Belgische Christadelphians

Beloften van God

 

Belgische Christadelphians 

 

 

 

Plan van God 

 

 

 

Gods beloften 

 

 

 

Bestaat er een God die zich om ons bekommert? 

Nieuw Verbond 

Erfenis

Koninkrijk van God

Plan van God en wereldvrede

Verwachtingen

 

 

 

 

 

Eigenheden aan God toegeschreven 

Christenmensen met ons geloof 

Dankbaar voor verkregen Offer 

De Gezondene 


Eén met Christus 

Jezus Christus is in het vlees gekomen 

Het Zoenoffer 

Hij die Komt 

Hij die zit aan de rechterhand van Zijn Vader 

Hoop op Leven 


Omtrent Geloof en Gospel 

Sterfelijkheid

Opstanding 

Opstanding en Oordeel 


Priesterschap van Christus


 

 

Overwegingen 

 Redding 

 

 

Wat te vinden in de Bijbel 

 

 



 

Please do find further articles and links at:

 

Articles in English

Artikels in het Nederlands

Articles en Français

Lectuur

Vlaams/Belgisch Studiemateriaal

Adressen

+



Wij zijn een trots lid van de wereldwijde genootschap van Broeders in Christus 

We are a proud member of the worldwide community of Brothers and Sisters in Christ

Christadelphia



Beloften van God

Hoe veel maal zijn wij niet ontgoocheld geweest omdat bepaalde beloften niet werden gehouden?

Beloften aan ons door vrienden en kennissen of door politiekers voor hun verkiezingen? Weinig kiesbeloftes zijn behouden na de verkiezingen. Ook werkgevers en soms zelfs vakbonden hebben de werknemers in de steek gelaten.

In veel opzichten staan wij er thans beter voor dan Abraham. Tegenwoordig hebben wij veel luxe en hebben wij genoeg materiaal rondom ons om het leven gemakkelijker te maken en om de leefkwaliteit te verhogen. Maar buiten het gewone wereldse is er meer. Het leven kan niet enkel datgene zijn dat wij vandaag mee maken of zien gebeuren in ander landen. Er moet meer aan het leven zijn dan de gewone dagelijkse sleur.

Zaad van Abraham en Losprijs.

Wij weten dat Jehovah al zijn beloften aan Abraham is nagekomen. Ja, Abrahams nakomelingen beërfden Kanaän en werden een grote natie (1 Koningen 4:20; Hebreeën 11:12). Bovendien werd zo’n 1971 jaar nadat Abraham Haran verliet een nakomeling van hem, Jezus, door Johannes de Doper in water en vervolgens door Jehovah zelf in heilige geest gedoopt om de Messias, Abrahams Zaad in de volledige, geestelijke zin, te worden (Mattheüs 3:16, 17; Galaten 3:16).
Op 14 Nisan 33 G.T. offerde Jezus zijn leven als een losprijs voor degenen die geloof in hem zouden oefenen (Mattheüs 20:28; Johannes 3:16). Miljoenen konden zich nu door bemiddeling van hem zegenen. In de eerste eeuw oefenden velen uit alle natiën — te beginnen met het vleselijke Israël — geloof in dit Zaad van Abraham en werden gezalfde zonen van God, leden van een nieuw, geestelijk „Israël Gods” (Galaten 3:26-29; 6:16; Handelingen 3:25, 26) [1]. Zij hadden een verzekerde verwachting van onsterfelijk geestelijk leven in de hemel als mederegeerders in Gods koninkrijk.

Liefde bewoog Jehovah ertoe zijn geliefde Zoon uit te zenden (Romeinen 5:8; 1 Johannes 4:9) [2]. Vervolgens werd Jezus door liefde bewogen om „voor iedereen de dood [te] smaken” (Hebreeën 2:9; Johannes 15:13) [3]. Terecht schreef Paulus: „De liefde die de Christus heeft, dringt ons . . . Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor hen gestorven is en werd opgewekt” (2 Korinthiërs 5:14, 15).

Welbeschouwd maakt de losprijs het voor ons mogelijk om verlost te worden van de dood! Wij zouden door onze daden beslist niet te kennen willen geven dat wij het slachtoffer van Jezus als van gewone waarde achten. (Hebreeën 10:29) [4].

God heeft doorheen de geschiedenis der mensheid Zijn schepping in het oog gehouden en heeft daar bijgestuurd waar er moest ingegrepen worden. Hij heeft de mensen vele beloften gegeven en Hij heeft zich er steeds toe gehouden. Als wij de Heilige Schrift lezen zullen wij duidelijk zien hoe God steeds vredelievend is omgegaan met Zijn Schepping die zich regelmatig tegen de Maker verzette.[5] Gelukkig valt God niet onder dezelfde beloftemakers als de mensen. Jehovah God, de Schepper van hemel en aarde is overvloedig in Zijn goedheid en is steeds blijvend getrouw gebleven aan Zijn schepping. (Exodus 34:6) [6]

Men kan er niet naast zien dat God steeds Zijn beloften is nagekomen en wij mogen er op vertrouwen dat Hij voor de nog uit te komen beloften ook deze niet zal laten verstrijken zonder uit te komen. God zal al zijn beloften houden. Hij controleert het hele universum en zijn beloften falen nooit.

Christus’ losprijs - Gods weg tot redding en de grootste belofte.

Christus’ losprijs maakt de vervulling van Gods voornemen mogelijk — dat gehoorzame mensen voor eeuwig in een paradijs op aarde leven (Psalm 37:29) [7] Zodra Adam en Eva in de fout waren gegaan (=zondigden) heeft God voorzieningen getroffen om Zijn doel alsnog te bereiken. God had een Plan met Zijn Creatie. De wereld zal daarom nog tot volmaaktheid moeten gebracht worden en hiervoor heeft Hij voorzieningen getroffen en vele beloften gesteld. Veel van die beloften zijn reeds uitgekomen en opgetekend in de verscheidene Heilige Boeken die de mensheid nu ter hand heeft om lessen uit te trekken.

De bijbel is de bron van kennis omtrent Gods voornemens en persoonlijkheid. Het Genesisverslag onthult dat de mensheid eens vrede met God genoot en het vooruitzicht op een lang, zinvol leven had (Genesis 1:28; 2:7-9). In overeenstemming met de betekenis van Jehovah’s naam kunnen wij er zeker van zijn dat hij een einde zal maken aan het lijden en de frustratie waarmee mensen lange tijd te kampen hebben gehad. Wij lezen over de verwezenlijking van zijn voornemen: „De stoffelijke wereld werd aan ijdelheid onderworpen, niet uit eigen wens, maar door de wil van de Schepper, die haar door het zo te maken, hoop gaf dat ze eens . . . deel zou krijgen aan de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods.” (Romeinen 8:20, 21, The New Testament Letters, door J. W. C. Wand)

Bijbelse profetieën zijn geen dood verslag van reeds vervulde voorzeggingen. Veel profetieën die in de Schrift staan, gaan thans in vervulling of zullen in de nabije toekomst verwezenlijkt worden. Te oordelen naar het verleden kunnen wij er volledig van overtuigd zijn dat ze eveneens vervuld zullen worden. Daar zulke profetieën zich richten op onze tijd en met onze toekomst te maken hebben, doen wij er goed aan ze serieus te nemen.

Wij kunnen beslist vertrouwen stellen in de bijbelprofetie die in Jesaja 2:2, 3 staat: „Het moet geschieden in het laatst der dagen dat de berg van het huis van Jehovah stevig bevestigd zal worden boven de top der bergen . . . En vele volken zullen stellig heengaan en zeggen: ’Komt, en laten wij opgaan naar de berg van Jehovah, . . . en hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij willen zijn paden bewandelen.’” Miljoenen mensen in deze tijd aanvaarden inderdaad Jehovah’s verheven aanbidding en leren zijn paden te bewandelen. De vervulling van nog een bijbelprofetie vereist dringende actie van onze zijde.

Betreffende de nabije toekomst zong de psalmist profetisch: „De boosdoeners zelf zullen afgesneden worden . . . Nog maar een korte tijd en de goddeloze zal er niet meer zijn” (Psalm 37:9, 10). Wat is er volgens u nodig om aan de ophanden zijnde vernietiging van de goddelozen, met inbegrip van degenen die spotten met de bijbelse profetieën, te ontkomen? Dezelfde psalm antwoordt: „Wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten” (Psalm 37:9). Op Jehovah hopen betekent onvoorwaardelijk op zijn beloften vertrouwen en ons leven naar zijn maatstaven inrichten. (Spreuken 2:21, 22).

Hoe zal het leven zijn wanneer degenen die op Jehovah hopen, de aarde bezitten? Weer onthullen Bijbelse profetieën dat er voor de gehoorzame mensheid een schitterende toekomst is weggelegd. De profeet Jesaja schreef: „In die tijd zullen de ogen der blinden geopend worden, en zelfs de oren der doven zullen ontsloten worden. In die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert, en de tong van de stomme zal een vreugdegeroep aanheffen. Want in de wildernis zullen bruisende wateren zijn opgeweld, en stromen in de woestijnvlakte” (Jesaja 35:5, 6). De apostel Johannes tekende de volgende geruststellende woorden op: „Hij [Jehovah] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan. En Degene die op de troon was gezeten, zei: . . . ’Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.’” — Openbaring 21:4, 5..

