Belgische Christadelphians

of
Broeders in Christus

Christelijk Leven

 

 Belgische Christadelphians 

 

 

 

Al of niet Bidden 

Belachelijk of eerder Sterke Persoonlijkheid 

Bezinnen 

Bestraffing vermijden 

Bijbelstudie 

Broers en Broeders 

Belangrijke Verschillen 

Christadelphian mens 

Christen genoemd 

Christenmensen met ons geloof 

Christus toebehorenden 

Dankbaar voor verkregen Offer 

Doop 

Doopsel 

Eén met Christus 

Geloof in slechts één God 

Leven na de dood 

Mijn Geloof 

Omtrent Geloof en Gospel 

Opdracht tot Getuigenis 

Opdracht voor Christen 

Open Groep 

Op wie Hopen 

Organisatie der Broeders in Christus 

Organisatie Gemeenschap 

Persoonlijkheid 

Priesterschap van Christus

Rechtvaardigen 

Redding door Volharding 

Relatie tot medemens 

Reden voor het lezen van de Heilige Schrift 

Relatie tot Christus 

Verandering door de Bijbel 

Uitvaren 

Verkondigen 

Volharding & Bijbelstudenten 

 

 

 

 

Nieuw Verbond 

Verwachtingen 

 

 

 

 

 

 

 

 

Christendom 

 

Wie, wat en hoe Christadelphians 

 

 

 

 

 

 

Si nous nous appelons chrétiens 

Chrétien, Parole de Dieu et la Foi 

Que dois-je faire pour être sauvé

Vie chrétienne 

Vérité de la foi 

Ma Foi 

Christelijk Leven

Als wij beweren christenen te zijn

zullen wij het patroon van Jezus’ leven willen volgen, Zijn geboden onderhouden, Zijn dood gedenken en er voor zorgen niet door de wereld besmet te worden:

Jezus: "Wanneer gij Mii liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren". "Een nieuw gehad geef Ik u, dat gij elkander lief hebt" (Johannes 14:15; 13:34)

"Breng Uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard om komen" (Mattheus 26:52)

Johannes: "Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is," " Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld" (1 Johannes 2:15-16)

Paulus en Jezus: "Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak. het brak en zeide:

Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt" (1 Corinthiërs 11:23-27)

De Bijbel moedigt ware christenen dus aan de Here te gedenken in een regelmatig Breken van het Brood, en Hem voortdurend in gedachtenis te houden in hun leven, voortdurend wachtend op Zijn wederkomst.

Laten wij tot het soort behoren dat geloof heeft

Indien u zich Christen noemt kan u dan ook zeggen zoals de apostel Paulus zei: “„Wij behoren. . . tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt.” (Hebreeën 10:39).

Neem er eens even de tijd voor te kijken naar degenen die zich om u heen bevinden. Denk eens aan de vele manieren waarop zij blijk geven van geloof. Misschien ziet u ouderen die God reeds decennia dienen, jongeren die dagelijks de druk van leeftijdgenoten weerstaan en ouders die hun best doen om godvrezende kinderen groot te brengen.

Velen rondom u noemen zich misschien Christen, maar als u eens naar hun daden of houding kijkt krijgt men een heel andere indruk. Bij velen kan men stellen dat God ver af is. Terecht kan men er vragen bij stellen hoe kostbaar het geloof van ieder van hen is! (1 Petrus 1:7) [1].

Door weinig onvolmaakte mensen, en misschien door niemand, is de belangrijkheid van geloof beter begrepen dan door de apostel Paulus. Ja, hij merkte op dat echt geloof tot „het in het leven behouden van de ziel” leidt (Hebreeën 10:39) [2]. Maar Paulus wist dat geloof in deze ongelovige wereld aan aanvallen en uitholling blootstaat. Hij was intens bezorgd om de Hebreeuwse christenen in Jeruzalem en Judea, die strijd voerden om hun geloof te behouden

Breng vertrouwen in elkaar tot uitdrukking

Paulus had een positieve houding ten aanzien van zijn lezerspubliek. Hij schreef: „Welnu, wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt” (Hebreeën 10:39).Ook vandaag nog zouden diegenen die zich Christen noemen een voortreffelijke houding moeten aannemen en hun geloof ten toon spreiden zo dat anderen in deze wereld zouden zien wat het betekend een ware Christen te zijn. Paulus bracht uit het hart komend vertrouwen tot uitdrukking dat hij en zijn getrouwe christelijke lezers allemaal de formidabele hindernissen die voor hen opdoemden onder ogen zouden zien, dat zij moedig zouden weigeren terug te deinzen, wat tot vernietiging leidt, en dat zij tot het soort mensen zouden blijken te behoren dat geloof heeft.

Paulus gaf de Hebreeuwse christenen specifieke raad om hen te helpen hun geestelijke tekortkomingen te overwinnen (Hebreeën 3:12; 5:12-14; 6:4-6; 10:26, 27; 12:5). Toch had Paulus ten minste twee goede redenen om vertrouwen te hebben in zijn broeders en zusters. (1) Als een navolger van Jehovah trachtte Paulus Gods dienstknechten te bezien zoals Jehovah hen beziet. Daarbij dacht hij niet alleen aan hun fouten maar ook aan hun goede hoedanigheden en hun vermogen om het te verkiezen in de toekomst goed te doen (Psalm 130:3; Efeziërs 5:1). (2) Paulus had een onvoorwaardelijk geloof in de kracht van de heilige geest. Hij wist dat geen hindernissen, geen menselijke zwakheden, Jehovah zouden kunnen beletten om elke christen die tracht Hem getrouw te dienen „kracht [te verlenen] die datgene wat normaal is te boven gaat” (2 Korinthiërs 4:7; Filippenzen 4:13). Dus was Paulus’ vertrouwen in zijn broeders en zusters niet misplaatst, onrealistisch of gestoeld op blind optimisme. Het was stevig gefundeerd en op de Schrift gebaseerd.

Het vertrouwen dat Paulus aan de dag legde, bleek beslist aanstekelijk te zijn. Het moet heel wat voor de gemeenten in Jeruzalem en Judea hebben betekend dat Paulus zo aanmoedigend tot hen sprak. In weerwil van de vernietigende verachting en hooghartige onverschilligheid van hun joodse tegenstanders werden de Hebreeuwse christenen door zulke bewoordingen geholpen in hun hart te besluiten tot het soort te behoren dat geloof heeft. Kunnen wij in deze tijd hetzelfde voor elkaar doen? Het is maar al te gemakkelijk in anderen alleen een lange lijst van fouten en eigenaardigheden te zien (Mattheüs 7:1-5) [3]. Toch kunnen wij elkaar veel meer bijstaan als wij het unieke geloof dat een ieder bezit, opmerken en waarderen. Met zo’n aanmoediging zal geloof hoogstwaarschijnlijk groeien. (Romeinen 1:11, 12) [4].

Een passend gebruik van Gods Woord

Paulus bouwde ook geloof in zijn medegelovigen op door zijn vaardig gebruik van de Schrift. Zo schreef hij: „’Maar mijn rechtvaardige zal wegens geloof leven’ en ’indien hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem’” (Hebreeën 10:38). Paulus haalde hier de profeet Habakuk aan. Deze woorden waren waarschijnlijk bekend bij Paulus’ lezers, Hebreeuwse christenen, die de profetische boeken heel goed kenden. Wanneer wij beschouwen welk doel hij voor ogen had — het geloof van christenen die zich omstreeks het jaar 61 G.T. in en nabij Jeruzalem bevonden te versterken — was het voorbeeld van Habakuk passend gekozen.

Habakuk wist niet hoe nabij de verwoesting van Jeruzalem was. Insgelijks wisten de eerste-eeuwse christenen niet wanneer het joodse samenstel van dingen zou eindigen. Ook thans weten wij niet ’dag en uur’ waarop Jehovah’s oordeel over dit goddeloze samenstel zal komen (Mattheüs 24:36). Laten wij dus Jehovah’s tweevoudige antwoord aan Habakuk beschouwen. Ten eerste verzekerde hij de profeet dat het einde precies op tijd zou komen. „Het zal niet te laat komen”, zei God, ook al zou het van menselijk standpunt uit bezien ogenschijnlijk op zich laten wachten (Habakuk 2:3). Ten tweede herinnerde Jehovah Habakuk aan het volgende: „Wat de rechtvaardige betreft, door zijn getrouwheid zal hij blijven leven” (Habakuk 2:4). Wat een schitterende, eenvoudige waarheden! Het belangrijkste is niet wanneer het einde komt, maar of wij een leven van geloof blijven leiden. En dat wij steeds bereid en klaar zullen zijn om Gods Koninkrijk binnen te treden.

Toen Jeruzalem in 607 v.G.T. werd geplunderd, zagen Jeremia, zijn secretaris Baruch, Ebed-Melech en de loyale Rechabieten de waarheid van Jehovah’s belofte aan Habakuk. Zij ’bleven leven’ door aan de verschrikkelijke verwoesting van Jeruzalem te ontkomen. Waarom? Jehovah beloonde hun getrouwheid (Jeremia 35:1-19; 39:15-18; 43:4-7; 45:1-5). Insgelijks moeten de eerste-eeuwse Hebreeuwse christenen goed op Paulus’ raad hebben gereageerd, want toen de Romeinse legers in 66 G.T. Jeruzalem aanvielen en vervolgens om onverklaarbare reden wegtrokken, sloegen die christenen getrouw acht op Jezus’ waarschuwing om te vluchten (Lukas 21:20, 21). Zij bleven wegens hun getrouwheid leven. Evenzo zullen wij blijven leven als wij getrouw worden bevonden wanneer het einde komt. Wat een uiterst belangrijke reden om nu ons geloof te versterken!

Voorbeelden van geloof tot leven brengen

Paulus bouwde ook geloof op door een krachtig gebruik van voorbeelden te maken. Als u Hebreeën hoofdstuk 11, het hoofdstuk over Geloof, leest, merk dan op hoe hij de voorbeelden van bijbelse figuren tot leven brengt. Hij zegt bijvoorbeeld dat Mozes „standvastig [bleef] alszaghij de Onzichtbare” (Hebreeën 11:27) [5]. Met andere woorden, Jehovah was zo reëel voor Mozes dat het was alsof hij de onzichtbare God kon zien. Zou hetzelfde van ons gezegd kunnen worden? Het is gemakkelijk om over een band met Jehovah te spreken, maar die band op te bouwen en te versterken, betekent werk. Dit is werk dat wij moeten doen! Is Jehovah zo reëel voor ons dat wij hem in aanmerking nemen wanneer wij beslissingen nemen, waartoe ook schijnbaar minder belangrijke beslissingen behoren? Dat soort geloof zal ons helpen zelfs de ergste tegenstand te verduren.

