende levensduur van bloedplaatje.
Werking: permanente inactivatie van cyclo-oxygenase 1 (COX-1) waardoor arachidonzuur in bloedplaatjes niet wordt omgezet in prostaglandine en uiteindelijk thromboxaan A2. Thromboxaan A2 is een stimulator van trombocytenaggregatie. door interactie met thromboxaan A2 receptor op bloedplaatjes.
Bijwerking: gastrointestinale bloeding door remming van prostaglandine E2 en I2 die bescherming bieden aan de gastrointestinale mucosa, alsmede door remming trombocytenaggregatie.
Gelijktijdige toediening van NSAID (reversibele COX-1 remmers) kunnen door competitie voorkómen dat aspirine bloedplaatjes irreversibel kan remmen.
Fibrinolyse is afhankelijk van de aanwezigheid van plasminogeen activatoren, zoals urokinase (uPA) en tissue plasminogen activator (tPA).
tPA heeft fibrine nodig als cofactor om plasminogeen te knippen en is gevoeliger voor remming door PAI-1. De halfwaardetijd is kort (2-6 min) omdat het snel geinactiveerd wordt door PAI-1 of geklaard door de lever.
uPA kan plasminogeen knippen zowel in plasma als op celmembranen
Alteplase is identiek aan tPA
Tenecteplase is een variant van tPA met verhoogde specificiteit voor fibrine (dus meer activiteit lokaal ten plaatse van trombus), verminderde affiniteit voor PAI-1 en langere half-waardetijd
Algemene aanbevelingen bij trombopenie en antistolling
Geen NSAID
Geef PPI aan patiënten met trombocytenaggregatieremming
Switch DOAC of VKA naar LMWH
Beoordeel drug-drug interacties voor trombocytenaggregatieremmers
Herevalueer indicatie voor antistolling
Beoordeel risicofactoren voor trombose en bloeding
Eventueel TPO-receptor agonist (indien geen hoog risico trombose) of VCI filter (bij zeer hoog risico trombose)
EHA richtlijn: antistolling bij trombopenie
EHA guideline: Trombocytenaggregatieremming bij ACS en post-PCI
EHA guideline: reperfusie therapie
DOACs bij obesitas
Door het beperkte verdelingsvolume van de DOACs (rivaroxaban: 0.71 L/kg; apixaban: 0.3 L/kg; edoxaban: 1.5 L/kg; dabigatran 0.8-1.0 L/kg) is het rationeler om beslissingen te nemen op basis van gewicht dan BMI
DOACs in principe gebruiken indien gewicht <120 kg
Indien gewicht >120 kg, overweeg apixaban of VKA (en eventueel rivaroxaban)
DOACs bij bariatrische chirurgie
Eerste 4 weken na bariatrie: LMWH
Daarna VKA of DOAC (bij voorkeur apixaban)
Meet dalspiegel bij gebruik DOAC na 3-5 dagen
Achtergrond
Levercirrose leidt tot een verhoogd risico op zowel trombose als bloedingen door een 'rebalancing' van het stollingssysteem gekenmerkt door
Trombopenie
Verhoogd VWF en FVIII
Verlaagd ADAMTS13
Verlaagde procoagulante stollingsfactoren
Verlaagde anticoagulante stollingseiwitten (bv. protiene S, proteine C en antitrombine)
Verhoogde trombinegeneratie
Verhoogde fibrinolyse
Daarnaast leidt tot cirrose tot een veranderde farmacokinetiek van o.a. DOACs (invloed CYP450 en hypoalbuminemie) en mogelijk LMWH (verlaagd antitrombine). VKA zijn moeilijker te monitoren in geval van een spontaan verlengde INR.
Niet-renale klaring van DOAC: apixaban, 75%; rivaroxaban, 65%; edoxaban, 50%; en dabigatran, 20%
ISTH guidance 2024 (bron)
Atriumfibrilleren
Child-Pugh A of B levercirrose: aanbeveling voor antistolling bij CHADS-Vasc van >=2 bij mannen en >=3 bij vrouwen. Indien CHADS-Vasc >=1 (mannen) of >=2 (vrouwen): overweeg antistolling.
Voorkeur voor DOACs in normale dosering boven VKA bij Child-Pugh A of B levercirrose.
Child-Pugh C: Onvoldoende gegevens m.b.t. risk-benefit van antistolling.
Veneuze tromboembolie:
Behandel acute DVT of longembolie conform richtlijnen voor patiëntn zonder levercirrose.
Geef DOAC of LMWH met/zonder VKA voor patiënten met Child-Pugh of A of B levercirrose.
Child-Pugh C: LMWH monotherapie (of als overbrugging naar VKA indien normale baseline INR).
Case-by-case beslissing nemen indien trombocyten <50 x 10^9/L o.b.v. risico recidief/extensie trombose, patiëntvoorkeur en bloedingsrisico.
Portatrombose:
Symptomatische portatrombose: Geef antistolling gedurende ten minste 6 maanden.
Progressieve portatrombose bij asymptomatische patiënten: Overweeg antistolling gedurende ten minste 6 maanden.
Continueer antistolling bij patiénten die kandidaat zijn voor een levertransplantatie tenzij actieve bloeding.
Beoordeel aanwezigheid van varices voorafgaand aan het starten van antistolling.
Geef DOAC of LMWH met/zonder VKA voor patiënten met Child-Pugh of A of B levercirrose.
Child-Pugh C: LMWH monotherapie (of als overbrugging naar VKA indien normale baseline INR).