Paulus schreef: „Ongeacht hoe vele Gods beloften zijn, ze zijn Ja geworden door tussenkomst van hem [Jezus]” (2 Korinthiërs 1:20) [8]. Het is waar dat de dood „als koning heeft geregeerd” (Romeinen 5:17). De losprijs verschaft God een basis om deze „laatste vijand” teniet te doen (1 Korinthiërs 15:26; Openbaring 21:4). Jezus’ losprijs kan zelfs degenen die zijn gestorven tot voordeel strekken. „Het uur komt”, zei Jezus, „waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn [Jezus’] stem zullen horen en te voorschijn zullen komen.” (Johannes 5:28, 29; 1 Korinthiërs 15:20-22) [9].

Liefde bewoog Jehovah ertoe zijn geliefde Zoon uit te zenden (Romeinen 5:8; 1 Johannes 4:9). Vervolgens werd Jezus door liefde bewogen om „voor iedereen de dood [te] smaken” (Hebreeën 2:9; Johannes 15:13). Terecht schreef Paulus: „De liefde die de Christus heeft, dringt ons . . . Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor hen gestorven is en werd opgewekt” (2 Korinthiërs 5:14, 15). Als wij waarderen wat Jezus voor ons heeft gedaan, zullen wij gunstig reageren. Welbeschouwd maakt de losprijs het voor ons mogelijk om verlost te worden van de dood! Wij zouden door onze daden beslist niet te kennen willen geven dat wij het slachtoffer van Jezus als van gewone waarde achten. (Hebreeën 10:29) [10].

Denk eens in hoe verrukkelijk het zal zijn een leven te leiden zoals het bedoeld was — vrij van de zorgen waaronder wij thans gebukt gaan! De zonde heeft niet alleen de harmonie verstoord tussen ons en God, doch ook met onze eigen geest, ons hart en ons lichaam. Maar de bijbel belooft dat in Gods nieuwe wereld „geen inwoner zal zeggen: ’Ik ben ziek.’” Ja, fysieke en emotionele ziekten zullen de mensheid niet langer kwellen. Waarom niet? Jesaja antwoordt: „Het volk dat in het land woont, zal vergiffenis van zijn dwaling hebben ontvangen.” (Jesaja 33:24) [11].

Meerdere beloften.

Nadat Jezus het aardse toneel had verlaten, completeerden de Hebreeuwse Geschriften en de erin opgetekende profetieën Jezus’ leringen en verschaften de belangrijke achtergrond waartegen zijn christelijke volgelingen aansluitende gebeurtenissen konden bezien, ze konden inpassen en hun betekenis en belangrijkheid te weten konden komen. Dit verleende autoriteit en overtuigingskracht aan hun prediking- en onderwijszingwerk en schonk hun vertrouwen en moed wanneer zij tegenstand te verduren hadden.

God treedt handelend op om zijn wil te volbrengen

In zijn bemoeienissen met de natie Israël heeft God getoond dat hij zijn voornemen zal verwezenlijken. Jehovah verzekerde Mozes bijvoorbeeld dat Hij de Israëlieten uit Egypte zou bevrijden en hen in het Beloofde Land, een land vloeiende van melk en honing, zou brengen (Exodus 3:8) [12]. Dit was een gewichtige en geruststellende bekendmaking. Het zou betekenen dat die Israëlieten — van wie het aantal samen met hun metgezellen ongeveer drie miljoen bedroeg — bevrijd zouden worden uit een machtige natie die sterk tegen hun vertrek gekant was (Exodus 3:19) [13]. Het land waarheen zij gebracht zouden worden, werd bewoond door machtige natiën die zich krachtig tegen hun komst zouden verzetten (Deuteronomium 7:1). Daartussenin lag een wildernis waar de Israëlieten voedsel en water nodig zouden hebben. Dit was een situatie die Jehovah de gelegenheid bood om zijn oppermacht en Godheid tentoon te spreiden. (Leviticus 25:38) [14].

Het was aan Mozes dat God verzekerde de Levende te zijn wiens eeuwige glorie de wereld zou overspoelen. (Numerieken 14: 21) [15] Dit houdt de belofte in dat de mensen de wereld niet kunnen vernietigen want zij zullen eerdere vergaan zijn [16].

God leidde de Israëlieten uit Egypte door middel van een reeks machtige daden. Eerst bracht hij tien verwoestende plagen over de natie Egypte. Vervolgens spleet hij de Rode Zee waardoor de Israëlieten konden ontsnappen, terwijl het achtervolgende Egyptische leger ten onder ging (Psalm 78:12, 13, 43-51). Daarna zorgde hij voor de Israëlieten tijdens hun veertig jaar in de wildernis door hen met manna te voeden, hen van water te voorzien en er zelfs op toe te zien dat hun mantels niet versleten en dat hun voeten niet opzwollen (Deuteronomium 8:3, 4). Nadat de Israëlieten het Beloofde Land waren binnengegaan, leidde Jehovah hen naar de overwinning op hun vijanden. Jozua, die een krachtig geloof in Jehovah’s beloften oefende, was een ooggetuige van al deze dingen. Bijgevolg kon hij vol vertrouwen tot de oudere mannen van zijn tijd zeggen: „Gij weet zeer goed met geheel uw hart en met geheel uw ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor u uitgekomen.” (Jozua 23:14) [17].

Net als Jozua uit de oudheid hebben christenen thans het vaste vertrouwen dat God bereid en in staat is om handelend op te treden ten behoeve van degenen die hem dienen. Deze overtuiging is een essentieel onderdeel van ons geloof. De apostel Paulus schreef: „Zonder geloof [is het] onmogelijk hem welgevallig te zijn, want wie tot God nadert, moet geloven dat hij . . . de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken.” (Hebreeën 11:6).

De omgeving waarin Abraham in Ur der Chaldeeën opgroeide, was afgodisch en materialistisch. Maar Abrahams zienswijze werd door andere invloeden gevormd. Ongetwijfeld kon hij omgang hebben met Noachs zoon Sem, die 150 jaar zijn tijdgenoot is geweest. Abraham raakte ervan overtuigd dat Jehovah „de Allerhoogste God, Voortbrenger van hemel en aarde,” was. (Genesis 14:22) [18]. Aan Abraham werd door de Almachtige God de belofte gedaan dat Abraham een Aartsvader mocht worden van een groot volk, een grote Natie van God. “Al het land dat gij ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. Ik zal uw nakomelingen maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen.” (Ge 13:15-16 WV78) [19]

Abraham werd tot een sleutelfiguur in de menselijke geschiedenis, een schakel in de vervulling van de eerste profetie die ooit is opgetekend. Nadat Adam en Eva in de tuin van Eden hadden gezondigd, sprak Jehovah het oordeel over hen beiden uit, en bij dezelfde gelegenheid richtte hij zich tot Satan, die Eva had misleid, met de woorden: „Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Hij zal u in de kop vermorzelen en gij zult hem in de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15). Jehovah’s verbond met Abraham gaf te kennen dat het Zaad door bemiddeling van wie Satans werken tenietgedaan zouden worden, in de geslachtslijn van die patriarch zou verschijnen.

Aangezien Jehovah’s belofte verband hield met een zaad, moest Abraham een zoon krijgen door bemiddeling van wie het Zaad kon komen. Toen Abraham bijna 100 jaar was en zijn vrouw, Sara, bijna 90, herhaalde Jehovah zijn belofte dat Abraham een zoon zou hebben en dat Sara de moeder zou zijn.

Abraham bezag hun situatie realistisch. „Doch vanwege Gods belofte wankelde hij niet in ongeloof, maar werd krachtig door zijn geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf en er ten volle van overtuigd was dat hij hetgeen hij had beloofd, ook in staat was te doen” (Romeinen 4:19-21). Abraham wist dat Gods belofte niet kon falen.

Uiteindelijk zegende Jehovah hen echter door hun voortplantingsvermogen op wonderbare wijze te doen herleven, waarna Sara Abraham een zoon, Isaäk, baarde, en aldus werd de belofte van een zaad levend gehouden (Genesis 17:15-17; 21:1-7) [20].

Jaren later, nadat Jehovah Abrahams geloof op de proef had gesteld — waarbij hij zelfs zo ver ging dat hij zijn bereidheid om zijn geliefde zoon, Isaäk, te offeren(Genesis 22:1-12)., testte — herhaalde hij zijn belofte aan Abraham: „Ik [zal] u voorzeker . . . zegenen en uw zaad voorzeker . . . vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels die aan de zeeoever zijn; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En door bemiddeling van uw zaad zullen alle natiën der aarde zich stellig zegenen, ten gevolge van het feit dat gij naar mijn stem hebt geluisterd” (Genesis 22:15-18) [21]. Deze uitgebreide belofte wordt vaak het Abrahamitische verbond genoemd, en het latere nieuwe verbond zou er nauw verband mee houden.

Abraham had het volste vertrouwen dat de God die deze zoon door een wonder geboren had laten worden, hem ook weer tot leven kon brengen teneinde de verdere beloften die Hij in verband met hem had gedaan, te vervullen. (Hebreeën 11:17-19) [22].

Abraham toonde dat hij zich door geloof liet leiden, niet slechts op bepaalde tijden, maar gedurende zijn hele leven.

Vervolgens werden de beloften van een volk Israël herhaald aan de zoon en aan de kleinzoon van Abraham (Genesis 26:4; 28:13,14) [23]

„Het oude verbond”

Toen Jakob en zijn zonen naar Egypte trokken, waren zij een omvangrijke familie, maar hun nakomelingen verlieten Egypte als een grote menigte bestaande uit volkrijke stammen (Exodus 1:5-7; 12:37, 38). Voordat Jehovah hen naar Kanaän bracht, leidde hij hen zuidwaarts naar de voet van een berg genaamd Horeb (of Sinaï) in Arabië. Daar sloot hij een verbond met hen. Dit kwam bekend te staan als „het oude verbond” ten opzichte van „het nieuwe verbond” (2 Korinthiërs 3:14) [24]. Door middel van het oude verbond bracht Jehovah een symbolische vervulling van zijn verbond met Abraham tot stand.