Beschouw ook eens het geloof van Henoch. Wij kunnen ons moeilijk de tegenstand indenken waarmee hij werd geconfronteerd. Henoch moest een pijnlijke oordeelsboodschap tegen de goddeloze mensen in die tijd bekendmaken (Judas 14, 15). De vervolging die deze getrouwe man bedreigde, was kennelijk zo boosaardig, zo gewelddadig, dat Jehovah ’hem overbracht’ door hem van de toestand van leven naar de doodsslaap te brengen voordat de vijanden de hand aan hem konden slaan. Henoch kreeg derhalve niet de vervulling te zien van de door hem geuite profetie. Maar hij kreeg een geschenk dat in sommige opzichten zelfs beter was. (Hebreeën 11:5; Genesis 5:22-24) [6].

Paulus legt uit: „Vóór zijn overbrenging had [Henoch] het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest” (Hebreeën 11:5). Wat betekende dit? Voordat Henoch de doodsslaap inging, kan hij het een of andere visioen hebben gehad, misschien van het aardse paradijs waarin hij weldra zal ontwaken. In elk geval liet Jehovah Henoch weten dat Hij zeer ingenomen was met zijn getrouwe handelwijze. Henoch had Jehovah’s hart verheugd. (Vergelijk Spreuken 27:11.) [7] Over Henochs leven nadenken, is ontroerend, nietwaar? Zou u graag zo’n leven van geloof leiden? Denk dan over zulke voorbeelden na; zie hen als echte mensen. Wees vastbesloten door geloof te leven, dag in dag uit. Houd ook in gedachte dat het soort mensen dat geloof heeft Jehovah niet dient op basis van een datum waarop of tijdslimiet waarin God al zijn beloften gestand zal doen. Wij zijn veeleer vastbesloten Jehovah voor eeuwig te dienen! Aldus volgen wij de allerbeste levenswijze in dit samenstel van dingen en in het volgende. Of het nu vandaag, morgen, overmorgen of veel later in de tijd is dat Armaggadon of het Einde der Tijden zich zal aankondigen, willen wij nu reeds klaar staan om mee “in de boot” te stappen.

Hoe men sterker in het geloof kan worden

Paulus toonde de Hebreeuwse christenen een aantal praktische manieren waarop zij hun geloof zouden kunnen versterken. De apostel Johannes haalt het gebod van God aan dat ons aan maant in de Zoon van God te geloven en eenieder rondom ons te beminnen.

(1 Johannes 3:23-24 NWV): 23 Ja, dit is zijn gebod, dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus[8] en elkaar liefhebben, zoals hij ons een gebod gegeven heeft. 24 Bovendien blijft degene die zijn geboden onderhoudt, in eendracht met hem en hij in eendracht met zo iemand; en hierdoor komen wij te weten dat hij in eendracht met ons blijft, dank zij de geest die hij ons heeft gegeven.

Wij moeten dus eerst en vooral geloven in diegene die Jezus Christus heeft uitgezonden. En dat is onze Vader, God de Almachtige Schepper van hemel en aarde. Naast dat geloof in de Allerhoogste moeten wij geloof hechten aan diegene die ondergeschikt is aan Jehovah, God de almachtige Vader. De Enig Geboren Uitverkoren Zoon van God, die voor ons te verlossen op de wereld is gekomen. Jezus Christus (of Yeshua) uit Nazareth die vele wonderen heeft verricht, maar zijn leven heeft gegeven aan een paal. Zo groot was zijn liefde voor Zijn Vader, dat hij steeds diens wil deed. En zo veel had hij de mensen lief dat hij voor hen wilde sterven. Ook van ons verwacht Christus een offergave van liefde voor onze medemensen. [9]

In Jezus opgegeven nieuw gebod geef hij ons: “gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.’” (Joh 13:34-35 WV78) Pas als wij werkelijk de leer van Christus navolgen en doen wat hij zei dat wij moesten doen kunnen wij ons waarlijk Christenen noemen en zullen anderen kunnen merken dat wij die christelijke liefde ook werkelijk volledig in ons hart dragen en voor elkaar over hebben. Anderen moeten kunnen merken dat wij van harte geloven in de Zoon van God, Jezus Christus, die dan ook werkelijk iemand anders is dan God zelf, die ons dit ook vraagt te doen. [10]

God zal ons indien wij ons geloof willen verdiepen ook bijstaan in de geestelijke rijping, zodat ook wij waardige kinderen van God zouden worden. [11] Een Christen moet naast te geloven in de éne ware God geloven in diegene die God op wonderbaarlijke wijze op de wereld heeft gebracht. En “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren zoon van God.” (Joh 3:18 WV78) [12]

Daarnaast moeten wij buiten ons zelf lief te hebben elkaar liefhebben zoals Hij ons lief had en het ook bevolen heeft. [13] Alsook moeten wij beseffen hoe belangrijk het Christen zijn met het onderhouden van de geboden ook is. Want “wie zijn geboden onderhoudt blijft in God, en God blijft in hem. En dat Hij in ons woont weten we door de Geest die Hij ons gegeven heeft.” (1Jo 3:23-24 WV78)

Wij kunnen niet passief blijven in ons leven. De Christen moet geloven en daarnaar reageren. Als onze geloofspunten goed onderbouwd zijn met Bijbelse kennis en ons vertrouwen door die Heilige Schrift stevig wordt gemaakt kunnen wij ook in ons geloof verder groeien. Maar wij zullen eerst en vooral er sterk van overtuigd moeten zijn dat er slechts één God is en dat Jezus zijn zoon is (Johannes 5:19-23) [14]

Verder moeten wij geloven dat die zoon van Jozef en Maria ter wereld was gekomen om de mensen van hun fouten te zuiveren en zo zondaars te redden. (1Thimotheus 1:15) [15] Wij moeten onze dankbaarheid betonen voor het Pleng- of Zoenoffer dat Christus Jezus heeft gebracht. Ons geloof moet gebaseerd zijn op Jezus zijn afkomst, zijn doel en zijn volbrenging, met het besef dat hij werkelijk geleden heeft, gestorven is en op de derde dag verrezen is uit de dood, en opgestaan is om naar zijn Vader te gaan om later weer te komen om te oordelen levenden en doden. (Handelingen 2:29-32; 1:11; Johannes 6:39-40; Handelingen 17: 30-31) · [16]

Met die zekerheid moeten wij leven en er naar handelen in de hoop dat wij ook deelgenoten zullen kunnen zijn van het Koninkrijk van God waar wij eeuwig zullen kunnen verblijven. (Apocalyps 2:10; Lukas 1:32) [17] Alsook moeten deze geloofspunten ons tot het besef brengen dat wij spijt moeten getuigen van onze vroegere fouten en dat wij moeten proberen het rechte pad op te gaan.

Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan, dat Jehovah God Jezus (Yeshua) de grote Leraar en Heer en Christus heeft gemaakt. Met deze kennis moeten wij ons bekeren en ieder van ons die de geloofspunten van een Christen wil aannemen “late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen.” (Hnd 2:36-38 WV78)

Het Appel voor de Christen

Vandaag blijft dat appel gelden en wordt het nog steeds hernieuwd voor diegenen die Christus willen volgen. Zij die in de voetsporen van Christus willen stappen beseffen dat zonder geloof in Jezus Christus de Messias zullen verloren gaan in de wereld en zullen verdwijnen. Maar gelovend in Christus zijn positie en door volledige gehoorzaamheid aan God kunnen wij vergiffenis van onze zonden krijgen en het eeuwig leven verdienen.

Naast ons wereldse leven moeten wij voldoende aandacht schenken aan ons geestelijk leven, dat eigenlijk het bijzonderste hoort te worden. Dit geestelijke en innerlijke leven kan versterkt worden door regelmatige bijbelstudie. Deze studie van de Heilige Schrift hoort niet enkel op ons eigen in eigen huis te gebeuren. Neen wij moeten er ook durven mee naar buiten te komen.

In (Hebreeën 10:23-25) schrijft Paulus:“24 En laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, 25 het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar laten wij elkaar aanmoedigen, en dat te meer naarmate GIJ de dag ziet naderen.”

Wij worden aangemoedigd geregeld op onze christelijke vergaderingen bijeen te komen. Bedenk echter dat Paulus’ geïnspireerde woorden daar niet inhouden dat wij op zulke vergaderingen alleen maar passieve waarnemers zijn. In plaats daarvan beschrijft Paulus vergaderingen als gelegenheden om elkaar te leren kennen, elkaar ertoe aan te sporen God vollediger te dienen en elkaar aan te moedigen. Wij zijn daar om te geven, niet slechts om te ontvangen. Dit vormt een hulp om onze vergaderingen tot vreugdevolle gelegenheden te maken.(Handelingen 20:35) [18].

Hoofdzakelijk bezoeken wij christelijke vergaderingen om Jehovah God te aanbidden. Wij doen dit door ons te verenigen in gebed en samen te zingen, door aandachtig te luisteren en door „de vrucht der lippen” — uitingen van lof aan Jehovah in onze commentaren en onderdelen op de vergadering — te offeren (Hebreeën 13:15) [19]. Als wij die doeleinden in gedachte houden en er op iedere vergadering naar handelen, zal ons geloof elke keer zonder mankeren worden opgebouwd.

Nog een manier om geloof op te bouwen, is door middel van het predikingswerk. Paulus schreef: „Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:23) [20]. U kunt anderen op het hart drukken aan iets vast te houden wanneer het ernaar uitziet dat zij het opgeven. Satan zette die Hebreeuwse christenen beslist onder druk om hun bediening op te geven, en hij zet Gods volk in deze tijd ook onder druk. Wat dienen wij in weerwil van zo’n druk te doen? Beschouw eens wat Paulus deed.

Aan de christenen in Thessalonika schreef Paulus: „Wij [hebben], na eerst (zoals gij weet) in Filippi geleden te hebben en onbeschaamd behandeld te zijn, door bemiddeling van onze God vrijmoedigheid. . . verzameld om onder veel strijd het goede nieuws van God tot u te spreken” (1 Thessalonicenzen 2:2) [21]. Hoe waren Paulus en zijn metgezellen in Filippi „onbeschaamd behandeld”? Volgens sommige geleerden is het door Paulus gebruikte Griekse woord een uitdrukking van beledigende, schandelijke of schaamteloze behandeling. De autoriteiten in Filippi lieten hun stokslagen geven, wierpen hen in de gevangenis en sloten hen in het blok (Handelingen 16:16-24) [22]. Welke uitwerking had die pijnlijke ervaring op Paulus? Zagen de inwoners van de volgende stad, Thessalonika, die Paulus op zijn zendingsreis aandeed, dat hij vol vrees terugdeinsde? Nee, hij ’verzamelde vrijmoedigheid’. Hij overwon zijn vrees en bleef vrijmoedig prediken.

