Teken van het verbond

Door R.G.H uit Met de Bijbel in de hand Jrg 41 Maart 2005

Het teken van het verbond

Anderhalve maand na hun vertrek uit Egypte raakte de voedsselvoorraad van de Israelieten op en in antwoord op hun klacht beioofde God hun “brood uit de hemel” te geven. De volgende ochtend toen de dauw opgetrokken was, Iag iets schilferachtigs over de woestijn, het manna. EIke ochtend heeft het volk het verzameld, maar op de zesde dag moesten zij genoeg verzamelen voor twee dagen. Mozes zei: “Dit is wat de HERE gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE” Ex. 16:23).

Het is in verband met het geven van het manna dat voor het eerst in de Bijbel gesproken is van de sabbatdag. Daarna heeft God gedurende de woestilntocht veertig Jaar lang door middel van het manna het weekpatroon geleerd: zes dagen werken en de zevende een heilige dag voor de Here. Toen Hij zijn wet kort daarna vanaf de berg Sinaï verkondigde was het sabbatgebod een van de Tien Geboden. Op basis hiervan sloot God een verbond met Israël: Hij nam hen ais zijn heilige verbondsvolk aan op voorwaarde dat zij hun belofte zouden houden: “AI de woorden, die de HERE gesproken heeft, zullen wij doen” (Ex. 19:5,6; 24:3,8). Mozes ging de berg op

om de twee stenen tafelen, de “tafelen van het verbond” (Deut. 9:9, 11, 15), van de Here te ontvangen en hij kreeg instructies voor het maken van een tabernakel waar de Here onder zijn volk zou wonen. Toen, voordat hij terugging tot het volk, herhaalde de Here met kiem het sabbatgebod:

“Mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de HERE ben, die u heilig... De Israëlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nagesIacht. ais een altoosdurend verbond. Tussen Mij en de !sraëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept”

(Ex. 3 1:12-17).

De betekenis van de sabbat

Die steeds terugkerende rustdag had hen eraan moeten herinneren dat hun God de enige ware God was, de Schepper van hemel en aarde, de God van goedertierenheid en trouw die hen verlost had, en dat zil heilig moesten zijn zoals Hij. Leviticus 19, dat vertelt wat leven ais Gods heilig volk inhoudt, begint met de woorden: “Heilig zuit gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder ontzag hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”

In zijn herhaling van de geboden in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en Verlosser.

De profeet Ezechiél zegt hiervan:

“1k gaf hun mijn verordeningen — de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen heilig” (20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden steeds overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren. Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.

Daarom heeft God door de profeet Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,

nu niet alleen met het volk Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en gehoorzamen Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen? Het antwoord van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen bleven trouw aan de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen probeerden die wet de niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in Handelingen 15 hoe de apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze kwestie te beslissen en citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven aan de nieuwe bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een sabbat te vieren.

Dit was een kwestie die sterk leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.” Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:

“Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo ook in Colossenzen 2: 16:

“Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder ontzag hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”

In zijn herhaling van de geboden in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en Verlosser.

De profeet Ezechiél zegt hiervan:

“1k gaf hun mijn verordeningen — de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen heilig” (20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden steeds overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren. Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.

Daarom heeft God door de profeet Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,

nu niet alleen met het volk Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en gehoorzamen Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen? Het antwoord van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen bleven trouw aan de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen probeerden die wet de niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in Handelingen 15 hoe de apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze kwestie te beslissen en citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven aan de nieuwe bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een sabbat te vieren.

Dit was een kwestie die sterk leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.” Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:

“Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo ook in Colossenzen 2: 16:

“Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder ontzag hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”

In zijn herhaling van de geboden in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en Verlosser.

De profeet Ezechiél zegt hiervan:

“Ik gaf hun mijn verordeningen — de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen heilig” (20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden steeds overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren. Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.

Daarom heeft God door de profeet Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,

nu niet alleen met het volk Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en gehoorzamen Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen? Het antwoord van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen bleven trouw aan de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen probeerden die wet de niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in Handelingen 15 hoe de apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze kwestie te beslissen en citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven aan de nieuwe bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een sabbat te vieren.

Dit was een kwestie die sterk leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.” Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:

“Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo ook in Colossenzen 2: 16:

“Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of

sabbat, dingen die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest.” Paulus noemt hier de drie soorten heilige sabbatten onder de wet van Mozes, de wekelijkse, de maandelijkse en de drie jaarlijkse feesten (zie 1 Kron. 23:31; 2 Kron. 3 1:3).