Jehovah zette aan Israël de bepalingen van dit verbond uiteen: „Indien gij mijn stem strikt zult gehoorzamen en mijn verbond inderdaad zult onderhouden, dan zult gij stellig uit alle andere volken mijn speciale bezit worden, want de gehele aarde behoort mij toe. En gíj zult mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden” (Exodus 19:5, 6). Jehovah had beloofd dat Abrahams zaad (1) een grote natie zou worden, (2) de overwinning op hun vijanden zou behalen, (3) het land Kanaän zou beërven en (4) een kanaal tot zegen van de natiën zou zijn. Nu onthulde hij dat zijzelf deze zegeningen konden beërven als zijn speciale volk, Israël, dat „een koninkrijk van priesters en een heilige natie” zou worden mits zij zijn geboden zouden gehoorzamen. De Israëlieten gingen ermee akkoord dit verbond aan te gaan. Zij antwoordden eenstemmig: „Alles wat Jehovah gesproken heeft, zijn wij bereid te doen.” (Exodus 19:8).

Bijgevolg organiseerde Jehovah de Israëlieten tot een natie. Hij gaf hun wetten waardoor de aanbidding en het burgerleven werden geregeld. Hij voorzag ook in een tabernakel (later een tempel in Jeruzalem) en een priesterschap om in de tabernakel heilige dienst te verrichten.
Het verbond onderhouden betekende Jehovah’s wetten gehoorzamen en, in het bijzonder, alleen hem aanbidden. Het eerste van de Tien Geboden, die de kern van die wetten vormden, luidde: „Ik ben Jehovah, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, uit het slavenhuis. Gij moogt geen andere goden tegen mijn persoon in hebben.” (Exodus 20:2, 3) [25].

Zegeningen door middel van het Wetsverbond

Als nakomelingen van Adam waren de Israëlieten zondaars (Romeinen 5:12). Niettemin werden er onder de Wet slachtoffers gebracht om hun zonden te bedekken. Betreffende de slachtoffers die op de jaarlijkse Verzoendag werden gebracht, zei Jehovah: „Op die dag zal er verzoening voor u worden gedaan, om u rein te verklaren. Gij zult rein zijn van al uw zonden voor het aangezicht van Jehovah” (Leviticus 16:30). Wanneer Israël derhalve getrouw bleef, was het een heilige natie, gereinigd voor Jehovah’s dienst. Maar deze reine toestand hing af van de vraag of zij de Wet gehoorzaamden en voortdurend slachtoffers brachten.

Direct vanaf het begin was Israël een koninkrijk, met Jehovah als hemelse Koning (Jesaja 33:22). Verder bevatte het Wetsverbond voorzieningen voor een menselijk koningschap, zodat Jehovah later door in Jeruzalem regerende koningen werd vertegenwoordigd (Deuteronomium 17:14-18).

Toen Abrahams nakomelingen tot een natie onder de Wet werden georganiseerd, zegende Jehovah hen overeenkomstig zijn belofte aan de patriarch. In 1473 v.G.T. leidde Mozes’ opvolger, Jozua, Israël Kanaän binnen. Door de daaropvolgende verdeling van het land onder de stammen werd Jehovah’s belofte om het land aan Abrahams zaad te geven, vervuld. Wanneer Israël getrouw was, vervulde Jehovah zijn belofte om hen de overwinning op hun vijanden te laten behalen. Dit was vooral zo tijdens de regering van koning David. In de tijd van Davids zoon Salomo ging een derde aspect van het Abrahamitische verbond in vervulling. „Juda en Israël waren talrijk, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn, terwijl zij aten en dronken en zich verheugden.” (1 Koningen 4:20).

Maar hoe zouden de natiën zich door bemiddeling van Israël, Abrahams zaad, zegenen? Israël was Jehovah’s speciale volk, zijn vertegenwoordiger onder de natiën. Kort voordat Israël Kanaän binnentrok, zei Mozes: „Weest vrolijk, gij natiën, met zijn volk” (Deuteronomium 32:43). Veel buitenlanders reageerden gunstig. „Een groot gemengd gezelschap” had Israël reeds uit Egypte gevolgd, zag Jehovah’s macht in de wildernis en hoorde Mozes’ uitnodiging om zich te verheugen (Exodus 12:37, 38). Later trouwde de Moabitische Ruth met de Israëliet Boaz en werd een voorouder van de Messias (Ruth 4:13-22). De Keniet Jonadab en zijn nakomelingen en de Ethiopiër Ebed-Melech onderscheidden zich door vast te houden aan juiste beginselen toen veel natuurlijke Israëlieten ontrouw waren (2 Koningen 10:15-17; Jeremia 35:1-19; 38:7-13). Onder het Perzische Rijk werden veel buitenlanders proselieten en streden met Israël tegen hun vijanden. (Esther 8:17)

Maar om de volledige vervulling van Gods belofte te ontvangen, moest Gods speciale natie getrouw zijn. Dat was ze niet. Zeker, er waren Israëlieten met een in het oog springend geloof (Hebreeën 11:32–12:1). Niettemin keerde de natie zich bij vele gelegenheden tot heidense goden in de hoop materiële voordelen te ontvangen (Jeremia 34:8-16; 44:15-18). Afzonderlijke personen pasten de Wet verkeerd toe of negeerden haar gewoon (Nehemia 5:1-5; Jesaja 59:2-8; Maleachi 1:12-14). Na Salomo’s dood werd Israël in een noordelijk en een zuidelijk koninkrijk verdeeld. Toen het noordelijke koninkrijk volslagen opstandig werd, maakte Jehovah bekend: „Omdat gijzelf de kènnis hebt verworpen, zal ik ook u verwerpen, zodat gij mij niet als priester dient” (Hosea 4:6). Het zuidelijke koninkrijk werd ook streng gestraft omdat het zich ontrouw betoonde aan het verbond (Jeremia 5:29-31).

Verscheidene naties, waaronder Babylon, verdwenen voor goed. Maar god hield zijn beloften stand. Hij bleef bij het Joodse Volk. Geslacht na geslacht zou God bij hen blijven en ter hulp komen. (Jeremia 30:10-11) [26]

Over heel de wereld werden de Joden verspreid, maar vandaag bestaan ze nog steeds als één volk. Op de vraag wat het Joodse volk bijeen hield zal men als antwoord horen dat zij het uitverkoren volk van God zijn. Het geheim van hun verbintenis ligt in het verbond met Jehovah en dat zij nog steeds Zijn getuigen zijn en dat God nog steeds grootse plannen met hen voor heeft.

David was één van de grote Israëlische koningen en een mens naar het hart van God. Daarom had Jehovah voor hem een zeeer mooie belofte. Uit zijn geslacht zou een koning voortkomen die het grootste Koninkrijk zou mogen leiden om het daarna over te dragen aan God, de Allerhoogste, de Koning der Koningen, wiens rijk geen einde zal kennen. (2Sa 7:12-16) [27]

De apostel Petrus zegt ons dat deze beloften worden vervult in Jezus Christus. Dat is de zoon van God en de Redder van de wereld. Jezus uit Nazareth geboren uit de maagd Maria is de “Zoon van David”, de beloofde afstammeling die de troon zal overerven van zijn voorouders.

Zijn ziel is niet prijs gegeven aan het dodenrijk, noch laat Jehovah Zijn gunstgenoot de groeve of het graf zien. (Ps 16:10) [28]

Jezus, die werkelijk gestorven is en verrezen op de derde dag volgens de beloofde schriftuurteksten zal ook terugkomen om te komen regeren op de troon van David en om te oordelen de levenden en doden. (Handelingen 11; Openbaringen 11:15; Mattheus 5:35; 2 Timotheüs 4:1) [29]

“11 En voor hem zullen alle koningen zich neerwerpen; Alle natiën van hun zijde zullen hem dienen.” (Psalm 72:11) [30]

Deze beloften omtrent Jezus zijn bevestigd geworden aan de maagd Maria door een engel:

“32 Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd [31]; en Jehovah God zal hem de troon van zijn vader David geven, 33 en hij zal voor eeuwig als koning over het huis van Jakob regeren en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.” (Lukas 1:32-33 NWV) [32]

De bijbel houdt nog vele andere beloften in, maar wij hebben er hier enkele aangehaald welke voor u een beeld kunnen scheppen over wat de Christadelphians of Broeders in Christus geloven en met welk een positieve gedachte zij de toekomst tegemoet kijken. Want zij geloven sterk dat zo als al de voorgaande voorspellingen of beloften zijn uitgekomen, die voorspellingen die nog niet zijn verwezenlijkt ook beloften zullen zijn die waar gemaakt zullen worden.

Vandaag zien wij nog beloftes waar worden en zien wij dat niettegenstaande de moeilijkheden in het bleoofde land dat de Joden zich blijven verenigen tot één volk van Israël.

Erg genoeg moeten wij ook vaststellen dat de eindstrijd misschien ook reeds begonnen is. Deze zou plaatsgrijpen in het land van oorsprong, waar vroeger het aards paradijs was (het huidige Iran en Irak). Volgens de voorspellingen in de Heilige schrift zouden volkeren gaan strijden om hun gebieden en zouden godsdiensten tegen godsdiensten het opnemen tegen elkaar. Natuurgeweld, zoals aardbevingen, golfstromingen, orkanen en watergeweld, zouden meer voorvallen en mensen angstig maken.