Waar kwam Paulus’ vrijmoedigheid vandaan? Van binnen uit? Nee, hij zei dat hij „door bemiddeling van onze God” vrijmoedigheid had verzameld. Een verwijswerk voor bijbelvertalers zegt dat deze verklaring als volgt weergegeven kan worden: „God nam de vrees uit ons hart weg.” Als u zich dus niet bijzonder vrijmoedig voelt ten aanzien van uw bediening, vooral als een bepaald aspect ervan beangstigend op u overkomt, waarom zou u dan geen beroep doen op Jehovah om hetzelfde voor u te doen? Vraag hem om de vrees uit uw hart weg te nemen. Vraag hem om u te helpen vrijmoedigheid voor het werk te verzamelen. Neem bovendien enkele andere praktische maatregelen. Tref er bijvoorbeeld regelingen voor om te werken met iemand die vaardig is in de manier van getuigenis geven waar u moeite mee hebt. Het gaat daarbij misschien om het bewerken van zakengebied, het geven van straatgetuigenis, de informele prediking of telefoongetuigenis. Misschien zal uw partner bereid zijn als eerste te beginnen. Zo ja, let dan op en leer. Maar verzamel vervolgens de vrijmoedigheid om het ook te proberen.

Vooruitzichten en voorwaarden voor ons.

Wanneer u werkelijk vrijmoedigheid verzamelt, denk er dan aan waartoe dat kan leiden. Als u doorzet en u niet laat ontmoedigen, zult u door de waarheid met anderen te delen waarschijnlijk goede ervaringen opdoen, ervaringen die u anders was misgelopen. U zult de voldoening smaken te weten dat u Jehovah hebt behaagd door iets te doen wat moeilijk voor u is. U zult zijn zegen en hulp ervaren bij het overwinnen van uw vrees. Uw geloof zal sterker zijn. U kunt er in werkelijkheid niet aan werken geloof in anderen op te bouwen zonder terzelfder tijd uw eigen geloof op te bouwen. (Judas 20, 21) [23].

Steunend op het geloof waartoe anderen mee in onze scholing hebben bijgedragen kunnen ook wij op onze beurt dat geloof door geven en het hierdoor in ons nog sterkeer laten aangroeien. [24]

Blijf uw geloof en het geloof van degenen om u heen versterken. U kunt dit doen door uzelf en anderen op te bouwen door een vaardig gebruik te maken van Gods Woord, door in de bijbel genoemde voorbeelden van geloof te bestuderen en ze tot leven te brengen, door u op christelijke vergaderingen voor te bereiden en er een aandeel aan te hebben en door vast te houden aan het kostbare voorrecht van de openbare bediening. Als u deze dingen doet, wees er dan van verzekerd dat u werkelijk iemand bent die „tot het soort [behoort] dat geloof heeft”. Bedenk ook dat degenen die tot dit soort behoren een kostbare beloning hebben. Zij behoren tot „het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt”. Moge uw geloof blijven groeien, en moge Jehovah God u voor eeuwig in het leven behouden!

Wie erkent dat hij met God verzoend moet worden en Gods voorziening tot verzoening — namelijk het offer van zijn Zoon — aanvaardt, moet vervolgens berouw hebben van zijn zondige handelwijze en zich bekeren, dat wil zeggen zich afkeren van de weg die de zondige mensenwereld gaat. Wie zich op basis van Christus’ losprijs tot God wendt, kan vergeving van zonden verkrijgen en met God verzoend worden, waarop er „tijden van verkwikking. . . komen van de persoon van Jehovah” (Han 3:18, 19) [25] en hij tevens vrede van geest en hart ontvangt (Fil 4:6, 7) [26].

“Petrus gaf hun ten antwoord: ‘Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen.” (Hnd 2:38 WV78) Aldus maakt de doop een belangrijk onderdeel van het geloof uit. Uiteindelijk is dat het belangrijkste Keerpunt in ons leven. Door volledige onderdompeling in water is het als een teken aan God en aan onze mede mensen van zuivering en witwassing die wij willen genieten en als teken van overgave aan God. Met deze handeling waarbij onze zonden worden “witgewassen” engageren wij ons in een nieuw leven voor Christus Jezus. [27]

Zo iemand is niet langer een vijand op wie Gods gramschap rust, maar is in werkelijkheid „uit de dood tot het leven overgegaan” (Jo 3:16; 5:24) [28]. Daarna moet hij Gods goede wil behouden door ’hem aan te roepen in waarachtigheid’ en ’te blijven in het geloof en zich niet af te laten brengen van de hoop van het goede nieuws’. (Ps 145:18; Fil 4:9; Kol 1:22, 23) [29].

Zij die zich Christen noemen moeten als broers en zusters van elkaar liefdevol met elkaar omgaan.Alschristelijke broeders en zusters moeten wij trachten Jezus’ voorbeeld van liefde na te volgen (Johannes 13:35; 15:12, 13; Galaten 6:2). Christenen over heel de wereld hebben er lange tijd hun best voor gedaan en doen nog steeds hun best om denkwijzen, spraak en gedragingen die gewoon zijn in deze goddeloze wereld, te laten varen. Zij willen werkelijk de nieuwe persoonlijkheid uitstralen (Kolossenzen 3:9, 10) [30].

Het liegen trachten Christenen voor hen tot het verleden te laten horen. Zij schamen zich niet voor elkaar de waarheid te vertellen, want zij horen bij elkaar en zijn delen van hetzelfde lichaam. (Efe 4:25) [31]

Als Christenen hebben wij de leugen af gelegd en spreken wij de waarheid tot onze naaste, ieder voor zich, maar wij moeten beseffen dat wij zo wel als de ander toch nog onze zwakke ogenblikken zullen hebben vooraleer het Einde der tijden daar een einde aan maakt. Wij kunnen niet aan het feit voorbijgaan dat de wereldomvattende gemeente en elke plaatselijke gemeente uit onvolmaakte mensen bestaat. Over het algemeen zijn zij beslist beter dan zij vroeger waren maar desondanks zijn zij nog steeds onvolmaakt.

Ook al kunnen wij als ledematen van elkander zijn, kunnen wij nog geconfronteerd worden met onrustige Christenen en zelfs met mensen die hun geduld verliezen of wel eens kwaad worden. Wordt gij toornig, zondigt dan niet; de zon ga niet onder over uw toorn; geeft geen vrij spel aan de duivel of het kwaad dat steeds ronddwaalt in deze wereld.
Christenen blijven eerlijk en zetten zich er toe aan ook enkel op eerlijke wijze hun kost te verdienen. Met eigen hand verdienen zij de kost enkel met dingen die in overeenstemming zijn met Gods wil. Zo zullen zij zeker niet werken in bedrijven die dingen produceren die tegen de mensheid zijn (zoals wapens bijvoorbeeld) of die de natuur schade toe brengen. Zij gaan niet egocentrisch te werk en leggen het egoïsme naast zich neer. Met de verdienste van hun wereldse werk gaan zij toch nog proberen iets over te houden om het weg te schenken aan wie er behoefte aan heeft.
Uit hun mond komt geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen. Christenen letten op hun woorden en daden en gaan er voor zorgen dat zij Gods heilige Geest niet bedroeven. Zij hebben de hoop gesteld dat hun handelingen er voor zullen toe bijdragen dat zij verzegeld mogen zijn voor de Dag der Verlossing. Verre van hen doen zij alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en alle andere boosheid. Maar steeds trachten zij minzaam en hartelijk jegens elkander te zijn en houden zij zich er aan elkander te vergeven, gelijk ook God ons door Christus vergiffenis heeft geschonken. [32]

In de bijbel vertelt God ons doelbewust dat wij onvolmaaktheid in de gemeente, onder onze broeders en zusters, kunnen verwachten. Beschouw bijvoorbeeld Paulus’ woorden in Kolossenzen 3:13 eens: „Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah u vrijelijk vergeven heeft, doet ook gij evenzo.”

Opmerkelijk is dat de bijbel ons hier herinnert aan het verband dat er bestaat tussen Gods vergevensgezinde houding jegens ons en onze plicht en de noodzaak om vergevensgezind jegens anderen te zijn. Waarom is dit een uitdaging? Omdat Paulus toegaf dat iemand „tegen de ander een reden tot klagen” kan hebben. Hij was zich ervan bewust dat zulke gevallen zich zouden voordoen. Ze moeten zich in de eerste eeuw hebben voorgedaan, zelfs onder christelijke „heiligen”, die een ’hoop hadden die voor hen in de hemelen was weggelegd’ (Kolossenzen 1:2, 5) [33]. Het is dan toch ondenkbaar dat het in deze tijd anders zou zijn, nu de meeste ware christenen niet over het getuigenis van de geest beschikken dat zij „Gods uitverkorenen, heilig en bemind” zijn? (Kolossenzen 3:12) [34] Bijgevolg dienen wij niet de conclusie te trekken dat er iets totaal mis is als er in onze gemeente redenen tot klagen zijn — gekrenkte gevoelens wegens werkelijk of vermeend onrecht.

Uit de woorden van Jezus’ halfbroer Jakobus blijkt ook dat wij moeten verwachten dat wij op zijn minst soms geconfronteerd kunnen worden met situaties die het nodig maken dat wij onze broeders en zusters vergeven. „Wie is wijs en verstandig onder u? Hij tone uit zijn voortreffelijke gedrag zijn werken met een zachtaardigheid die bij wijsheid behoort. Maar indien gij bittere jaloezie en twistgierigheid in uw hart hebt, snoeft en liegt niet tegen de waarheid” (Jakobus 3:13, 14). „Bittere jaloezie en twistgierigheid” in het hart van ware christenen? Ja, Jakobus’ woorden geven duidelijk te kennen dat zoiets in de eerste-eeuwse gemeente de kop had opgestoken en dat dit ook in deze tijd het geval zal zijn.

Hartetoestand.

De toestand van ons figuurlijke hart wordt weerspiegeld in onze innerlijkehouding,onzeinstelling, of die trots is of nederig (Sp 16:5; Mt 11:29). Onze gevoelensenemoties zijn eveneens een deel van die innerlijke mens. Daartoe behoren liefde (De 6:5; 1Pe 1:22), vreugde (De 28:47; Jo 16:22), smart, droefheid (Ne 2:2; Ro 9:2) en haat (Le 19:17). Het hart kan dus „angstig” (Jes 35:4) en door ellende „doorboord” zijn (Ps 109:22), alsook „versmelten” wegens vrees (De 20:8). Wanneer in de christelijke Griekse Geschriften het verstand en het hart samen worden genoemd, heeft „verstand” betrekking op het intellect, terwijl met „hart” gedoeld wordt op de emoties, verlangens en gevoelens van de innerlijke persoon. Jezus zei bijvoorbeeld: „Gij moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” (Mt 22:37). Aldus toonde hij dat iemands verlangens, gevoelens en emoties een uitdrukking moeten zijn van zijn liefde voor God, maar dat hij deze liefde ook tot uitdrukking moet brengen door de wijze waarop hij zijn geestelijke vermogens gebruikt, bijvoorbeeld door kennis van God en Christus in zich op te nemen.( Jo 17:3).

