Belgische Christadelphians

Koninkrijk van God

Het Koninkrijk van God of het Koninkrijk der Hemelen. 

Belgische Christadelphians


Is er een vershil tussen het Koninkrijk der hemelen en het Koninkrijk van God?

Verscheidene Christenen denken dat als zij sterven dadelijk worden opgenomen in de hemel of worden afgevoerd naar de hel of naar het vagevuur.
Dat zijn allemaal denkwijzen die niet in overeenstemming zijn met wet er werkelijk in de Bibjel staat. Mits dat de Broeders in Christus of Christadelphians zich enkel willen houden aan wat er werkelijk in de Heilige Schrift staat, valt hier een verschil op te merken tussen de Christadelphians en meerdere Christenen.

In het Christendom zijn er zeer veel kerken of denominaties met kleine of grote verschillen in hun denken en leerstellingen.
U kan belangrijke verschillen tussen de Christadelphians en andere kerken van het Christendom vinden, overlezen en vergelijken met uw eigen Bijbelvertaling om na te gaan of deze Verschillen te verantwoorden zijn met de Bijbelinhoud.

 

 

Plan van God 

Geloof 

Hemel
Dood
Geest 

 

Koninkrijk Gods

Sleepnet 

 

Bestaat er een God die zich om ons bekommert? 

Bevrijding 

Christenmensen met ons geloof 

Erfenis 

Dankbaar voor verkregen Offer 

De Gezondene 

Eén met Christus 

Goddelijke redenen hoger dan de onze 

God komt ons ten goede 

Het Zoenoffer 

Hij die Komt 

Hij die zit aan de rechterhand van Zijn Vader 

Hoop op Leven 

Jezus moest sterven 

Omtrent Geloof en Gospel 

Onschuldig Lam 

Priesterschap van Christus 


Rechtvaardigen 

Terugkeer van Jezus 


Leven na de dood 

Opstanding 

Opstanding en Oordeel

Plan van God

Plan van God en wereldvrede


Verwachtingen 

Nieuw Verbond

Beloften van God 

Gods beloften 

Uitzicht op de toekomst

 

 Verkondigen 

 

Hemel en hel

Hellevuur

Hemel

 

 ***

 


Belgische christadelphian Ecclesia

Blog & Forum

Nieuws rond religieuze onderwerpen

Christadelphian Nieuws

Op zoek naar God

De Weg naar God

God vinden

Dagtekst en Bedenking

Dagelijkse Bezinning

Reflectie voor de dag

Gebed van de dag

Gebeden

Gebedsverzoek

*

Belgian Christadelphian Ecclesia

Christadelphia News

Daily Bible Reading

Prayer for the day

Thoughts

Reflections

Reflection of the day & meditation

Prayer Request

Index

Links

Webstore

Library


***


 



 

Hier spreken wij over het beloofde rijk of het vele jaren geleden reeds voorspelde gemeenschappelijk Rijk waar mensen in vrede zullen samen kunnen leven. Het is de in Jezus Christus aanbrekende nieuwe werkelijkheid, waarin Gods koningschap ten volle geldt.

Wij geloven dat Jehovah God aarde en hemel geschapen heeft en van bij de aanvang van de wereld een groots opgezet Plan had met die Creatie. Wij nemen dan ook aan dat Hij Zijn Plan ten uitvoer zal brengen volgens Zijn tijd.

Wij geloven dat het Koninkrijk Gods, thans in de kiem en in het verborgene present, aan het einde der tijden volledig gerealiseerd worden en geopenbaard worden.

*******

HET KONINKRIJK GODS

Als wij beweren christenen te zijn

kunnen wij ons verheugen in de wetenschap dat God Zijn Koninkrijk met macht op aarde zal oprichten:

Daniël

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan; het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal

het bestaan in eeuwigheid” (Daniël 2:44)

Jezus

“Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden... Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard” (Openbaring 11:15, 17

God is waarlijk de heerser over Zijn heelal:

De Psalmen

“De Here heeft zijn troon in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles” (Psalm 103:19)

Daniël

“De Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil.” “Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en zijn koningschap van geslacht tot geslacht” (Daniël 4:25, 34)

Hij richtte eens Zijn koninkrijk op in Israël en vernie­tigde het wegens de goddeloosheid van Zijn volk:

Mozes

“Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk” (Exodus 19:5,6)

David

“Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o Here, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o Here, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven... En Salomo zette zich op de troon des Heren als koning in de plaats van zijn vader David” (1 Kronieken 29:10-11, 23)

Ezechiël

“En gij onheilige, goddeloze, vorst van Israël, wiens dag komt ten tijde van de eindafrekening, zo zegt de Here Here: Neem weg die tulband! zet af die kroon! Zo zal het niet blijven. Verhoog wat laag is: verlaag wat hoog is. Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal” (Ezechiël 21:25-27)

Wanneer Jezus het koninkrijk herstelt, zal weerspannig Israël tot bekering moeten komen en wie niet tot berouw komen zullen verworpen worden:

Zacharia

“Zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind” (Zacharia 12:10; zie Openbaring 1.7)

Jezus

“Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham en Izak en Jakob zult zien en al de pro­feten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buiten geworpen” (Lucas 13:28)

Jezus zal Zijn koningschap bevestigen door de natiën aan Zich te onderwerpen, en bovendien zal de natie die Hem kruisigde zich voor Hem moeten buigen.