De voorgaande voorspellingen zijn allemaal uitgekomen en God heeft de menshsmheid ook gewaarschuwd dat al Zijn plannen ook werkelijk zullen uitkomen. Niets zal Zijn Plannen in de weg kunnen staan.

Welke beloften zijn nog niet uitgekomen?

Abraham heeft nog steeds niet het land Israël ontvangen met een eeuwigdurende erfenis en alle landen zijn nog niet in hem gezegend. In Hebreeuwen 11:13 lezen wij: “13 In geloof zijn al dezen gestorven, ofschoon zij de [vervulling van de] beloften niet verkregen hebben, maar zij hebben ze van verre gezien en begroet en hebben in het openbaar bekendgemaakt dat zij vreemden en tijdelijke inwoners in het land waren.”

Voorlopig zijn wij ook nog steeds vreemdelingen in eigen land Het nageslacht is reeds zeer groot geworden, maar er zijn ook nog veel mensen die niet in God geloven. Wel kunnen wij een van de voorspellingen nu ook gaan waarnemen, namelijk dat naargelang het einde der tijden zou gaan toenemen het predikingswerk zou verhogen.

Beloften ook voor niet joden.

Toen de joden Jezus als de Messias verwierpen, verwierp Jehovah hen eveneens (Handelingen 3:13-15; Romeinen 9:31–10:4). Ten slotte trof Jehovah een nieuwe regeling om de volledige vervulling van het Abrahamitische verbond tot stand te brengen. (Romeinen 3:20.) [33] Dit houdt in dat ook niet Joden of de vroeger genoemde heidenen tot het nieuwe Israël zouden kunnen komen.

Jehovah God is de Bron van ware hoop voor allen geworden en Degene die al zijn beloften kan vervullen en de verwachtingen van degenen die op hem vertrouwen, kan verwezenlijken. Door zijn onverdiende goedheid heeft hij de mensheid „troost en goede hoop” gegeven (2Th 2:16). Hij is door alle eeuwen heen de hoop van rechtvaardige mensen geweest. Hij werd „de hoop van Israël” en „de hoop van [Israëls] voorvaders” genoemd (Jeremia 14:8; 17:13; 50:7), en in de Hebreeuwse Geschriften wordt vaak tot uitdrukking gebracht dat personen hun hoop en hun vertrouwen op hem stelden. Zelfs toen zijn volk in ballingschap ging omdat zij hem ongehoorzaam waren geweest, zei hij in zijn liefderijke goedheid tot hen: „Ikzelf weet heel goed welke gedachten ik jegens ulieden koester, . . . gedachten van vrede, en niet van rampspoed, om u een toekomst en een hoop te geven” (Jeremia 29:11). Tijdens de ballingschap in Babylon hield de belofte van Jehovah het geloof en de hoop van getrouwe Israëlieten levend; mannen zoals Ezechiël en Daniël werden er zeer door gesterkt, want Jehovah had gezegd: „Er bestaat een hoop voor uw toekomst, . . . en de zonen zullen stellig naar hun eigen gebied terugkeren” (Jeremia 31:17). Die hoop ging in vervulling toen een getrouw joods overblijfsel in 537 v.G.T. naar Jeruzalem terugkeerde om de stad en haar tempel te herbouwen. (Ezra 1:1-6).

Door Jezus Zoenoffer moeten er geen ander plengoffers meer gebracht worden en kunnen wij buiten de Wet vallen en toch gered worden voor eeuwig.

Om de waarheid van het profetische woord en de beloften van zijn Vader hoog te houden, moest Jezus zo leven dat die waarheid werkelijkheid werd, dat ze gestalte kreeg door hetgeen hij zei en deed, door de wijze waarop hij leefde en waarop hij stierf. Nu kunnen wij niet rechtstreeks getuigen zijn van wat Christus gedaan heeft, maar wij kunnen het wel aannemen en in Hem geloven. Dat geloof zal de belangrijkste factor worden voor ons om deelgenoten te kunnen worden van de nog waar te maken beloften.

Hoop helpt een christen een rein leven te leiden, want hij weet dat God en Christus, op wie hij zijn hoop heeft gesteld, rein zijn en dat hij, indien hij onreinheid of onrechtvaardigheid beoefent, niet kan verwachten als God te worden en de beloning te ontvangen (1Jo 3:2, 3). Hoop houdt nauw verband met de grootste eigenschap, liefde, want wie God werkelijk liefheeft, zal ook zijn hoop op al Gods beloften vestigen. Bovendien zal hij het beste voor zijn broeders in het geloof hopen, omdat hij hen liefheeft en het vertrouwen bezit dat zij als christenen oprecht van hart zijn. (1Kor 13:4, 7; 1Th 2:19).

Het is nog steeds niet te laat. Men kan nog altijd zich keren en een nieuwe richting uit gaan. Ongelovigen kunnen zich bekeren en door de doop kunnen zij bestatigen dat zij in de beloften van Jehovah geloven. Voor iedereen is alzo een eeuwig koninkrijk in handbereik.

De Verwachting nu.

In veel profetische bijbelboeken staan goddelijke beloften over de terugkeer van de Israëlieten uit de landen van hun ballingschap naar hun eigen, woest gelegde land. God zou erop toezien dat het verlaten land bebouwd en bezaaid zou worden, zodat het rijkelijk vrucht zou dragen en het er zou wemelen van mensen en dieren; de steden zouden herbouwd en bewoond worden, en men zou zeggen: „Dat land daar dat woest gelegd werd, is geworden gelijk de tuin van Eden” (Ezra 36:6-11, 29, 30, 33-35; vgl. Jesaja 51:3; Jeremia 31:10-12; Ezra 34:25-27). Deze profetieën laten echter ook zien dat de paradijselijke omstandigheden betrekking hadden op de mensen, die wegens hun getrouwheid aan God nu als „bomen der rechtvaardigheid” konden „uitspruiten” en bloeien, en zich als in een „welbesproeide tuin” in een prachtige geestelijke voorspoed konden verheugen, omdat zij tengevolge van Gods gunst rijkelijk gezegend zouden worden (Jesaja 58:11; 61:3, 11; Jeremia 31:12; 32:41; vgl. Psalmen 1:3; 72:3, 6-8, 16; 85:10-13; Jesaja 44:3, 4). De Israëlieten waren Gods wijngaard geweest, zijn planting, maar hun slechtheid en afval van de ware aanbidding hadden tot gevolg dat hun geestelijke gebied nog vóór de letterlijke woestlegging van hun land figuurlijk gesproken ’verwelkte’. — Vgl. Exodus 15:17; Jesaja 5:1-8; Jeremia 2:21.

Profetieën, of het nu voorzeggingen, louter geïnspireerde aanwijzingen of terechtwijzingen waren, dienden niet alleen tot nut van degenen die ze aanvankelijk hoorden, maar ook van degenen die in alle toekomstige tijdperken geloof zouden stellen in Gods beloften.

Vandaag de dag wordt iedereen in de mogelijkheid gesteld zelf keuzes te maken. Iedereen kan dingen onderzoek, er over na denken, bezinnen en besluiten trekken.

Jezus regeert nog niet op de troon van David, wat hij zal doen bij zijn terugkeer naar de aarde. (Handelingen 3:19-21) [34]

Het voortbestaan van de Joodse natie maakt slechts deel uit van een eerste fase van het goddelijk Plan.  De volken, zullen het woord van Jehovah horen en het op de verste eilanden bekend maken. Hij die het volk van Israël verstrooid heeft, brengt het ook weer bijeen. Hij hoedt het als een herder zijn kudde. (Jeremia 31:10) [35]

Na een tijd van beproeving zullen de Joden terug de zegeningen van God ontvangen welke Jehovah steeds voor hen heeft voorbehouden.

“21 En spreek tot hen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Ziet, ik neem de zonen van Israël weg van onder de natiën waarheen zij gegaan zijn, en ik wil hen van rondom bijeenbrengen en hen op hun grond brengen. 22 En ik zal hen werkelijk tot één natie in het land maken, op de bergen van Israël, en één koning zullen zij allen tot koning krijgen, en zij zullen niet langer twee natiën blijven, noch zullen zij nog langer in twee koninkrijken verdeeld zijn. 23 En zij zullen zich niet langer verontreinigen met hun drekgoden en met hun walgelijkheden en met al hun overtredingen; en ik zal hen stellig redden uit al hun woonplaatsen waarin zij gezondigd hebben, en ik wil hen reinigen, en zij moeten mijn volk worden, en ikzelf zal hun God worden.” (Ezechiël 37:21-23 NWV)

Heeft God ook beloften voor U?

Ja, ook voor U heeft God beloften weggelegd. Op voorwaarde dat u klaar bent om ze aan te nemen heeft God beloften die ook voor u in vervulling kunnen komen. Maar dan moet u eerst en vooral geloven in het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God. (Markus 16:16)

“6 Wie gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.” (Markus 16:15-16 NWV) [36]

Indien u werkelijk wil geloven in de naam van diegene die gezonden is als Verlosser en in de Naam van diegene die gezonden heeft bent u al in het goede “speelvlak” Als u gelooft in de zoon van God is het ook voor u weggelegd om eeuwig leven te mogen ontvangen. Daarnaast moet dan er nog bijkomen dat u van Jezus houdt en zijn geboden onderhoudt, in het vertrouwen zijnde dat Jezus ons niet in de steek zal laten.