Al zulke functies, vermogens, emoties en hoedanigheden worden niet toegeschreven aan het letterlijke orgaan, maar aan het figuurlijke hart, dat staat voor de gehele innerlijke persoonlijkheid.

Niet gelovige tegenover gelovige.

God zendt zijn christelijke gezanten tot de mensen om hen in staat te stellen zijn voorwaarden voor een verzoening te leren kennen en daar vervolgens aan te voldoen. Zoals de apostel schrijft: „Wij zijn daarom gezanten die optreden in de plaats van Christus, alsof God door ons een dringend verzoek deed. Als plaatsvervangers van Christus smeken wij: ’Wordt met God verzoend’” (2Kor 5:20) [35]. Zo’n dringend verzoek duidt niet op enige verzwakking van Gods positie of van een soepeler houding jegens kwaaddoen; het is veeleer een barmhartige aansporing gericht tot de overtreders om vrede te zoeken en te ontkomen aan het onvermijdbare gevolg van Gods gerechtvaardigde toorn jegens allen die erin volharden tegen zijn heilige wil in te gaan, wat beslist op vernietiging zal uitlopen. (Vgl. Ez 33:11.) [36] Zelfs christenen moeten oppassen „de onverdiende goedheid van God niet te aanvaarden en dan het doel ervan te missen” door niet goed aan de, door God, gestelde voorwaarden te houden.

Wij moeten ons weldegelijk ook aan de Christelijke werken houden, want geloof zonder werken of daden is dood. (Jakobus 2:17) [37] “Want in Christus Jezus heeft besnijdenis noch onbesnedenheid enig belang, maar alleen geloof zich uitend in liefde,” (Ga 5:6 WV78) Wij zijn gewaarschuwd: “Broeders, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden.” (Jak 2:14 WV78)

“Gij gelooft dat er slechts een God is? Uitstekend; ook de boze geesten geloven dat, en sidderen!” (Jak 2:19 WV78) Wat zou dat dan zo verschillend maken van diegenen die dat ook doen of ook goede werken verrichten? “Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad.” (Jak 2:26 WV78)

“Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen. Als u deze eigenschappen in overvloed bezit, is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar. Wie ze niet bezit is kortzichtig, ja blind, en vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is.” (2Pe 1:5-9 NBV)

“Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten.” (Ga 6:10 WV78)

Christus is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop die onze trots is ongeschokt bewaren tot het einde.” (Heb 3:6) [38] er moet een duidelijk verschil zijn tussen goed doende christenen en mensen die ook veel goed doen. [39]

Als Christen komt het er op aan de leerstellingen van Christus in zijn geheel op te nemen en na te volgen. Als kleine kinderen moeten wij de beloften van God geloven en moeten wij er ons toe aan zetten de menselijke stemmen meester te zijn en de Goddelijke stem voorop te stellen. Laat uw hart als een klein kind snakkend naar een ijslolly vol zijn van Christus’ woord. Zijn woorden zullen uw leven verrijken en u wijsheid geven. Leer ze aan elkaar, wijs elkaar ermee terecht en zing erover in psalmen, lofgezangen en geestelijke liederen. Zing zo met een dankbaar hart voor de Heer. (Col 3:1; 15-17) [40]

“Zo ontstaat dan het geloof door de prediking, en de prediking geschiedt in opdracht van Christus.” (Ro 10:17 WV78)

“Hem verkondigen wij, wanneer wij allen zonder onderscheid vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is, om ook allen zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen.” (Col 1:28 WV78) Constant moeten wij Gods Wil opzoeken in de Heilige Schrift en moeten wij bidden tot Hem, en Zijn woorden diep in ons hart koesteren. Zo bevlogen door het Woord van God moeten wij er ook vreugde in scheppen om het uit te dragen. Een Christen hoort elkander toe te spreken in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte.” (Efe 5:19 WV78) [41]

Indien wij goed zijn, vergevingsgezind en van een zuiver hart de vrede zoekend voor allen, hongerend en dorstend naar rechtvaardigheid zullen wij gezegend kunnen zijn. Dan zullen wij als het zout der aarde mogen zijn. “Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt!” (Mt 5:13-14 WV78) [42] “Het is dus zaak te bidden met mijn geest maar ook met mijn verstand, Gods lof te zingen met mijn geest maar ook met mijn verstand.” (1Co 14:15 WV78) En steeds doordacht de dingen te doen met erkentelijkheid naar God toe. Zelfs zodanig moeten wij onze daden stellen dat zij tot algemene opbouw kan dienen en er toe bijdraagt dat het geloof en de houding ertoe niet aan kracht verliest.(1Korinthiërs 14:26; Lukas 14:34) [43]

Daarom is het belangrijk ons geloof te delen met die anderen die naar ons willen luisteren. Maar ook moeten wij het trachten over te dragen naar diegenen die ons niet willen hebben of naar onze vijanden. Al diegenen die ons beledigen moeten wij ook de hand toe reiken en vergeven. Maar wij moeten er op toe zien dat wij disputen trachten te vermijden en niet in gevaarlijke discussies belanden.

Zoals Jezus moeten wij naar hoge ethische en morele maatstaven leven. Dagelijks zullen wij er moeten op toe zien te leven volgens Gods wil en niet volgens de voorkeuren van deze wereld. Op elk ogenblik zullen wij eerst het Koninkrijk van God moeten zoeken en das pas aan deze wereld denken. (Mattheus 6:33) [44] “Oefening van het lichaam heeft beperkte waarde, maar de voordelen van de godsvrucht zijn onbeperkt, want zij houdt beloften in zowel voor dit leven als het toekomstige.” (1Ti 4:8 WV78)

Het is door ons naar het Woord van God te gedragen en voorbeeldig te zijn dat wij veel vrucht zullen kunnen dragen, en zullen kunnen bewijzen Jezus discipelen te zijn, waardoor zijn en onze hemelse Vader verder zal worden grootgemaakt in deze wereld. (Joh 15:8) [45]

Ziedaar onze hoog verheven idealen welke elke Christen zou moeten betrachten. Wij mogen Jehovah onze God dankbaar zijn dat hij ons nu reeds vele zegeningen wil laten geworden, want wij zijn alles behalve perfect. Wij mogen dankbaar zijn dat als wij verkeerd gaan of zondigen onze bemiddelaar Jezus (Yeshua) onze zwakheden begrijpt. “Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.” (Heb 4:15 WV78) [46] Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om als een barmhartig en getrouw hogepriester onze belangen bij God te behartigen en de zonden van het volk uit te boeten. (Heb 2:17) [47]

Jehovah heeft zich bereid verklaard al diegenen te verontschuldigen die hun zonden in alle oprechtheid opbiechten en proberen hun best te doen om beter te doen.
Als leerlingen van Christus hebben wij daar onze taak in om steeds maar beter trachten te worden.

Hoe moet de houding van een Christen zijn tegenover zijn wereld?

Jezus heeft niet gebeden dat zijn leerlingen onttrokken werden van de wereld, maar wel dat zij gespaard konden blijven van het kwaad. (Johannes 17:15)· Christus vroeg zijn Vader of Hij wilde beschermen tegen de duivel, de verleidingen en het kwaad. Christenen horen niet bij de wereld, zoals Jezus niet bij de wereld hoort. Hij bad en leerde ons bidden niet in verzoeking te komen en dat de goddeloze ons niet in zijn greep zou krijgen. (Mattheus 6:13; 1 Johannes 5:18 NWV)[48][49]

God heeft ons bevrijd van de autoriteit der duisternis en ons overgezet in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, door bemiddeling van wie wij onze verlossing door losprijs hebben, de vergeving van onze zonden. (Kolossenzen 1:13-14) [50] In de wereld van het Christendom moeten wij ons kunnen Houden aan ons woord. Wij moeten er op toe zien dat onze Ja een ja is en nee een neen is. Als u uw woorden kracht bijzet door een eed, klopt er iets niet. (Mt 5:37) [51] Wij mogen niet te zweren, zoals wij ook niet mogen vloeken. [52] En tussen al de dagen van de week moet er eentje zijn van rust en tijd voor God. [53] elke Christen hoort tijd uit te trekken om de Allerhoogste te prijzen en te loven en om Jezus Christus in herinnering te nemen. Dankbaar te zijn voor het zoenoffer, en dit te tonen door daden. Hiervoor hoeven wij ons niet af te zonderen van deze wereld. Als kluizenaar leven hoeft niet. Als Christenen hangen wij vast aan de wereld, maar op een andere wijze dan de gewone leken. Al hangen wij vast aan een gemeenschap die georganiseerd wordt volgens menselijke principes kunnen wij er op verscheidene manieren tussen uit springen.

Voor zover het mogelijk is moeten wij als Christenen:

In vrede leven met alle mensen. (Romeinen 12:18) [54]

De autoriteiten respecteren en gehoorzamen. (Titus 3:1; 1Petrus 2:13-17) [55]

Onze Vrijheid ten goede gebruiken. Als voorbeeld en aanmoediging voor anderen. (1Petrus 2:15-16) [56]

Eer en lofbetuigingen aan anderen geven. (1 Petrus 2: 17) [57]

Aan anderen geven wat hen toekomt. (Romeinen 13:7) [58]

Anderen niets ontnemen. (Exodus 20:13-15) [59]

Maar anderen ook niets slechts toe brengen of geweld aan doen. [60]

Niet zweren. (Leviticus 19:12 NWV) [61]

Steeds Gods wil boven alles plaatsen. (Handelingen 4:19-20; 5:28-29) [62]

Aldus kunnen wij terwijl wij het einde der tijden afwachten met positieve verlangens uitkijken naar het Koninkrijk van God en de wereldse koninkrijken en politieke stelsels als een voorlopige instelling zien waar wij niet buiten kunnen en er ons naar te voegen hebben. Maar wij moeten beseffen dat God die stelsels toe laat te bestaan en erkennen dat alle aardse koninkrijken het eigendom zijn van de allerhoogste God en dat Hij die geeft aan wie Hij wil. (Da 4:32) [63]

Vandaag mogen wij reeds leven met de hoge verwachting dat de dag zal komen dat alle koninkrijken, republieken of andere beheerssystemen overgedragen zullen worden aan de enige die rechtvaardig zal kunnen oordelen en rechtmatig zal kunnen heersen. Jezus zal dan het verenigde koninkrijk overdragen aan zijn Vader die dan voor eeuwen zal regeren. (Apocalyps of Openbaring 11:15) [64]

Christenen horen rondom hen een vredelievende omgeving creëren. Zij moeten een voorbeeld zijn van een geweldloze maatschappij die pacifistisch de komst van hun ‘Prins van de Vrede’ afwachten.

Moeten wij als Christen anders zijn dan de anderen?