#

Koninkrijk & Koningschap:

(Openbaring 11:15) 15 En de zevende engel blies op zijn trompet. En er weerklonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: „Het koninkrijk der wereld* is het koninkrijk van onze Heer en van zijn Christus geworden, en hij zal als koning regeren** tot in alle eeuwigheid."

(vtn): *„Der wereld." Gr.: tou ko’smou; Lat.: mun’di; J (Hebr.): ha·‘o·lam’.; **„Als koning regeren." Lett.: „koning zijn (heersen)."

(Daniël 2:44) 44 En in de dagen van die koningen (*1) zal de God des hemels een koninkrijk (*2) oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan,

*1: Aram.: mal·khai·ja´’, „de koningen". *2: Of: „En het koningschap." Aram.: oe·mal·khoe·thah’.

(Rechters 8:5-6) 6 En de zeven engelen met de zeven trompetten maakten zich gereed om erop te blazen.

(1 Chronieken 29:10-12) 11 Van u, o Jehovah, is de grootheid en de macht en de luister en de voortreffelijkheid en de waardigheid; want alles in de hemel en op de aarde is [van u]. Van u is het koninkrijk, o Jehovah, gij die u ook als hoofd over alles verheft. 12 De rijkdom en de heerlijkheid zijn vanwege u, en gij heerst over alles; en in uw hand is kracht en macht, en in uw hand is [het vermogen] om groot te maken en sterkte te verlenen aan allen.

(Psalmen 22:28) 28 Want het koningschap behoort Jehovah toe, En hij heerst over de natiën.

(Psalmen 97:1) 97 Jehovah zelf is koning geworden! Laat de aarde blij zijn. Laten de vele eilanden zich verheugen.

(Obeia 21) 21 En redders zullen stellig de berg Sion bestijgen, om het bergland van Esau te oordelen; en het koningschap moet van Jehovah worden."

(Openbaring 11:16-17) 16 En de vierentwintig oudere personen, die voor God op hun tronen zaten, vielen op hun aangezicht en aanbaden God 17 en zeiden: „Wij danken u, Jehovah God, de Almachtige, die is en die was, omdat gij uw grote kracht hebt opgenomen en als koning zijt gaan regeren.

(Psalmen 2:4-6) 5 In die tijd zal hij tot hen spreken in zijn toorn, En in zijn brandend misnoegen zal hij hen met ontsteltenis slaan, 6 [Zeggend:] „Ik, ja ik, heb mijn koning geïnstalleerd Op Sion, mijn heilige berg."

(Ezechiël 21:26-27) 27 Tot een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal ik ze maken. Ook wat deze aangaat, ze zal stellig [van niemand] worden totdat hij komt die het wettelijke recht heeft, en ik moet [het] aan hem geven.’

(Daniël 7:13-14) 13 Ik bleef aanschouwen in de nachtvisioenen, en ziedaar! met de wolken des hemels bleek iemand gelijk een mensenzoon te komen; en tot de Oude van Dagen verkreeg hij toegang, en men bracht hem dicht bij, ja vóór Deze. 14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden.

(Psalmen 145:13) 13 Uw koningschap is een koningschap voor alle onbepaalde tijden, En uw heerschappij is gedurende alle opeenvolgende geslachten.

(Openbaring 11:17) 17 en zeiden: "Wij danken u, Jehovah God, de Almachtige, die is en die was, omdat gij uw grote kracht hebt opgenomen en als koning zijt gaan regeren. "

(Psalmen 103:19) 19 Jehovah zelf heeft in de hemel zijn troon stevig bevestigd; En over alles heeft zijn eigen koningschap heerschappij geoefend.

(2 Chronieken 20:5-7) 5 Toen ging Josafat in de gemeente van Juda en van Jeruzalem staan, in het huis van Jehovah vóór het nieuwe voorhof, 6 en hij zei vervolgens: „O Jehovah, de God van onze voorvaders, zijt gij niet God in de hemel, en heerst gij niet over alle koninkrijken van de natiën, en is er in uw hand geen kracht en macht, terwijl niemand zich krachtig tegen u staande kan houden? 7 Hebt gijzelf, o onze God, de bewoners van dit land niet van voor het aangezicht van uw volk Israël verdreven en het vervolgens tot onbepaalde tijd aan het zaad van Abraham, die u liefhad, gegeven?