(Johannes 14:15-21 NWV) : 15 Indien GIJ mij liefhebt, zult GIJ mijn geboden onderhouden; 16 en ik zal de Vader een verzoek doen en hij zal U een andere helper geven om voor altijd bij U te zijn, 17 de geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, omdat ze hem niet ziet en niet kent. GIJ kent hem, want hij blijft bij U en is in U. 18 Ik zal U niet beroofd achterlaten. Ik kom tot U. 19 Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer aanschouwen, maar GIJ zult mij aanschouwen, want ik leef en GIJ zult leven. 20 Op die dag zult GIJ weten dat ik in eendracht met mijn Vader ben en GIJ in eendracht met mij zijt en ik in eendracht met U ben. 21 Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, die is het die mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden, en ik zal hem liefhebben en zal mij duidelijk aan hem laten zien.”

Indien wij onze hoop op Christus hebben gesteld en zijn liefde ook naar anderen toepassen terwijl wij ons aan zijn geboden houden heeft God voor ons de belofte weggelegd dat wij van Zijn zgeningen zullen kunnen genieten. Ook al zouden wij geen Jood of Griek zijn wij zouden toch deelgenoot kunnen wordne van de Grote Joodse Natie of Gods Volk Israël.

“28 Er is noch jood noch Griek, er is noch slaaf noch vrije, er is noch man noch vrouw, want GIJ zijt allen één [persoon] in eendracht met Christus Jezus. 29 Bovendien, wanneer GIJ Christus toebehoort, zijt GIJ werkelijk Abrahams zaad, erfgenamen met betrekking tot een belofte.” (Galaten 3:28-29 NWV) [37]

Door u te laten dopen zal u tot die ene gemeenschap in één Geest kunnen zijn. En daardoor één lichaam worden, want wij zijn “allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.” (1 Korinthiërs 12:13)

“Dan is er geen sprake meer van heiden of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Daar is alleen Christus, alles in allen.” (Collosenzen 3:11 WV78)

Denk daarom na! Tot welke groep wenst u te behoren?

Jehovah, Jahweh, God de Allerhoogste heeft belooft dat u kunt opstaan vanuit de doden, u een eeuwig leven moogt hebben, u verlost mag zijn van alle moeilijkheden,u voor altijd samen met Jezus in zijn Koninkrijk moogt samen wonen.

Nooit heeft iemand u betere beloften kunnen aanbieden.

Deze precieze door God gedane beloften zullen alle getrouwen te beurt vallen. En nu u de sleutel tot deze zegeningen kent kan u ze ook waar maken voor u, door vast te houden aan de goede dingen. Want wij horen God te vrezen en Zijn geboden te onderhouden. “Want van alles wat je doet, zelfs in het verborgene, zal Gods oordeel uitwijzen of het goed is of kwaad.” (Predikers 12:14 WV78) [38]

God nodigt ons uit om deelgenoten te worden van Zijn beloften.

Aanvaard de uitnodiging want dat is de enige wijze waarop u een zorgen vrij eeuwig leven zal kunnen verwerven.

Besluiten

Geloof in Gods beloften is een bron van veel troost en geestelijke kracht.

Door de bijbel serieus te bestuderen, zult u duidelijk gaan inzien wie Jehovah is en waarom hij uw absolute vertrouwen verdient (Openbaring 4:11). Abraham, Sara, Isaäk, Jakob en andere getrouwen uit de oudheid bezaten een onwankelbaar geloof, gebaseerd op hun grondige kennis van de ware God, Jehovah. Zij bleven krachtig in hun hoop, ondanks het feit dat zij „de vervulling van de beloften niet [tijdens hun leven] verkregen”. Toch „hebben [zij] ze van verre gezien en begroet”. (Hebreeën 11:13).

Door ons begrip van bijbelse profetieën zien wij „de grote dag van God de Almachtige”, waarop de aarde van alle goddeloosheid gereinigd zal worden, thans nabijkomen (Openbaring 16:14, 16). Net als de getrouwen uit de oudheid moeten wij, gemotiveerd door geloof alsook door liefde voor God en voor „het werkelijke leven”, toekomstige gebeurtenissen met vertrouwen blijven verwachten. De nabijheid van de nieuwe wereld vormt een krachtige aansporing voor degenen die geloof oefenen in Jehovah en hem liefhebben. Zo’n geloof en liefde moeten ontwikkeld worden willen wij tijdens Gods grote dag, die nabij is, zijn gunst en bescherming genieten. —(Zefanja 2:3; 2 Thessalonicenzen 1:3; Hebreeën 10:37-39) [39].

Jehovah veroorzaakt, progressief handelend, dat hij de Vervuller van al zijn beloften wordt. Dientengevolge wordt er van Jehovah gezegd dat hij zijn voornemen met betrekking tot toekomstige gebeurtenissen of daden ’vorm geeft’, of formeert (2 Koningen 19:25; Jesaja 46:11). Deze termen komen van het Hebreeuwse woord ja·tsar’, dat verwant is aan het woord dat „pottenbakker” betekent (Jeremia 18:4). Net als een bekwame pottenbakker een klomp klei tot een prachtige vaas kan vormen, kan Jehovah dingen vormen of manoeuvreren om zijn wil te volbrengen. — Efeziërs 1:11.

Hoewel Jehovah mensen heeft toegestaan hun vrije wil te gebruiken en met onafhankelijke heerschappij te experimenteren, is hij geen gedragslijn van afzijdigheid ten aanzien van de aangelegenheden op aarde gaan volgen die ons weinig hoop zou laten dat hij zijn beloften zal vervullen.

Hoewel Adam en Eva tegen Gods soevereiniteit in opstand kwamen, heeft Jehovah zijn liefdevolle voornemen met de aarde en de mensheid niet gewijzigd. Hij zal zonder mankeren de aarde veranderen in een paradijs dat bewoond wordt door volmaakte, gehoorzame en gelukkige mensen (Lukas 23:42, 43). Het Bijbelse verslag vanaf Genesis tot Openbaring beschrijft hoe Jehovah er progressief aan heeft gewerkt om dat doel te verwezenlijken.

U kunt u absoluut op Jehovah’s beloften verlaten. Zijn dienstknecht Jozua heeft dit beslist gedaan. Zonder enig voorbehoud zei hij tot Gods volk in de oudheid: „Gij weet zeer goed met geheel uw hart en met geheel uw ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor u uitgekomen. Geen woord daarvan is onvervuld gebleven” (Jozua 23:14).

Laat u, terwijl het huidige samenstel van dingen voortbestaat, derhalve niet overweldigen door de beproevingen waaraan u misschien het hoofd moet bieden. Werp al uw bezorgdheid op Jehovah, want hij bekommert zich echt om u. (1 Petrus 5:7).

Wacht niet tot morgen maar gaat vandaag in op God’s uitnodiging om Jezus Christus te volgen. Durf de smalle poort door te gaan en de nauwe weg op te lopen naar de volbrenger van Gods beloften.

Bekeer u en laat u dopen en verenigd u met diegenen die als broeders en zusters in Christus één lichaam voor God willen zijn.



[1] 26 In werkelijkheid zijt GIJ allen zonen van God door middel van UW geloof in Christus Jezus. 27 Want GIJ allen die in Christus werd gedoopt, hebt Christus aangedaan. 28 Er is noch jood noch Griek, er is noch slaaf noch vrije, er is noch man noch vrouw, want GIJ zijt allen één [persoon] in eendracht met Christus Jezus. 29 Bovendien, wanneer GIJ Christus toebehoort, zijt GIJ werkelijk Abrahams zaad, erfgenamen met betrekking tot een belofte. (Galaten 3:26-29 NWV)

16 En allen die volgens deze gedragsregel ordelijk zullen wandelen, op hen zij vrede en barmhartigheid, ja, op het Israël Gods. (Galaten 6:15-16 NWV)

[2]  8 Maar God beveelt zijn eigen liefde jegens ons hierin aan, dat Christus voor ons is gestorven terwijl wij nog zondaars waren. (Romeinen 5:7-8 NWV)

9 Hierdoor werd de liefde Gods in ons geval openbaar gemaakt, dat God zijn eniggeboren Zoon naar de wereld heeft uitgezonden, opdat wij door bemiddeling van hem leven zouden verwerven. (1 Johannes 4:9 NWV)

[3]  Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die een weinig lager dan engelen gemaakt was, met heerlijkheid en eer gekroond omdat hij de dood heeft ondergaan, opdat hij door Gods onverdiende goedheid voor iedereen de dood zou smaken. (Hebreeën 2:8-9 NWV)

13 Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden. (Johannes 15:12-13 NWV)

[4] 29 Hoeveel zwaarder straf, dunkt U, zal dan niet hij waardig gerekend worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden en die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd, als van gewone waarde heeft geacht en die de geest der onverdiende goedheid met verachting heeft gekrenkt? (Hebreeën 10:28-29 NWV)

[5] Reeds de eerste mensen keerden zich tegen God. Jehovah verbood het eerste mensenpaar van de boom der kennis van goed en kwaad in Eden te eten, en zij kregen hierdoor onmiddellijk de gelegenheid hun gehoorzaamheid te tonen — hun wens om op Jehovah’s weg te wandelen (Genesis 2:17). Maar weldra werd die gehoorzaamheid op de proef gesteld. Toen Satan met zijn misleidende woorden kwam, moesten Adam en Eva, wilden zij gehoorzaam blijven, van loyaliteit aan Jehovah blijk geven en vertrouwen in Zijn beloften hebben. Helaas ontbrak het hun aan loyaliteit en vertrouwen. Toen Satan Eva onafhankelijkheid aanbood en Jehovah er valselijk van beschuldigde te liegen, werd zij bedrogen en was zij God ongehoorzaam. Adam volgde haar in de zonde (Genesis 3:1-6; 1 Timotheüs 2:14). De verliezen die zij hierdoor leden, waren enorm. Wanneer zij op Jehovah’s weg waren blijven wandelen, zou dit hun steeds meer vreugde geschonken hebben terwijl zij geleidelijk zijn wil ten uitvoer hadden gebracht. In plaats daarvan was hun leven gevuld met teleurstelling en pijn totdat de dood hen opeiste. (Genesis 3:16-19; 5:1-5).