Ja, hoe men het draait of keert, moet er een verschil zijn tussen een gelovige en een niet gelovige. De Christen moet zeer verschillend zijn dan de gewone burgers. Hij moet zich laten leiden door de geestelijke principes ener actief naar leven.

De Christen getuigt van een open geest die niet zo maar mensen oordeelt of over zaken een oordeel velt. [65] Eenieder kan hem of haar dan ook benaderen. [66] Al geven wij niet alles zo maar weg, steeds zullen wij vanuit een Christelijk oogpunt handelen en zullen wij bereid zijn God te bevragen hoe wij tegenover iets moeten staan. [67] en als men ons niet wil hebben zullen wij zelf de stappen ondernemen, zodat niemand zich geconfronteerd of lastig hoeft te voelen. Maar wij zullen steeds een vergevensgezinde houding aan nemen. Alsook zullen wij allen behandelen zoals wij zelf zouden willen behandeld worden. (Mattheus 7: 12) [68] Wij zelf zullen dan wel verder trekken en andere mensen weer benaderen die het christelijk leven misschien wel met ons willen delen en er voor zorgen dat ons geloof niet tot een spot wordt. [69] Wij zullen steeds op onze hoede zijn voor hen die de spot willen drijven met ons geloof. [70]

En “alles wat gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun dat ook; want dit is de Wet en de Profeten.” (Mt 7:12 LU) Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Zo moeten wij onze christelijke loopbaan, de tijd die wij hier als vreemdelingen op de aardbol doorbrengen zo goed als wij kunnen door maken. Wij moeten als het ware door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.

Steeds zullen wij ook op onze hoede moeten zijn voor valse profeten, die in schaapskleren op ons afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Wij moeten beseffen dat niet alle mensen die de naam Jezus of de titel van God gebruiken niet altijd de juisten zijn om mee op te trekken. (Mt 7:13-29) [71]

Als wij leerlingen van Jezus Christus willen zijn moeten wij ons zelf verloochenen en elkaar aanmoedigen met het besef dat Jezus werkelijk ook voor ons aan een stuk hout is gestorven voor ons. En uitkijkende naar Zijn wederkomst kunnen wij nuchter blijven. Wij moeten onszelf beschermen met het pantser van geloof en liefde en met de helm van de hoop van het heil. Want God heeft ons niet bestemd om door Hem bestraft te worden, maar om gered te worden door de beloofde Messias Jezus Christus. Jezus is voor ons gestorven om ons voor altijd met Hem te laten leven, of we bij Zijn terugkeer nu al gestorven of nog in leven zijn. Blijf elkaar dus bemoedigen en versterken; maar dat doet u al. (1Th 5:6-11) [72]

Wat zijn de voordelen Christen te zijn.

Je zou versteld staan welke de voordelen er van kunnen wezen. Ze vallen als het ware niet op, maar ook nu reeds op deze aarde zullen wij als wij ons geloof verder opbouwen reeds vruchten kunnen dragen.

Er zijn twee soorten voordelen. Er is het liefdevol aandenken aan de boodschap. Ook al heeft de oefening van het lichaam beperkte waarde, maar de voordelen van de godsvrucht zijn onbeperkt, want zij houdt beloften in zowel voor dit leven als het toekomstige. (1Ti 4:8) [73]

Ook al vraagt het inspanning zullen wij toch aan ons karakter kunnen schaven en ook verandering in onze omgeving kunnen veroorzaken. Door dat wij veranderen zullen anderen hun houding tegenover ons ook veranderen. Alsook zullen wij geen problemen ondervinden over dingen waar wij vroeger fout in gingen, want nu kunnen ze vermeden worden.

Vandaag kunnen vele Christenen zich er op verheugen dat Jezus van Nazareth voor hun zonden is gestorven aan een martelpaal. Wij hebben de hoop verkregen naar een mooie toekomst die ook verder reikt dan deze aarde en de huidige tijden.

Ook al kunnen wij het soms moeilijk hebben met de wereldse zaken is daar steeds het geloof dat ons kan ondersteunen en verlichting brengen.

Als wij vermoeid en belast zijn hebben wij Christus en onze medechristenen tot wie wij ons kunnen wenden. En opziende naar Christus vallen onze zorgen en lasten in heet niets. (Mattheus 11:28) [74]

Voor de gelovige Christenen voorziet God een wonderbaarlijke toekomst. Wij wachten, soms met een beetje ongeduld, op betere tijden, maar wij kunnen er verzekerd van zijn dat deze betere tijden zullen komen. Met vreugdevolle en vredelievende hoop kijken wij uit naar de wederkomst van Jezus Christus, die de vrede over alle naties zal brengen. (Zacharias 9:10) [75]

Wij mogen er van verzekerd zijn dat Christus Jezus in eeuwigheid koning zal zijn over het huis van Jakob en dat aan zijn koningschap nooit een einde zal komen. (Lu 1:33) [76]

Gods voornemen zal binnenkort verwezenlijkt worden.

Hoewel God onvolmaaktheid en lijden vanuit menselijk standpunt bezien lange tijd heeft toegelaten, zal hij niet toestaan dat deze slechte toestanden altijd blijven bestaan. De bijbel vertelt ons dat God een specifieke tijdsperiode voor het tolereren van deze dingen heeft vastgesteld.

„De oprechten zijn het die op de aarde zullen verblijven, en de onberispelijken zijn het die erop zullen overblijven. Wat de goddelozen betreft, zij zullen van de aarde zelf worden afgesneden; en wat de verraderlijken betreft, zij zullen ervan worden weggerukt.” (Spreuken 2:21, 22).

„De boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten. En nog maar een korte tijd en de goddeloze zal er niet meer zijn. . . De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde bezitten, en zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede.” (Psalm 37:9-11) [77].

„Hoop op Jehovah en houd zijn weg, en hij zal u verhogen om de aarde in bezit te nemen. Wanneer de goddelozen worden afgesneden, zult gij het zien. Let op de onberispelijke en houd de oprechte in het oog, want de toekomst van die man zal vredig zijn. Maar de overtreders, díe zullen stellig te samen worden verdelgd; de toekomst der goddelozen zal inderdaad worden afgesneden.” (Psalm 37:34, 37, 38).

Met het oog op de geweldige toekomst die is weggelegd voor degenen die erkennen dat de almachtige Schepper het recht heeft om over ons te regeren, worden wij er dus toe aangespoord: „Moge uw hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen u worden toegevoegd.” Ja, eeuwig leven zal degenen worden toegevoegd die Gods wil verkiezen te doen! Daarom geeft Gods Woord ons de raad: „Vertrouw op Jehovah met heel uw hart en steun niet op uw eigen verstand. Sla in al uw wegen acht op hem, en híj zal uw paden recht maken.” Reeds nu in ons leven kunnen ij wegens God’s belofte reeds genieten van verscheidene voordelen.(Spreuken 3:1, 2, 5, 6) [78].

„Voor alles is er een vastgestelde tijd” (Prediker 3:1). Wanneer Gods bestemde tijd voor het toelaten van goddeloosheid en lijden eindigt, zal hij in de menselijke aangelegenheden ingrijpen. Hij zal een eind maken aan goddeloosheid en lijden, en zal zijn oorspronkelijke voornemen om een aarde te hebben met een volmaakte, gelukkige menselijke familie die volledige vrede en economische zekerheid geniet onder paradijselijke omstandigheden, verwezenlijken.

Goddelijke regering in het vooruitzicht.

God zal de reiniging van de aarde tot stand brengen door middel van de beste regering die de mensheid ooit zou kunnen hebben. Het is een regering die hemelse wijsheid weerspiegelt omdat ze vanuit de hemel onder Gods leiding regeert. En dat hemelse koninkrijk zal alle vormen van menselijke heerschappij van de aarde verwijderen. Mensen zullen nooit meer de keuze hebben om te trachten onafhankelijk van God te regeren.

In dit verband zegt de profetie in Daniël 2:44: „In de dagen van die koningen [hedendaagse regeringen] zal de God des hemels een koninkrijk oprichten [in de hemel] dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen [mensen zullen nooit meer onafhankelijk van God mogen regeren]. Het zal al deze [nu bestaande] koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan.” — Zie ook Openbaring 19:11-21; 20:4-6.

De mensheid zal dus nooit meer corrupte regeringsvormen hebben, want wanneer God een eind aan dit stelsel heeft gemaakt, zal menselijke heerschappij onafhankelijk van hem nooit meer bestaan. En het Koninkrijk dat vanuit de hemel regeert, zal nooit corrupt worden, aangezien God de Grondlegger en de Instandhouder ervan is. Nee, deze regering zal de beste belangen van haar menselijke onderdanen dienen. Dan zal op de gehele aarde Gods wil worden gedaan, zoals ook in de hemel. Daarom kon Jezus zijn discipelen leren tot God te bidden: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde.” (Mattheüs 6:10).

Al diegenen die zich Christen noemen moeten zich als volwaardige leerlingen van die Grote Leermeester uit Nazareth aanbieden bij zijn Vader die wij ook als Onze Vader moeten erkennen.

Vandaag moeten wij ons reeds klaar maken voor dat beloofde Koninkrijk van God.

Wacht dus niet tot morgen en onderneem vandaag reeds uw stappen in de goede richting.

Hebt u de moed om Jezus Christus na te volgen? Wil u met ons mee in zijn voetsporen verder onderweg gaan?

Jehovah God is „de Vader, aan wie elke familie in hemel en op aarde haar naam te danken heeft”. Als „de gelukkige God” weet hij hoe hij ook zijn universele familie gelukkig kan maken (Efeziërs 3:14, 15; 1 Timótheüs 1:11). Hij voorziet ruimschoots in alle behoeften van zijn kinderen, en daarvoor dienen wij hem steeds te danken, zoals ook de psalmist dit deed:

„Weet dat Jehovah God is. Hij is het die ons heeft gemaakt en niet wijzelf. Wij zijn zijn volk en de schapen van zijn weide. . . . Brengt hem dank, zegent zijn naam. Want Jehovah is goed; zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd, en zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.” (Psalm 100:3-5)

Wanneer wij Jehovah, de Soevereine Heer van het Universum, kennen, zal dit ons eeuwige zegeningen brengen. Jezus zei in gebed tot Jehovah:

„Dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God, en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus” (Johannes 17:3).

Dit houdt echter veel meer in dan slechts kennis in het hoofd te bezitten. Wij moeten God en zijn wonderbaarlijke eigenschappen en werken leren kennen en werkelijk van harte het grootse voorrecht waarderen op grond van het zoenoffer van zijn Zoon, Jezus Christus, in een gelukkige verhouding tot hem te komen.