De Here Jezus had gezegd: “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat” (Marc. 2:27). De wekelijkse rustdag voor het hele volk, ais teken van Gods verbond met hen, was een prachtige instelling voor lsraël en zal dat zijn voor alle volken

wanneer zij God leren gehoorzamen. Maar in de tussentijd is de toestand heel anders. De christenen waren een kleine minderheid onder de heidense volken, die geen rustdag kenden. Som­mige waren slaven die helemaal niet vrij waren om een sabbatdag te vieren, anderen zouden een ongelovige partner of familie hebben. De vervolging van christenen was erg genoeg zonder de zware last van een verplichte sabbatdag er bovenop te leggen. Het is dus begrijpelijk dat er een nieuw teken zou komen om Christus’ volk te herinneren aan het nieuwe verbond dat in zijn offerdood gesloten is.

Het teken van het nieuwe verbond

De eerste drie evangeliën vertellen van het herinneringsmaal dat de Here op

de vooravond van zijn dood heeft ingesteld en de apostel Paulus schrijft van wat hem daarover door de herrezen Here is overgeleverd om aan de gemeenten door te geven: “dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaitijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkon­digt gij de dood des Heren, totdat Hij komt” (1 Cor. 11:23-26).

Paulus’ woorden “zo dikwijls” geven de indruk dat Christus verwachtte dat zijn discipelen vaak en regelmatig zijn offerdood op deze manier zouden gedenken. En dat deden de gelovigen te Corinthe ook, want Paulus schreef van hen “wanneer gij als gemeente samenkomt” (vn. 18,20). De “maaitijd des Heren” maakte in die tijd deel uit van een gezamenlijke maaitijd, de ‘agape’ of het liefdemaal, maar praktijken zoals Paulus hier beschrijft zullen ertoe hebben geleid dat het avondmaal later ais aparte plechtigheid werd gevierd. Het drukte ook de eenheid van de gemeente uit in haar gemeenschap met het lichaam en het bloed van de Here(1 Cor. 10:16,17).

Lucas geeft vier belangrijke aspecten van het geloof van de eerste gelovigen te kennen: “Zij bleven volharden bil het onderwijs van de apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden... en voortdu­rend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaitijden met blijdschap en eenvoud des harten” (Hand. 2:42,46). Hun gemeenteleven werd dus gekenmerkt door gezamenlijke aanbidding en getuigenis in de tempelhoven, met daarbij de viering van het

vondmaal in hun huizen. Er wordt soms beweerd dat brood breken hier gewoon eten betekent (zoals bijv. in Hand. 27:35), maar Lucas zou het toch niet nodig vinden te zeggen dat zij naar huis gingen om te eten!

Hij beschrijft in Handelingen 20:7 een ontroerende gelegenheid voor de gemeente te Troas, toen zij “op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken” en Paulus een vaarwel toespraak heeft gehouden die duurde tot middernacht. De eerste dag van de week zou na zonsondergang op zaterdag beginnen, aan het eind van de Joodse sabbat — vermoedelijk de meest geschikte tijd voor iedereen, inclusief slaven, om samen te komen. Lucas’ vermelding van de dag en het doel van de samenkomst, “0m brood te breken”, doet denken dat dit de gebruikelijke tijd was om samen te komen voor de maaltijd des Heren het spreekt vanzelf dat de gemeente bij zo’n gewichtige gelegenheid niet zou samenkomen alleen om een gewone maaltijd te houden! Zou dit niet aanduiden dat het toen al de gewoonte was om de maaltijd des Heren op de eerste dag van de week te vieren, zoals het aan het begin van de tweede eeuw was?

Brood uit de hemel

God gaf Israël de sabbatdag eerst in verband met zijn geven van “brood uit de hemel” en na het sluiten van zijn verbond heeft Hij de sabbat geboden als het eeuwige teken daarvan voor het volk. Toen Hij “het ware brood uit de hemel” gaf, ging ook dit gepaard me:

een nieuw verbond, en het teken hiervan voor Christus’ volk is het eten van het brood en het drinken van de wijn. symbolen van het lichaam en het levensbloed van de Here die Hij voor hen gegeven heeft. “Gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.” De symbolen van brood en wijn herinneren aan de geestelijke betekenis van Jezus’ woorden na de spijziging van de vijf duizend: “Het brood, dat k geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld... Tenzij gij

“Doet dit tot mijn gedachtenis   het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt hebt gij geen Ieven in uzelf... Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en ik in hem” (Joh. 6:48-58).

Geen dag werd vastgesteld voor het vieren van het avondmaal, maar de woorden van de Here: “Doet dit tot mijn gedachtenis” en van Paulus: “Zo dikwijls” gij dit doet “verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij komt”, komen overeen met de praktijk in de vroege gemeente het feestmaal wekelijks te houden. Het voorziet immers in onze behoefte om Christus’ offer en onze roeping in Hem steeds in her­innering te houden, de gezamenlijke gemeenschap met Hem regelmatig tot uiting te brengen en daarmee het lever van geloof en gemeenschap met Hem dat Hij van ons vraagt.

R.G.H