[6]  6 Nu ging Jehovah aan zijn aangezicht voorbij en riep: „Jehovah, Jehovah, een God barmhartig en goedgunstig, langzaam tot toorn en overvloedig in liefderijke goedheid en waarheid, 7 die liefderijke goedheid bewaart voor duizenden, die dwaling en overtreding en zonde vergeeft, maar hij zal geenszins vrijstelling van straf geven, daar hij straf voor de dwaling van vaders brengt over zonen en over kleinzonen, over het derde geslacht en over het vierde geslacht.” (Exodus 34:6-7 NWV)

31 En in uw overvloedige barmhartigheid hebt gij hen niet uitgeroeid en hen niet verlaten; want gij zijt een goedgunstige en barmhartige God. (Nehemia 9:30-31 NWV)

15 Maar gij, o Jehovah, zijt een God barmhartig en goedgunstig, Langzaam tot toorn en overvloedig in liefderijke goedheid en waarachtigheid. (Psalm 86:15 NWV)

[7] Gods doel is dat “29 De rechtvaardigen, díe zullen de aarde bezitten, En zij zullen er eeuwig op verblijven. (Psalm 37:29 NWV)

19 Waarlijk, ik neem heden de hemel en de aarde tegen U tot getuigen, dat ik u het leven en de dood heb voorgelegd, de zegen en de vervloeking; en gij moet het leven kiezen, opdat gij moogt blijven leven, gij en uw nageslacht, 20 door Jehovah, uw God, lief te hebben, door naar zijn stem te luisteren en door hem aan te hangen; want hij is uw leven en de lengte uwer dagen, opdat gij moogt wonen op de bodem die Jehovah uw voorvaders Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heeft hun te geven.” (Deuteronomium 30:19-20 NWV)

9 Want de boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, Maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten. (Psalm 37:9 NWV)

[8]  20 Want ongeacht hoe vele Gods beloften zijn, ze zijn Ja geworden door tussenkomst van hem. Daarom wordt ook door bemiddeling van hem het „Amen” [gezegd], tot heerlijkheid van God door bemiddeling van ons. (2 Korinthiërs 1:19-20 NWV)

15 En ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Hij zal u in de kop vermorzelen en gij zult hem in de hiel vermorzelen.” (Genesis 3:15 NWV)

7 En ik wil mijn verbond gestand doen tussen mij en u en uw zaad na u overeenkomstig hun geslachten, als een verbond tot onbepaalde tijd, om mij aan u en aan uw zaad na u als God te doen kennen. 8 En ik wil aan u en aan uw zaad na u het land van uw inwonende vreemdelingschap geven, ja, het gehele land Kanaän, als een bezit tot onbepaalde tijd; en ik zal mij stellig aan hen als God doen kennen.” (Genesis 17:7-8 NWV)

10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de gebiedersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt; en aan hem zal de gehoorzaamheid der volken behoren. (Genesis 49:10 NWV)

[9] “Verwondert u niet hierover: er zal een uur komen, waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel.” (Joh 5:28-29 WV78)

20 Maar nu is Christus uit de doden opgewekt, de eersteling van hen die ontslapen zijn. 21 Want aangezien de dood door een mens is, is ook de opstanding der doden door een mens. 22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in de Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar een ieder in zijn eigen rangorde: Christus, de eersteling, daarna zij die de Christus toebehoren, gedurende zijn tegenwoordigheid. 24 Vervolgens het einde, wanneer hij het koninkrijk aan zijn God en Vader overdraagt, wanneer hij alle regering en alle autoriteit en kracht heeft tenietgedaan. 25 Want hij moet als koning regeren totdat [God] alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. 26 Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan. 27 Want [God] „heeft alle dingen onder zijn voeten onderworpen”. Maar wanneer hij zegt dat ’alle dingen onderworpen zijn’, is het duidelijk dat dit met uitzondering is van degene die alle dingen aan hem onderwierp. 28 Wanneer echter alle dingen aan hem onderworpen zullen zijn, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God alles zij voor iedereen. (1 Korinthiërs 15:20-28 NWV)

[10]  29 Hoeveel zwaarder straf, dunkt U, zal dan niet hij waardig gerekend worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden en die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd, als van gewone waarde heeft geacht en die de geest der onverdiende goedheid met verachting heeft gekrenkt? (Hebreeën 10:28-29 NWV)

[11] “Geen van Sions burgers zal dan nog verklaren: ‘Ik ben ziek’; het volk dat er woont, krijgt vergiffenis van zijn zonden.” (Jes 33:24 WV78)

[12] 8 En ik ga ertoe over neer te dalen om hen uit de hand van de Egyptenaren te bevrijden en hen uit dat land op te voeren naar een goed en uitgestrekt land, naar een land vloeiende van melk en honing, naar de plaats van de Kanaänieten en de Hethieten en de Amorieten en de Ferezieten en de Hevieten en de Jebusieten. (Exodus 3:7-8 NWV)

[13]  19 En ik, ja ik, weet heel goed dat de koning van Egypte U geen toestemming zal geven om te gaan behalve door een sterke hand. (Exodus 3:18-19 NWV)

[14]  38 Ik ben Jehovah, UW God, die U uit het land Egypte heb geleid om U het land Kanaän te geven, om mij als UW God te doen kennen. (Leviticus 25:37-38 NWV)

 7 En ik zal U stellig mij tot volk nemen, en ik zal inderdaad bewijzen U tot God te zijn; en GIJ zult stellig weten dat ik Jehovah, UW God, ben, die U van onder de lasten van Egypte uitleid. 8 En ik zal U stellig brengen naar het land waaromtrent ik mijn hand in een eed heb opgeheven om het aan Abraham, Isaäk en Jakob te geven; en ik zal het U inderdaad tot een bezitting geven. Ik ben Jehovah.’ (Exodus 6:6-8 NWV)

41 Ik ben Jehovah, UW God, die U uit het land Egypte heb geleid om mij als UW God te doen kennen. Ik ben Jehovah, UW God.’” (Numeri 15:41 NWV)

15 Toen zei God nogmaals tot Mozes:
„Dit dient gij tot de zonen van Israël te zeggen: ’Jehovah, de God van UW voorvaders, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, heeft mij tot U gezonden.’ Dit is mijn naam tot onbepaalde tijd, en dit is de gedachtenis aan mij van geslacht tot geslacht. 16 Ga, en gij moet de oudere mannen van Israël vergaderen, en gij moet tot hen zeggen: ’Jehovah, de God van UW voorvaders, is mij verschenen, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, en heeft gezegd: „Voorwaar, ik zal zonder mankeren aandacht aan U schenken en aan wat U in Egypte wordt aangedaan. 17 En daarom zeg ik: Ik zal U uit de door de Egyptenaren [teweeggebrachte] ellende opvoeren naar het land van de Kanaänieten en de Hethieten en de Amorieten en de Ferezieten en de Hevieten en de Jebusieten, naar een land vloeiende van melk en honing. (Exodus 3:15-17 NWV)

[15]  21 En daarentegen zal, zo waar ik leef, de gehele aarde met de heerlijkheid van Jehovah vervuld worden. (Numeri 14:20-21 NWV)

19 En gezegend zij zijn glorierijke naam tot onbepaalde tijd, En zijn heerlijkheid vervulle de gehele aarde.
Amen en Amen. (Psalm 72:19 NWV)

14 Want de aarde zal vervuld zijn van het kennen van Jehovah’s heerlijkheid, ja, zoals de wateren [de] zee bedekken. (Habakuk 2:14 NWV)

[16] “Maar zowaar Ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van Jahwe: geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar Mij te luisteren, geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van die Mij versmaad hebben, zal het zien.” (Numerieken 14:21-23 WV78)

“maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers, zij werden neergeveld in de woestijn.” (1 Korinthiërs 10:5 WV78)

65 Want Jehovah had betreffende hen gezegd: „Zij zullen zonder mankeren in de wildernis sterven.” Van hen was er dus geen man overgebleven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. (Numeri 26:65 NWV)

18 Maar aan wie anders zwoer hij dat zij zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen die ongehoorzaam handelden? 19 Zo zien wij dat zij niet konden ingaan wegens ongeloof. (Hebreeën 3:18-19 NWV)

[17] “Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed, dat van alle heerlijke beloften die Jahwe, uw God, u gedaan heeft, er niet een onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet een woord ervan is onvervuld gebleven.” (Jozua 23:14 WV78)

45 Geen belofte bleef onvervuld van heel de goede belofte die Jehovah het huis van Israël had gedaan; alles kwam uit. (Jozua 21:45 NWV)

56 „Gezegend zij Jehovah, die zijn volk Israël een rustplaats heeft gegeven overeenkomstig alles wat hij beloofd heeft. Niet één woord van heel zijn goede belofte die hij door bemiddeling van zijn knecht Mozes heeft gedaan, is onvervuld gebleven. (1 Koningen 8:56 NWV)