De dag komt snel naderbij dat Jehovah het bevel zal geven zijn oordeel aan het wereldrijk van Babylonische valse religie te voltrekken. Haar verwoesting zal zich snel afspelen, als het ware „in één uur”. Sommigen van haar vroegere ondersteuners zullen wellicht over haar wenen en uitroepen: „Wat jammer, wat jammer”, maar degenen die bedroefd waren wegens de smaad die ze op Gods naam heeft gebracht, zullen zich verheugen:

„Wees vrolijk over haar, o hemel, ook gij heiligen en gij apostelen en gij profeten, want God heeft voor u op gerechtelijke wijze straf van haar geëist!” (Openbaring 18:19, 20).

Maar dat is nog niet alles! De „grote verdrukking” zal zich voortzetten „van natie tot natie, . . . van het ene einde der aarde helemaal tot het andere einde der aarde”, en alle goddelozen wegvagen (Jeremia 25:32, 33). Die storm van vernietiging zal verrassend plotseling komen, „zoals het geschiedde in de dagen van Noach”, en zal van korte duur zijn. De „verdrukking” zal zo groot zijn dat ’indien Jehovah de dagen niet had verkort, er geen vlees gered zou worden’. Het gehele universum zal gereinigd worden van degenen die de rechtvaardigheid en rechtmatigheid van de soevereiniteit die Jehovah over zijn schepselen uitoefent, betwist hebben. Dat zal werkelijk een reden tot verheuging zijn! (Lukas 17:26, 27; Markus 13:19, 20).

Voelt u zich, nadat u nu het „goede nieuws” van Jehovah’s voornemen hebt leren kennen, namelijk dat hij alle goddeloosheid uit het universum zal verwijderen en op aarde weer reine, vredige gelukkige toestanden zal teweegbrengen, niet gedrongen hem te loven en te danken? Dat dient u beslist te doen! Wat een vreugde is het de verwezenlijking van zijn voornemen te zien en te weten dat wij erin kunnen delen!

Heeft uw leven zulk een prachtig vooruitzicht? Hebt u een vredevolle geest? Wat zou zonder Jezus uw verwachting zijn? Hij alleen kan u het eeuwige leven aanbieden. Hij alleen kan u tot verzoening met God brengen.

Hebt de moed om Jezus na te volgen. Durf zijn leerstellingen ter harte te nemen en maak de toepassing er van waar.

Alleen hoef je de zoektocht naar vrede niet te verwezenlijken. Er zijn meerder lotgenoten die ook die smalle poort door willen gaan. Durf hun en onze uitgestrekte hand te aanvaarden om samen op weg te gaan.

Wij willen u verscheidene hulpmiddelen aanbieden om Gods Woord te bestuderen zodat u dat niet alleen moet doen. Eendracht maakt macht. Samen kunnen wij elkaar versterken om in gemeenschap van de vele broeders en zusters vredevol in deze wereld vol hoop op stap te gaan naar een eeuwig Koninkrijk.



[1]6 In dit feit verheugt GIJ U zeer, alhoewel GIJ op het ogenblik voor een korte tijd, indien het zo moet zijn, door velerlei beproevingen wordt bedroefd, 7 opdat de beproefde hoedanigheid van UW geloof — welke van veel grotere waarde is dan goud, dat vergaat ook al wordt het door vuur beproefd — een reden tot lof en heerlijkheid en eer bevonden moge worden bij de openbaring van Jezus Christus. (1 Petrus 1:6-7 NWV)

[2]39 Welnu, wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt. (Hebreeën 10:38-39 NWV)

[3] 7 Houdt op met oordelen, opdat GIJ niet wordt geoordeeld; 2 want met het oordeel waarmee GIJ oordeelt, zult GIJ geoordeeld worden; en met de maat waarmee GIJ meet, zal men U meten. 3 Waarom kijkt gij dan naar het strootje in het oog van uw broeder, maar beschouwt niet de balk in uw eigen oog? 4 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: ’Laat mij het strootje uit uw oog halen’, wanneer er, zie! een balk in uw eigen oog is? 5 Huichelaar! Haal eerst de balk uit uw eigen oog, en dan zult gij duidelijk zien hoe gij het strootje uit het oog van uw broeder moet halen. (Mattheüs 7:1-5 NWV)

[4]11 Want ik verlang ernaar U te zien om U enige geestelijke gave te kunnen meedelen en U daardoor standvastig te maken; 12 of liever, opdat er onder U een uitwisseling van aanmoediging mag zijn, doordat een ieder [wordt aangemoedigd] door middel van het geloof van de ander, zowel het UWE als het mijne. (Romeinen 1:11-12 NWV)

[5]hij hield het oog oplettend gericht op de beloning. 27 Door geloof verliet hij Egypte, doch zonder de toorn van de koning te vrezen, want hij bleef standvastig als zag hij de Onzichtbare. 28 Door geloof had hij het Pascha gevierd en het bespatten met het bloed, opdat de verdelger hun eerstgeborenen niet zou aanraken. (Hebreeën 11:26-28 NWV)

[6] 5 Door geloof werd Henoch overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien, en hij was nergens te vinden, omdat God hem had overgebracht; want vóór zijn overbrenging had hij het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest. (Hebreeën 11:5 NWV)

22 En nadat Henoch de vader van Methusalah was geworden, wandelde hij nog driehonderd jaar met de [ware] God. Intussen werd hij de vader van zonen en dochters. 23 Zo bedroegen al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. 24 En Henoch bleef met de [ware] God wandelen. Toen was hij niet meer, want God nam hem weg. (Genesis 5:21-24 NWV)

[7] 11 Wees wijs, mijn zoon, en verheug mijn hart, opdat ik een antwoord kan geven aan hem die mij hoont. (Spreuken 27:11 NWV)

[8]29 Jezus gaf hun ten antwoord: „Dit is het werk van God, dat GIJ geloof oefent in hem die Hij uitgezonden heeft.” (Johannes 6:28-29 NWV)

[9] 34 Ik geef U een nieuw gebod, dat GIJ elkaar liefhebt; net zoals ik U heb liefgehad, dat ook GIJ elkaar liefhebt. 35 Hieraan zullen allen weten dat GIJ mijn discipelen zijt, indien GIJ liefde onder elkaar hebt. (Johannes 13:34-35 NWV)

[10] “Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.’” (Joh 6:29 WV78)

[11] “Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden;” (Joh 1:12 WV78)

[12] 16 Want God heeft de wereld zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben. 17 Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld uitgezonden opdat hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door bemiddeling van hem gered zou worden. 18 Hij die geloof oefent in hem, zal niet geoordeeld worden. Hij die geen geloof oefent, is reeds geoordeeld, omdat hij geen geloof heeft geoefend in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 Dit nu is de basis voor het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, maar de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, omdat hun werken goddeloos waren. 20 Want hij die verachtelijke dingen beoefent, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet worden terechtgewezen. 21 Maar hij die doet wat waar is, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar gemaakt worden als [werken] die in overeenstemming met God zijn gedaan.” (Johannes 3:16-21 NWV)

[13] “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.’” (Joh 13:34-35 WV78)

“Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15:12 WV78)

18 Gij moogt geen wraak nemen, noch een wrok koesteren tegen de zonen van uw volk; en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf. (Leviticus 19:18 NWV)

12 Dit is mijn gebod, dat GIJ elkaar liefhebt net zoals ik U heb liefgehad. 13 Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden. 14 GIJ zijt mijn vrienden indien GIJ doet wat ik U gebied. 15 Ik noem U niet langer slaven, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet. Maar ik heb U vrienden genoemd, want alle dingen die ik van mijn Vader heb gehoord, heb ik U bekendgemaakt. (Johannes 15:11-15 NWV)

9 Met betrekking tot de broederlijke liefde behoeven wij U echter niet te schrijven, want GIJ zijt zelf door God onderwezen elkaar lief te hebben, 10 en GIJ doet dat ook jegens alle broeders in heel Macedonië. (1 Thessalonicenzen 4:9-10 NWV)

[14] 17 Deze dingen gebied ik U, dat GIJ elkaar liefhebt. 18 Indien de wereld U haat, GIJ weet dat ze mij eerder dan U heeft gehaat. 19 Als GIJ een deel van de wereld zoudt zijn, zou de wereld ten zeerste gesteld zijn op wat haar toebehoort. Omdat GIJ nu geen deel van de wereld zijt, maar ik U uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld U. 20 Denkt aan het woord dat ik tot U heb gezegd: Een slaaf is niet groter dan zijn meester. Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook U vervolgen; indien zij mijn woord hebben onderhouden, zullen zij ook het UWE onderhouden. 21 Maar zij zullen U al deze dingen aandoen wegens mijn naam, omdat zij hem niet kennen die mij heeft gezonden. 22 Indien ik niet was gekomen en niet tot hen had gesproken, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde. 23 Wie mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Indien ik onder hen niet de werken had gedaan die niemand anders heeft gedaan, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij zowel mij als mijn Vader èn gezien èn gehaat. 25 Maar het woord moest vervuld worden dat in hun Wet staat geschreven: ’Zij hebben mij zonder reden gehaat.’ 26 Wanneer de helper gekomen is, die ik U van de Vader zal zenden, de geest der waarheid, die van de Vader uitgaat, zal die getuigenis over mij afleggen; 27 en GIJ moet op UW beurt getuigenis afleggen, want GIJ zijt bij mij geweest sinds ik begon. (Johannes 15:17-27 NWV)

[15]15 Betrouwbaar is het woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te redden. (1 Timotheüs 1:15 NWV)

31 Jezus gaf hun ten antwoord: „Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die iets mankeren wel. 32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar zondaars tot berouw te roepen.” (Lukas 5:31-32 NWV)

19 namelijk dat God door bemiddeling van Christus een wereld met zichzelf verzoende, waarbij hij hun hun overtredingen niet aanrekende, en hij heeft aan ons het woord van de verzoening toevertrouwd. (2 Korinthiërs 5:19 NWV)

2 En hij is een zoenoffer voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld. (1 Johannes 2:1-2 NWV)

[16]26 En hij heeft uit één [mens] elke natie van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen, en hij heeft de bestemde tijden en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der [mensen] verordend, 27 opdat zij God zouden zoeken, of zij wellicht naar hem tasten en hem werkelijk vinden zouden, ofschoon hij eigenlijk niet ver is van een ieder van ons. 28 Want door hem hebben wij leven en bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook sommigen van de dichters onder U hebben gezegd: ’Want wij zijn ook zijn nageslacht.’