(Psalmen 115:1-3) 3 Maar onze God is in de hemel; Al wat hem heeft behaagd [te doen], heeft hij gedaan.

(Psalmen 47:1-2) 2 Want Jehovah, de Allerhoogste, is vrees inboezemend, Een groot Koning over de gehele aarde.

#

(Daniël 4:24-25) 25 En u zal men van onder de mensen verdrijven, en bij de dieren van het veld zal uw woning blijken te zijn, en plantengroei zal men ook u te eten geven, net als de stieren; en door de dauw van de hemel zult gijzelf bevochtigd worden, en zeven tijden (4) zullen er over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste [de] Heerser* is in het koninkrijk der mensheid**, en dat hij het geeft aan wie hij wil.

(Daniël 4:31-32) 31 Nog was het woord in de mond van de koning, toen er een stem uit de hemel neerviel: „U wordt gezegd, o koning Nebukadnezar: ‘Het koninkrijk zelf is van u geweken, 32 en van onder de mensen verdrijft men u zelfs, en bij de dieren van het veld zal uw woning zijn.

(Lukas 21:23-24) Want er zal grote nood over het land zijn en gramschap over dit volk; 24 en zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en gevankelijk worden weggevoerd naar alle natiën; en Jeruzalem zal door de natiën worden vertreden totdat de bestemde tijden der natiën zijn vervuld.

* Of: „heerst."

** Of: „mensen." Aram.: ´ana·sja´’.

(Psalmen 83:17-18) 17 O mogen zij voor altijd beschaamd en ontsteld zijn, En mogen zij schaamrood worden en vergaan; 18 Opdat men weet dat gij, wiens naam Jehovah is, Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.

(Daniël 4:34) 34 „En aan het einde van de dagen sloeg ik, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, en mijn eigen verstand keerde toen tot mij terug; en ik zegende de Allerhoogste zelf, en Degene die tot onbepaalde tijd leeft, roemde en verheerlijkte ik, want zijn heerschappij is een heerschappij tot onbepaalde tijd en zijn koninkrijk duurt van geslacht tot geslacht.

Tot onbepaalde tijd

Dagen:

(Daniël 4:15-16) 16 Zijn hart worde veranderd zodat het niet meer dat van een mens is en een dierehart worde hem gegeven, en laten er zeven tijden over hem voorbijgaan.

Eeuwig tot eeuwig

(1 Chronieken 29:10) 10 Dientengevolge zegende David Jehovah ten aanschouwen van heel de gemeente, en David zei: „Gezegend moogt gij zijn, o Jehovah, de God van onze vader Israël, van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd.

(Nehemia 9:4-5) 5 En de levieten Jesua en Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodía, Sebanja [en] Pethahja zeiden vervolgens: „Staat op, zegent Jehovah, UW God, van onbepaalde tijd tot onbepaalde tijd.

De Allerhoogste zelf:

(Psalmen 7:17) 17 Ik zal Jehovah prijzen naar zijn rechtvaardigheid, En ik wil de naam van Jehovah, de Allerhoogste, bezingen met melodieën.

(Psalmen 92:1-3) 92 Het is goed, Jehovah dank te brengen En uw naam te bezingen met melodieën, o Allerhoogste; 2 In de morgen over uw liefderijke goedheid te vertellen En over uw getrouwheid in de nachten, 3 Op een tiensnarig instrument en op de luit, Door weergalmende muziek op de harp.

(Jeremia 10:10-13) 10 Maar Jehovah is in waarheid God. Hij is de levende God en de Koning tot onbepaalde tijd. Wegens zijn verontwaardiging zal de aarde schudden, en er zijn geen natiën die zich onder zijn openlijke veroordeling staande zullen houden. 11 Dit zult gijlieden tot hen zeggen: „De goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt, díe zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan." 12 Hij is de Maker van de aarde door zijn kracht, Degene die het produktieve land door zijn wijsheid stevig bevestigt, en Degene die door zijn verstand de hemelen heeft uitgespannen. 13 Op [zijn] stem is er door zijn toedoen een gedruis van wateren in de hemel, en hij doet dampen opstijgen van het uiteinde der aarde. Hij heeft zelfs sluizen voor de regen gemaakt, en hij brengt de wind te voorschijn uit zijn voorraadschuren.

(1 Timotheus 1:17) 17 Aan de Koning der eeuwigheid nu, onvergankelijk, onzichtbaar, [de] enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.