19 En Samuël groeide verder op, en Jehovah zelf bleek met hem te zijn en liet niet één van al zijn woorden ter aarde vallen. (1 Samuël 3:19 NWV)

17 Op deze manier is God, toen hij zich voornam om aan de erfgenamen van de belofte nog overvloediger de onveranderlijkheid van zijn raad te bewijzen, tussenbeide gekomen met een eed, 18 opdat wij, die naar de veilige plaats zijn gevlucht, door middel van twee onveranderlijke dingen, waarin God onmogelijk kan liegen, een krachtige aanmoediging mogen hebben om de hoop te grijpen die ons in het vooruitzicht is gesteld. (Hebreeën 6:16-18 NWV)

[18]  22 Hierop zei Abram tot de koning van Sodom: „Waarlijk, ik hef mijn hand op [in een eed] tot Jehovah, de Allerhoogste God, Voortbrenger van hemel en aarde, 23 dat ik nog geen draad of sandaalriem, neen, niets van wat ook maar het uwe is zal nemen, opdat gij niet kunt zeggen: ’Ík heb Abram rijk gemaakt.’ (Genesis 14:21-23 NWV)

[19] 7 Nu verscheen Jehovah aan Abram en zei: „Aan uw zaad zal ik dit land geven.” … (Genesis 12:6-7 NWV)

14 En Jehovah zei tot Abram, nadat Lot zich van hem had afgescheiden: „Sla alstublieft uw ogen op en kijk van de plaats waar gij zijt naar het noorden en naar het zuiden en naar het oosten en naar het westen, 15 want het gehele land waarnaar gij kijkt, zal ik aan u en aan uw zaad geven, tot onbepaalde tijd. 16 En ik wil uw zaad maken als de stofdeeltjes van de aarde, zodat indien een mens in staat zou zijn de stofdeeltjes van de aarde te tellen, uw zaad ook geteld zou kunnen worden. (Genesis 13:14-16 NWV)

8 En ik wil aan u en aan uw zaad na u het land van uw inwonende vreemdelingschap geven, ja, het gehele land Kanaän, als een bezit tot onbepaalde tijd; en ik zal mij stellig aan hen als God doen kennen.” (Genesis 17:7-8 NWV)

7 Hebt gijzelf, o onze God, de bewoners van dit land niet van voor het aangezicht van uw volk Israël verdreven en het vervolgens tot onbepaalde tijd aan het zaad van Abraham, die u liefhad, gegeven? (2 Kronieken 20:7 NWV)

[20] 15 Voorts zei God tot Abraham: „Wat uw vrouw Sarai betreft, gij moet haar naam niet Sarai noemen, want Sara is haar naam. 16 En ik wil haar zegenen en u ook een zoon uit haar geven; en ik wil haar zegenen en zij zal stellig tot natiën worden; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.” 17 Hierop viel Abraham op zijn aangezicht en lachte en zei in zijn hart: „Zal aan een honderd jaar oude man een kind geboren worden, en zal Sara, ja, zal een negentig jaar oude vrouw baren?” (Genesis 17:15-17 NWV)

21 En Jehovah richtte zijn aandacht op Sara, juist zoals hij had gezegd, en Jehovah deed nu aan Sara juist zoals hij had gesproken. 2 En Sara werd zwanger en baarde Abraham vervolgens een zoon op zijn oude dag, op de bestemde tijd waarvan God tot hem gesproken had. 3 Bijgevolg gaf Abraham zijn zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, de naam Isaäk. 4 Voorts besneed Abraham zijn zoon Isaäk toen deze acht dagen oud was, juist zoals God hem geboden had. 5 En Abraham was honderd jaar oud toen hem zijn zoon Isaäk geboren werd. 6 Toen zei Sara: „God heeft mij een lachen bereid: iedereen die het hoort, zal om mij lachen.” 7 En zij voegde eraan toe: „Wie zou tot Abraham [de woorden] hebben geuit: ’Sara zal stellig kinderen zogen’, aangezien ik op zijn oude dag een zoon heb gebaard?” (Genesis 21:1-7 NWV)

[21] “Toen riep de engel van Jahwe voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham en zei: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen - spreekt Jahwe -, omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.’” (Ge 22:15-18 WV78)

[22] 17 Door geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Isaäk zo goed als geofferd, en hij die met blijdschap de beloften had ontvangen, poogde [zijn] eniggeboren [zoon] te offeren, 18 alhoewel er tot hem was gezegd: „Wat ’uw zaad’ genoemd zal worden, zal door bemiddeling van Isaäk zijn.” 19 Maar hij was van oordeel dat God hem zelfs uit de doden kon opwekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van illustratie ontvangen. (Hebreeën 11:17-19 NWV)

[23] 3 Vertoef als vreemdeling in dit land, en ik zal met u blijven en u zegenen, want aan u en aan uw zaad zal ik al deze landen geven, en ik wil de beëdigde verklaring die ik aan uw vader Abraham heb gezworen, gestand doen: 4 ’En ik wil uw zaad vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel en ik wil aan uw zaad al deze landen geven; en door bemiddeling van uw zaad zullen alle natiën der aarde zich stellig zegenen’, 5 ten gevolge van het feit dat Abraham naar mijn stem heeft geluisterd en zijn plichten jegens mij, mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten steeds in acht heeft genomen.” (Genesis 26:3-5 NWV)

13 En zie! Jehovah stond bovenaan, en hij zei vervolgens:

„Ik ben Jehovah, de God van uw vader Abraham en de God van Isaäk. Het land waarop gij ligt, aan u zal ik het geven en aan uw zaad. 14 En uw zaad zal stellig als de stofdeeltjes van de aarde worden, en gij zult u stellig uitbreiden naar het westen en naar het oosten en naar het noorden en naar het zuiden, en door bemiddeling van u en door bemiddeling van uw zaad zullen alle families van de aardbodem zich stellig zegenen. 15 En zie, ik ben met u en ik wil u behoeden, overal waar gij gaat, en ik wil u naar deze grond terugbrengen, want ik zal u niet verlaten totdat ik metterdaad heb gedaan wat ik tot u gesproken heb.” (Genesis 28:13-15 NWV)

[24]  14 Maar hun geestelijke vermogens waren afgestompt. Want tot op de huidige dag blijft dezelfde sluier bij het lezen van het oude verbond onopgetild, omdat hij door bemiddeling van Christus wordt weggedaan. (2 Korinthiërs 3:13-14 NWV)

[25] “‘Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij.” (Exodus 20:2-3 WV78)

10 Ik, Jehovah, ben uw God, Die u uit het land Egypte heeft opgevoerd. Doe uw mond wijd open, en ik zal hem vullen. (Psalm 81:10 NWV)

4 Maar ik ben Jehovah, uw God, van het land Egypte af, en er was geen God behalve mij die gij placht te kennen; en er was geen redder dan ik. (Hosea 13:4 NWV)

[26]  … „en word niet met verschrikking geslagen, o Israël. Want zie, ik red u uit verre [streken] en uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap. En Jakob zal stellig terugkeren en rust genieten en onbezorgd zijn, en er zal niemand zijn die beving verwekt.”

11 „Want ik ben met u”, is de uitspraak van Jehovah, „om u te redden; maar ik zal een verdelging aanrichten onder al de natiën waarheen ik u verstrooid heb. In uw geval zal ik echter geen verdelging aanrichten. En ik zal u in de juiste mate moeten corrigeren, daar ik u geenszins ongestraft zal laten.” (Jeremia 30:10-11)

“Wees niet bang voor hen, want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe.” (Jer 1:8 WV78)

19 En zij zullen stellig tegen u strijden, maar zij zullen u niet overmeesteren, want ’ik ben met u’, is de uitspraak van Jehovah, ’om u te bevrijden’.” (Jeremia 1:19 NWV)

15 En zie, ik ben met u en ik wil u behoeden, overal waar gij gaat, en ik wil u naar deze grond terugbrengen, want ik zal u niet verlaten totdat ik metterdaad heb gedaan wat ik tot u gesproken heb.” (Genesis 28:14-15 NWV)

12 Hierop zei hij: „Omdat ik zal bewijzen met u te zijn, en dit is voor u het teken dat ik het ben die u gezonden heb: Nadat gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gijlieden de [ware] God dienen op deze berg.” (Exodus 3:11-12 NWV)

5 Niemand zal zich voor u krachtig staande kunnen houden, al de dagen van uw leven. (Jozua 1:4-5 NWV)

[27]  11 ja, van de dag af dat ik rechters over mijn volk Israël heb aangesteld; en ik wil u rust geven van al uw vijanden.