29 Aangezien wij daarom Gods nageslacht zijn, moeten wij niet menen dat het Goddelijk Wezen op goud of zilver of steen gelijkt, op iets wat door menselijke kunstvaardigheid en menselijk vernuft is gebeeldhouwd. 30 God heeft weliswaar de tijden van zulk een onwetendheid voorbijgezien, maar zegt de mensen thans dat zij allen overal berouw moeten hebben. 31 Want hij heeft een dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid te oordelen door een man die hij heeft aangesteld, en hij heeft alle mensen een waarborg verschaft doordat hij hem uit de doden heeft opgewekt.” (Handelingen 17:26-31 NWV)

47 en op basis van zijn naam zou er in alle natiën berouw tot vergeving van zonden gepredikt worden — te beginnen vanuit Jeruzalem 48 moet GIJ getuigen van deze dingen zijn. (Lukas 24:47-48 NWV)

31 Hem heeft God als Voornaamste Gevolmachtigde en Redder tot zijn rechterhand verhoogd, om Israël [de gelegenheid tot] berouw en vergeving van zonden te geven. (Handelingen 5:31 NWV)

38 Laat het U daarom bekend zijn, broeders, dat door bemiddeling van Hem vergeving van zonden aan U wordt verkondigd; 39 en dat van al de dingen waarvan GIJ door middel van de wet van Mozes niet onschuldig verklaard kondt worden, een ieder die gelooft, onschuldig wordt verklaard door bemiddeling van Hem. (Handelingen 13:38-39 NWV)

25 Jezus zei tot haar: „Ik ben de opstanding en het leven. Wie geloof oefent in mij, zal, ook al sterft hij, tot leven komen; 26 en een ieder die leeft en geloof oefent in mij, zal stellig nooit sterven. Gelooft gij dit?” (Johannes 11:25-26 NWV)

24 Maar God heeft hem opgewekt door de smarten van de dood te ontbinden, want het was niet mogelijk dat hij daardoor blijvend werd vastgehouden. (Handelingen 2:23-24 NWV)

32 Daarom dan maken wij U het goede nieuws bekend omtrent de belofte die aan de voorvaders is gedaan, 33 dat God ze aan ons, hun kinderen, volledig heeft vervuld doordat hij Jezus heeft opgewekt, zoals ook in de tweede psalm staat geschreven: ’Gij zijt mijn zoon, heden ben ik uw Vader geworden.’ (Handelingen 13:32-33 NWV)

[17]…Deze dingen zegt ’de Eerste en de Laatste’, die een dode werd en [weer] tot leven gekomen is: 9 ’Ik ken uw verdrukking en armoede — doch gij zijt rijk — en de lastering van de zijde van hen die zeggen dat zij joden zijn en het evenwel niet zijn, maar die een synagoge van Satan zijn. 10 Wees niet bevreesd voor de dingen die gij gaat lijden. Zie! De Duivel zal voortgaan sommigen van U in de gevangenis te werpen, opdat GIJ volledig op de proef wordt gesteld en opdat GIJ tien dagen verdrukking hebt. Bewijs dat gij getrouw zijt, zelfs tot de dood, en ik zal u de kroon des levens geven. 11 Wie een oor heeft, hij hore wat de geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, zal geenszins schade lijden van de tweede dood.’ (Openbaring 2:8-11 NWV)

6 En hij zal een ieder vergelden naar zijn werken: 7 eeuwig leven aan hen die door volharding in werk dat goed is, heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken; 8 hun echter die twistziek zijn en die ongehoorzaam aan de waarheid maar gehoorzaam aan onrechtvaardigheid zijn, wacht gramschap en toorn, 9 verdrukking en benauwdheid, over de ziel van ieder mens die het schadelijke doet, eerst van de jood en ook van de Griek; 10 maar heerlijkheid en eer en vrede voor een ieder die het goede doet, eerst voor de jood en ook voor de Griek. (Romeinen 2:5-10 NWV)

12 Gelukkig is de man die beproeving blijft verduren, want nadat hij is goedgekeurd, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Jehovah beloofd heeft aan hen die hem blijven liefhebben. (Jakobus 1:12 NWV)

30 Daarom zei de engel tot haar: „Vrees niet, Maria, want gij hebt gunst gevonden bij God; 31 en zie! gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren, en gij moet hem de naam Jezus geven. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd; en Jehovah God zal hem de troon van zijn vader David geven, 33 en hij zal voor eeuwig als koning over het huis van Jakob regeren en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.” (Lukas 1:30-33 NWV)

44 En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan, (Daniël 2:44 NWV)

14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden. (Daniël 7:13-14 NWV)

8 Maar met betrekking tot de Zoon: „God is uw troon in alle eeuwigheid, en [de] scepter van uw koninkrijk is de scepter van recht. (Hebreeën 1:7-8 NWV)

[18]35 Ik heb U in alle dingen getoond dat GIJ door aldus te arbeiden, de zwakken moet bijstaan en de woorden van de Heer Jezus in gedachte moet houden, toen hijzelf zei: ’Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.’ (Handelingen 20:34-35 NWV)

[19]13 Laten wij dan tot hem gaan buiten de legerplaats en de smaad dragen die hij heeft gedragen, 14 want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken ernstig de toekomstige. 15 Laten wij door bemiddeling van hem God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken. 16 Vergeet bovendien niet goed te doen en anderen met U te laten delen, want zulke slachtoffers zijn God welgevallig. (Hebreeën 13:12-16 NWV)

[20] “Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar.” (Heb 10:23 WV78)

[21] “Na de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals ge weet, in Filippi hadden moeten verduren, hebben wij met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand zijn boodschap bij u openlijk te verkondigen.” (1Th 2:2 WV78)

[22]16 En het geschiedde toen wij onderweg waren naar de gebedsplaats, dat een zeker dienstmeisje met een geest, een waarzeggende demon, ons tegemoet kwam. Zij verschafte haar meesters gewoonlijk groot gewin door de kunst van het voorspellen te beoefenen. 17 Dit [meisje] bleef Paulus en ons volgen, terwijl zij de volgende woorden riep: „Deze mensen zijn slaven van de Allerhoogste God, die ulieden de weg der redding verkondigen.” 18 Dit bleef zij vele dagen achtereen doen. Ten slotte begon het Paulus te vervelen, en hij keerde zich om en zei tot de geest: „Ik beveel u in de naam van Jezus Christus van haar uit te gaan.” En in datzelfde uur ging hij uit.

19 Toen nu haar meesters zagen dat hun hoop op gewin was verdwenen, grepen zij Paulus en Silas en sleepten hen naar de marktplaats, naar de regeerders, 20 en zij brachten hen voor de burgerlijke magistraten en zeiden: „Deze mensen brengen onze stad geheel in rep en roer, daar zij joden zijn, 21 en zij verkondigen gebruiken die wij niet mogen aanvaarden of beoefenen, aangezien wij Romeinen zijn.” 22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en na hun de bovenklederen van het lijf te hebben gescheurd, gaven de burgerlijke magistraten bevel hun stokslagen te geven. 23 Na hun vele slagen te hebben toegediend, wierpen zij hen in de gevangenis en gaven de gevangenbewaarder bevel hen zorgvuldig te bewaken. 24 Omdat hij zulk een bevel had gekregen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten in het blok. (Handelingen 16:16-24 NWV)

[23] 20 Maar GIJ, geliefden, moet UZELF opbouwen op UW allerheiligst geloof en bidden met heilige geest, 21 en UZELF [aldus] bewaren in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, met eeuwig leven in het vooruitzicht. (Judas 19-21 NWV)

32 En nu draag ik U op aan God en aan het woord van zijn onverdiende goedheid, welk [woord] U kan opbouwen en U de erfenis kan geven onder alle geheiligden. (Handelingen 20:31-32 NWV)

10 Overeenkomstig de onverdiende goedheid van God die mij gegeven werd, heb ik als een wijs bestuurder van werken een fundament gelegd, maar iemand anders bouwt erop. (1 Korinthiërs 3:10 NWV)

[24] “in Hem geworteld, op Hem gebouwd, steunend op het geloof dat men u geleerd heeft, terwijl uw hart overvloeit van dankbaarheid.” (Col 2:7 WV78)

“Blijft daarom elkander bemoedigen en steunen, zoals gij trouwens al doet.” (1Th 5:11 WV78)

[25] “Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven, heeft Hij zo in vervulling doen gaan. Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist” (Hnd 3:18-19 WV78)

[26]4 Verheugt U altijd in [de] Heer. Nogmaals zal ik zeggen: Verheugt U! 5 Laat UW redelijkheid aan alle mensen bekend worden. De Heer is nabij. 6 Weest over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met dankzegging UW smeekbeden bij God bekend worden; 7 en de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat, zal UW hart en UW geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus. (Filippenzen 4:4-7 NWV)

[27](Gelieve hieromtrent onze folders en artikels te lezen)

[28] “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” (Joh 3:16 WV78)

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan.” (Joh 5:24 WV78)

[29] “de Heer is wie Hem aanroept nabij, elk die Hem aanroept in vertrouwen.” (Ps 145:18 WV78)

“En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn.” (Flp 4:9 WV78)

“Maar thans heeft God u met zich verzoend in Christus’ sterfelijk lichaam, door zijn dood, want Hij wil dat gij als heilige mensen voor Hem zult verschijnen, zonder smet of blaam. Maar dan moet gij ook vast en onwrikbaar blijven in het geloof en u niet laten afbrengen van de hoop die u in het evangelie is aangezegd. Dit is de boodschap die aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden.” (Col 1:22-23 WV78)

[30] “En beliegt elkaar niet meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af, bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper.” (Col 3:9-10 WV78)

[31] 25 Nu GIJ daarom onwaarheid hebt weggedaan, spreekt waarheid, een ieder van U met zijn naaste, want wij zijn leden die elkaar toebehoren. 26 Weest toornig en zondigt toch niet; laat de zon niet ondergaan terwijl GIJ in een geërgerde stemming verkeert, 27 en staat ook de Duivel geen plaats toe. 28 Wie steelt, stele niet meer, maar laat hij liever hard werken, door met zijn handen goed werk te doen, opdat hij iets aan een behoeftige kan uitdelen. 29 Laat geen verdorven woord uit UW mond voortkomen, maar elk woord dat goed is tot opbouw waar het nodig is, opdat daardoor iets meegedeeld mag worden wat gunstig is voor de hoorders. 30 Bedroeft ook Gods heilige geest niet, waarmee GIJ verzegeld zijt voor een dag van verlossing door losprijs.

31 Alle kwaadaardige bitterheid en toorn en gramschap en geschreeuw en schimpend gepraat worde uit UW midden weggenomen, evenals alle slechtheid. 32 Maar wordt vriendelijk jegens elkaar, teder mededogend, elkaar vrijelijk vergevend, zoals ook God door Christus U vrijelijk vergeven heeft. (Efeziërs 4:25-32 NWV)

[32] “Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden. Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid; En geeft den duivel geen plaats. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft. Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede [rede] is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efe 4:25-32 STV)

[33]2 aan de heiligen en getrouwe broeders in eendracht met Christus te Kolosse:

Mogen onverdiende goedheid en vrede U ten deel vallen van God, onze Vader.