(Openbaring 4:9-11) 9 En telkens wanneer de levende schepselen heerlijkheid en eer en dankzegging brengen aan Degene die op de troon is gezeten, Degene die tot in alle eeuwigheid leeft, 10 vallen de vierentwintig oudere personen neer voor Degene die op de troon is gezeten en aanbidden zij Degene die tot in alle eeuwigheid leeft, en zij werpen hun kronen voor de troon en zeggen: 11 „Gij, Jehovah, ja onze God, zijt waardig de heerlijkheid en de eer en de kracht te ontvangen, want gij hebt alle dingen geschapen, en vanwege uw wil bestonden ze en werden ze geschapen."

Van Geslacht tot geslacht:

(Psalmen 10:16) 16 Jehovah is Koning tot onbepaalde tijd, ja, voor eeuwig. De natiën zijn van zijn aarde vergaan.

(Daniël 4:1-3) 4 „Koning Nebukadnezar, aan alle volken, nationale groepen en talen die op de gehele aarde wonen: Moge UW vrede groot worden. 2 Het heeft mij goed toegeschenen de tekenen en wonderen die de Allerhoogste God ten aanzien van mij verricht heeft, bekend te maken. 3 Hoe groot zijn zijn tekenen, en hoe machtig zijn zijn wonderen! Zijn koninkrijk is een koninkrijk tot onbepaalde tijd, en zijn heerschappij duurt van geslacht tot geslacht.

(Micha 4:6-7) 7 En ik zal haar die kreupel ging, stellig tot een overblijfsel maken, en haar die ver verwijderd was, tot een machtige natie; en Jehovah zal werkelijk als koning over hen regeren op de berg Sion, van nu aan en tot onbepaalde tijd.

#

Wettelijk recht:

(Genesis 49:10) 10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de gebiedersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt; en aan hem zal de gehoorzaamheid der volken behoren.

(Psalmen 89:2-4) 3 „Ik heb een verbond gesloten jegens mijn uitverkorene; Ik heb aan mijn knecht David gezworen:
4 ’Ja, tot onbepaalde tijd zal ik uw zaad stevig bevestigen, En ik wil uw troon bouwen van geslacht tot geslacht.’

(Psalmen 110:1) De uitspraak van Jehovah tot mijn Heer luidt: „Zit aan mijn rechterhand, Totdat ik uw vijanden tot een voetbank voor uw voeten stel.”

Koninkrijk in Israël (Ezechiël 21:25-27) 25 En wat u betreft, o dodelijk gewonde, goddeloze overste van Israël, wiens dag gekomen is in de tijd van de dwaling van [het] einde, 26 dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ‘Verwijder de tulband en zet af de kroon. Deze zal niet dezelfde zijn. Verhoog zelfs wat laag is en verlaag zelfs de hoge. 27 Tot een puinhoop*, een puinhoop, een puinhoop zal ik ze** maken. Ook wat deze*** aangaat, ze zal stellig [van niemand] worden totdat hij komt die het wettelijke recht heeft, en ik moet [het****] aan hem geven.’

****(Ezechiël 21:27) (vtn) D.w.z. het rechtmatig toekomende.

(Psalmen2:7-8) 8 Vraag van mij, opdat ik natiën tot uw erfdeel moge geven En de einden der aarde tot uw eigen bezitting.

(Daniël 7:14) 14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden.

(Lukas 22:28-30) 28 Doch GIJ zijt degenen die in mijn beproevingen steeds bij mij zijt gebleven; 29 en ik sluit een verbond met U, evenals mijn Vader een verbond met mij heeft gesloten, voor een koninkrijk, 30 opdat GIJ in mijn koninkrijk aan mijn tafel moogt eten en drinken, en op tronen moogt zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.

Weerspannig Israël tot bekering.

(Zechiël 12:10) 10 En ik wil over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem de geest* van gunst en smekingen uitstorten, en zij zullen stellig opzien naar Degene die zij hebben doorstoken, en zij zullen stellig over Hem weeklagen zoals bij het geweeklaag over een enige [zoon]; en er zal een bittere jammerklacht over hem zijn zoals wanneer er een bittere jammerklacht is over de eerstgeboren [zoon].

(Jesaja 44:2-6) 3 Want ik zal water uitgieten op de dorstige en druppelende stromen op de droge plaats. Ik zal mijn geest uitgieten op uw zaad, en mijn zegen op uw nakomelingen. 4 En zij zullen stellig uitspruiten als tussen het groene gras, als populieren aan de watergreppels. 5 Deze zal zeggen: „Ik behoor Jehovah toe.” En die zal [zich] noemen naar de naam Jakob, en een ander zal op zijn hand schrijven: „Jehovah toebehorend.” En met de naam Israël zal men [zich] betitelen.’

6 Dit heeft Jehovah gezegd, de Koning van Israël en zijn Terugkoper, Jehovah der legerscharen: ’Ik ben de eerste en ik ben de laatste, en buiten mij is er geen God.