En Jehovah heeft u te kennen gegeven dat Jehovah u een huis zal maken. 12 Wanneer uw dagen hun volle duur bereiken en gij bij uw voorvaders moet neerliggen, dan zal ik stellig uw zaad na u verwekken, dat uit uw inwendige delen zal komen; en ik zal zijn koninkrijk waarlijk stevig bevestigen. 13 Hij is het die mijn naam een huis zal bouwen, en ik zal de troon van zijn koninkrijk stellig tot onbepaalde tijd stevig bevestigen. 14 Ík zal zijn vader worden, en híj zal mijn zoon worden. Wanneer hij verkeerd doet, dan wil ik hem terechtwijzen met de roede van mensen en met de slagen van de zonen van Adam. 15 Wat mijn liefderijke goedheid betreft, ze zal niet van hem wijken, zoals ik haar van Saul heb verwijderd, die ik wegens u heb verwijderd. 16 En uw huis en uw koninkrijk zullen stellig tot onbepaalde tijd bestendig zijn voor uw aangezicht; ja, uw troon zal er een worden die tot onbepaalde tijd stevig bevestigd is.”’” (2 Samuël 7:10-16 NWV)

10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de gebiedersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt; en aan hem zal de gehoorzaamheid der volken behoren. (Genesis 49:10 NWV)

20 En Jehovah heeft vervolgens zijn woord dat hij gesproken had gestand gedaan, opdat ik zou opstaan in de plaats van mijn vader David en op de troon van Israël zou zitten, juist zoals Jehovah gesproken had, en opdat ik het huis voor de naam van Jehovah, de God van Israël, zou bouwen, 21 en opdat ik er een plaats zou bepalen voor de Ark, waar het verbond van Jehovah is dat hij met onze voorvaders gesloten heeft toen hij hen uitleidde uit het land Egypte.” (1 Koningen 8:20-21 NWV)

11 Jehovah heeft aan David gezworen, Waarlijk, hij zal er niet op terugkomen: „Van de vrucht van uw buik Zal ik op uw troon zetten. (Psalm 132:11 NWV)

7 En ik zal zijn koningschap stellig tot onbepaalde tijd stevig bevestigen indien hij vastbesloten zal zijn naar mijn geboden en mijn rechterlijke beslissingen te handelen, zoals op deze dag. (1 Kronieken 28:7 NWV)

4 ’Ja, tot onbepaalde tijd zal ik uw zaad stevig bevestigen, En ik wil uw troon bouwen van geslacht tot geslacht.’” Sela. (Psalm 89:4 NWV)

[28] 10 Want gij zult mijn ziel in Sjeool niet verlaten. Gij zult niet toelaten dat hij die jegens u loyaal is, de kuil ziet. (Psalm 16:10 NWV) “(49:16)

Maar mij bevrijdt God uit de greep van het dodenrijk: Hij neemt mij tot zich.” (Psalm 49:15 WV78)

“Daarom zegt Hij nog op een andere plaats: Gij zult uw Heilige het bederf niet laten zien.” (Handelingen der Apostelen 13:35 WV78)

[29] 15 En de zevende engel blies op zijn trompet. En er weerklonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: „Het koninkrijk der wereld is het koninkrijk van onze Heer en van zijn Christus geworden, en hij zal als koning regeren tot in alle eeuwigheid.” (Openbaring 11:15 NWV)

35 noch bij de aarde, want ze is de voetbank van zijn voeten; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. (Mattheüs 5:35 NWV)

4 Ik gelast u plechtig voor het aangezicht van God en Christus Jezus, die de levenden en de doden zal oordelen, en krachtens zijn manifestatie en zijn koninkrijk: 2 predik het woord … (2 Timotheüs 4:1-2 NWV) “en weest de zoon onderdanig, opdat hij niet zich vertoornt en gij omkomen zoudt op uw weg. Want licht kan ontbranden zijn gramschap! Gelukkig te prijzen dan allen die toevlucht vinden bij Hem!” (Ps 2:12 WV78)

[30] “Alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle volken zullen Hem dienen.” (Psalmen 72:11 LU)

23 En koningen moeten verzorgers voor u worden, en hun vorstinnen voedsters voor u. Met het aangezicht ter aarde zullen zij zich voor u neerbuigen, en het stof van uw voeten zullen zij oplikken; en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben, dat wie op mij hopen, niet beschaamd zullen worden.” (Jesaja 49:23 NWV)

[31] “Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken” (Lukas 1:32 WV78)

“Luid schreeuwend riep hij: ‘Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste! Ik bezweer U bij God, kwel mij niet!” (Markus 5:7 WV78)

“Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God.” (Lukas 1:35 WV78)

54 De legeroverste echter en zij die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en al wat er gebeurde, zeer bevreesd en zij zeiden: „Waarlijk, dit was Gods Zoon.” (Mattheüs 27:54 NWV)

49 Nathanaël antwoordde hem: „Rabbi, gij zijt de Zoon van God, gij zijt Koning van Israël.” 50 Jezus gaf hem ten antwoord: „Omdat ik tot u zei dat ik u onder de vijgeboom zag, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze.” (Johannes 1:49-50 NWV)

[32] 11 En er moet een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï; en uit zijn wortels zal een spruit vruchtbaar zijn. 2 En op hem moet de geest van Jehovah komen te rusten, de geest van wijsheid en van verstand, de geest van raad en van kracht, de geest van kennis en van de vrees voor Jehovah; 3 en hij zal vreugde scheppen in de vrees voor Jehovah. (Jesaja 11:1-3 NWV )

10 En het moet geschieden op die dag dat de wortel van Isaï er zal zijn, die daar zal staan tot een signaal voor de volken. Tot hem zullen zelfs de natiën zich vragend wenden, en zijn rustplaats moet heerlijk worden. (Jesaja 11:10 NWV)

1 Het boek van de geschiedenis van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham: (Mattheüs 1:1 NWV)

44 En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. (Daniël 2:44 NWV)

14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. (Daniël 7:14 NWV)
 8 Maar met betrekking tot de Zoon: „God is uw troon in alle eeuwigheid, en [de] scepter van uw koninkrijk is de scepter van recht. (Hebreeën 1:8 NWV)

[33] (Romeinen 3:19-20 NWV) 19 Nu weten wij dat de Wet al wat ze zegt, richt tot hen die onder de Wet zijn, zodat elke mond wordt gestopt en de gehele wereld voor bestraffing door God in aanmerking komt. 20 Daarom zal door de werken der wet geen vlees rechtvaardig verklaard worden voor hem, want door de wet is de nauwkeurige kennis van zonde

[34] 19 Hebt daarom berouw en keert U om, opdat UW zonden worden uitgewist, opdat er tijden van verkwikking mogen komen van de persoon van Jehovah 20 en hij de voor U bestemde Christus moge uitzenden, Jezus, 21 die weliswaar in de hemel zelf moet verblijven tot de tijden van het herstel van alle dingen, waarover God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher heeft gesproken. (Handelingen 3:19-21 NWV)

[35] 10 Hoort het woord van Jehovah, o GIJ natiën, en vertelt [het] op de eilanden ver weg, en zegt: „Degene die Israël verstrooide, zal het zelf bijeenbrengen, en hij zal het stellig behoeden zoals een herder zijn kudde. (Jeremia 31:10 NWV)

4 Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, Jehovah, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en u vandaar halen. (Deuteronomium 30:3-4 NWV)

12 Ik zal Jakob beslist vergaderen, in zijn geheel; ik zal de overgeblevenen van Israël zonder mankeren bijeenbrengen. In eenheid zal ik hen stellen, als schapen in de kooi, als een kudde midden in haar weide; het zal er gonzen van mensen.’ (Micha 2:12 NWV)

[36] “wie zal geloven en zich laat dopen zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld;” (Markus 16:16 NB)

“Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren zoon van God.” (Johahnnes 3:18 WV78)

“Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven. Wie weigert in de Zoon te geloven zal het leven niet zien; integendeel, de toorn Gods blijft op hem.” (Joh 3:36 WV78)

“Zij antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus, dan zult gij en uw huis gered worden.’” (Handelingen 16:31 WV78)

[37] “Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij één persoon in Christus Jezus.” (Galaten 3:28 WV78)

“Gods gerechtigheid” [zal komen op eenieder], “die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid.” (Romeinen 3:22)

“Wij allen, Joden en heidenen, slaven en vrijen, zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop een enkel lichaam geworden en allen werden wij gedrenkt met een Geest.” (1 Korinthiërs 12:13 WV78)

[38] “Het kwade haten: dat is de vrees voor Jahwe. Hoogmoed, verwaandheid, wangedrag en een mond vol slinkse woorden: die haat ik.” (Spreuken 8:13 WV78)

 “Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd; maakt dus nu, in mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was.” (Filipenen 2:12 WV78)

[39]  2 Voordat [de] inzetting [iets] het licht doet zien, [voordat de] dag is voorbijgegaan net als kaf, voordat over u lieden de brandende toorn van Jehovah komt, voordat over U de dag van Jehovah’s toorn komt, 3 zoekt Jehovah, al GIJ zachtmoedigen der aarde, die Zíjn rechterlijke beslissing hebt volbracht. Zoekt rechtvaardigheid, zoekt zachtmoedigheid. Wellicht zult GIJ verborgen worden op de dag van Jehovah’s toorn. (Zefanja 2:1-3 NWV)

3 Wij zijn verplicht God altijd voor U te danken, broeders, zoals gepast is, omdat UW geloof op buitengewone wijze groeit en de liefde jegens elkaar van een ieder van U zonder uitzondering, toeneemt. (2 Thessalonicenzen 1:3 NWV)

35 Werpt daarom UW vrijmoedigheid van spreken niet weg, welke een grote beloning met zich brengt. 36 Want GIJ hebt volharding nodig, om, na de wil van God gedaan te hebben, de [vervulling van de] belofte te ontvangen. 37 Want nog „een zeer korte tijd” en „hij die komt, zal komen en zal niet uitblijven”. 38 „Maar mijn rechtvaardige zal wegens geloof leven” en „indien hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem”. 39 Welnu, wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt. (Hebreeën 10:35-39 NWV)






 



Aanverwante artikelen:

Overtuiging voor de dingen die God beloofde

Het Woord van God een hamer

Laat Gods beloften schijnen op jouw problemen

God zelf gaat ons voor