3 Wij danken God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd wanneer wij voor U bidden, 4 aangezien wij hebben gehoord van UW geloof in verband met Christus Jezus en de liefde die GIJ hebt voor alle heiligen 5 wegens de hoop die voor U in de hemelen is weggelegd. GIJ hebt reeds eerder over deze [hoop] gehoord door de prediking van de waarheid van dat goede nieuws, 6 hetwelk tot U is doorgedrongen, zoals het in de gehele wereld vrucht draagt en toeneemt, evenals [dit] ook onder U [het geval is], vanaf de dag dat GIJ de onverdiende goedheid van God in waarheid hebt gehoord en nauwkeurig hebt leren kennen. (Kolossenzen 1:1-6 NWV)

[34] 12 Bekleedt U dan als Gods uitverkorenen, heilig en bemind, met de tedere genegenheden van mededogen, goedheid, ootmoedigheid des geestes, zachtaardigheid en lankmoedigheid. 13 Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah U vrijelijk vergeven heeft, doet ook GIJ evenzo. 14 [Bekleedt U] bij al deze dingen echter [met] liefde, want ze is een volmaakte band van eenheid. (Kolossenzen 3:12-14 NWV)

[35] “Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.” (2Co 5:20 STV)

[36] “Zeg tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin [heb] [Ik] [lust], dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?” (Eze 33:11 STV)

[37]17 Zo is ook geloof, indien het geen werken heeft, op zichzelf dood. (Jakobus 2:17 NWV) “Gij dwaas, wilt ge het bewijs dat het geloof zonder de daad waardeloos is?” (Jak 2:20 WV78)

“Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad.” (Jak 2:26 WV78)

[38]6 maar Christus [was getrouw] als Zoon over Diens huis. Diens huis zijn wij, indien wij onze vrijmoedigheid van spreken en ons roemen over de hoop tot het einde toe stevig vasthouden. (Hebreeën 3:5-6 NWV)

[39]16 En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn een tempel van een levende God, zoals God heeft gezegd: „Ik zal onder hen verblijven en onder [hen] wandelen, en ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.” (2 Korinthiërs 6:15-16 NWV)

19 GIJ zijt daarom stellig geen vreemden en inwonende vreemdelingen meer, maar medeburgers van de heiligen en leden van het huisgezin van God, 20 en GIJ zijt opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de fundament-hoeksteen is. (Efeziërs 2:19-20 NWV)

[40]3 1.Indien GIJ echter met de Christus werdt opgewekt, blijft dan de dingen zoeken die boven zijn, waar de Christus gezeten is aan de rechterhand van God. (Kolossenzen 3:1 NWV)

15 Laat ook de vrede van de Christus in UW hart heersen, want daartoe werdt GIJ feitelijk in één lichaam geroepen. En betoont U dankbaar. 16 Het woord van de Christus wone rijkelijk in U in alle wijsheid. Blijft elkaar onderwijzen en ernstig vermanen met psalmen, lofzangen voor God, geestelijke liederen met minzaamheid, in UW hart Jehovah toezingend. 17 En wat GIJ ook doet in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, terwijl GIJ God, de Vader, door bemiddeling van hem dankt. (Kolossenzen 3:15-17 NWV)

[41] (Efeziërs 5:19-20 NWV)19 en spreekt tot elkaar met psalmen en lofzangen voor God en geestelijke liederen, waarbij GIJ zingt en UZELF begeleidt met muziek in UW hart voor Jehovah, 20 terwijl GIJ altijd voor alle dingen onze God en Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus dankzegt. (Efeziërs 5:19-20 NWV)

[42] “Het zout is iets goeds; maar als het zout zoutloos wordt, waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven? Hebt zout in uzelf en leeft in vrede met elkaar.’” (Mr 9:50 WV78)

[43]26 Wat dan te doen, broeders? Wanneer GIJ samenkomt, heeft de een een psalm, de ander heeft een lering, een ander heeft een openbaring, een ander heeft een taal, een ander heeft een uitlegging. Laat alle dingen tot opbouw geschieden. (1 Korinthiërs 14:26 NWV)

“Het zout is iets goeds; maar als ook het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het dan weer bruikbaar gemaakt worden?” (Lu 14:34 WV78)

[44] 33 Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze [andere] dingen zullen U worden toegevoegd. 34 Weest dus nooit bezorgd voor de volgende dag, want de volgende dag zal zijn eigen zorgen hebben. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. (Mattheüs 6:33-34 NWV)

17 want daarin wordt Gods rechtvaardigheid geopenbaard op grond van geloof en tot geloof, zoals er staat geschreven: „Maar de rechtvaardige — door middel van geloof zal hij leven.” (Romeinen 1:17 NWV)

[45] … Wie in eendracht met mij blijft, en ik in eendracht met hem, die draagt veel vrucht; want gescheiden van mij kunt GIJ in het geheel niets doen. 6 Indien iemand niet in eendracht met mij blijft, wordt hij als rank buitengeworpen en verdort; en men raapt die ranken bijeen en gooit ze in het vuur en ze worden verbrand. 7 Indien GIJ in eendracht met mij blijft en mijn woorden in U blijven, vraagt dan wat GIJ ook wenst en het zal voor U geschieden. 8 Hierin wordt mijn Vader verheerlijkt, dat GIJ veel vrucht blijft dragen en U mijn discipelen betoont. 9 Evenals de Vader mij heeft liefgehad en ik U heb liefgehad, zo blijft in mijn liefde. 10 Als GIJ mijn geboden onderhoudt, zult GIJ in mijn liefde blijven, evenals ik de geboden van de Vader heb onderhouden en in zijn liefde blijf. (Johannes 15:5-10 NWV)

[46] 14 Aangezien wij derhalve een grote hogepriester hebben die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij aan [onze] belijdenis van [hem] vasthouden. 15 Want wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die evenals wij in alle opzichten op de proef is gesteld, maar zonder zonde. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid van spreken de troon van onverdiende goedheid naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en onverdiende goedheid mogen vinden tot hulp op de juiste tijd. (Hebreeën 4:14-16 NWV)

[47] 17 Vandaar dat hij in alle opzichten aan zijn „broeders” gelijk moest worden, opdat hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden in de dingen die God betreffen, om een zoenoffer te brengen voor de zonden van het volk. 18 Want doordat hij zelf heeft geleden toen hij op de proef werd gesteld, kan hij degenen die op de proef worden gesteld, te hulp komen. (Hebreeën 2:17-18 NWV)

[48] Het modelgebed “Onze Vader”

[49] 18 Wij weten dat een ieder die uit God geboren is, geen zonde beoefent, maar Degene die uit God geboren is, waakt over hem, en de goddeloze krijgt hem niet in zijn greep. (1 Johannes 5:18 NWV)

[50] “Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden.” (Col 1:13-14 NBV)

[51] 36 Ook moogt gij niet bij uw hoofd zweren, want gij kunt niet één haar wit of zwart maken. 37 Laat UW woord Ja gewoon Ja betekenen, [en] UWNeen, Neen; want wat daar nog bij komt, is uit de goddeloze. (Mattheüs 5:35-37 NWV)

[52] “Zweer niet ijdel, vloek noch spot”.

[53] “Heilig steeds de dag der heren”.Maar “zon en feestdag zult gij eren” staat nergens schriftuurlijk vast. Elke dag van de week is goed om God te vieren en hoog te achten. 14 Nisan of de dag van het Laatste Avondmaal is de enige dag waarvan Jezus heeft gezegd hem te herhalen of te vieren in zijn naam. “Doe dit tot mijn herinnering”

[54]17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad. Verschaft voortreffelijke dingen voor het oog van alle mensen. 18 Zijt indien mogelijk, voor zover het van U afhangt, vredelievend jegens alle mensen. 19 Wreekt UZELF niet, geliefden, maar geeft plaats aan de gramschap; … (Romeinen 12:17-19 NWV)

23 Wijs verder dwaze en domme twistvragen af, daar gij weet dat ze strijd teweegbrengen. 24 Een slaaf van de Heer behoeft echter niet te strijden, maar moet vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, iemand die zich onder het kwade in bedwang houdt 25 en met zachtaardigheid degenen onderricht die niet gunstig gezind zijn, daar God hun misschien berouw geeft, hetwelk tot een nauwkeurige kennis van de waarheid leidt, 26 en zij weer tot bezinning komen uit de strik van de Duivel, aangezien zij door hem levend gevangen zijn om diens wil te doen. (2 Timotheüs 2:23-26 NWV)

14 Streeft naar vrede met alle mensen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien, 15 terwijl GIJ er zorgvuldig op toeziet dat niemand van de onverdiende goedheid van God beroofd wordt; dat er geen giftige wortel opschiet en onrust veroorzaakt en velen daardoor verontreinigd worden; (Hebreeën 12:14-15 NWV)

“Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld.” (Ro 13:1 WV78)

[55]3 Blijf hen eraan herinneren onderworpen en gehoorzaam te zijn aan regeringen en autoriteiten als regeerders, bereid te zijn tot ieder goed werk, (Titus 3:1 NWV)

17 Daarop zei Jezus: „Betaalt caesar terug wat van caesar, maar God wat van God is.” En zij gingen zich over hem verwonderen. (Markus 12:17 NWV)

13 Onderwerpt U ter wille van de Heer aan iedere menselijke schepping: hetzij aan een koning, als degene die superieur is, 14 of aan stadhouders, als degenen die door hem gezonden zijn om boosdoeners straf toe te dienen maar hen die het goede doen te loven. 15 Want dit is de wil van God, dat GIJ door het goede te doen de onwetende praat van de onredelijke mensen doet verstommen. 16 Weest als vrije mensen, en gebruikt toch UW vrijheid niet als een dekmantel voor slechtheid, maar als slaven van God. 17 Eert alle soorten van [mensen], hebt liefde voor de gehele gemeenschap van broeders, vreest God, eert de koning.

(1 Petrus 2:13-17 NWV)

“Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld.” (Ro 13:1 WV78)

“Daarop sprak Jezus tot hen: ‘Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.’En ze stonden verwonderd over Hem.” (Mr 12:17 WV78)

“Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld. Wie zich dus tegen het gezag verzet, verzet zich tegen Gods verordening, en wie dit doen, roepen een vonnis over zich af. De overheden zijn niet te duchten bij een goede, wel bij een slechte daad. Wilt gij zonder vrees voor het gezag leven, doet het goede, en het gezag zal u prijzen. Want de overheid staat in dienst van God voor uw welzijn. Doet gij echter het kwade, dan moet gij vrezen; zij draagt het zwaard niet voor niets. Zij is een werktuig van God om aan de boosdoener de rechtvaardige straf te voltrekken. Daarom is het nodig dat gij u onderwerpt, niet alleen uit vrees voor straf, maar ook ter wille van een goed geweten. Om dezelfde reden betaalt gij ook belasting; de beambten staan in dienst van God, en wijden daaraan al hun aandacht. Geeft ieder wat hem toekomt: belasting en rechten aan wie gij belasting en rechten verschuldigd zijt, ontzag en eerbied aan wie ontzag en eerbied toekomen.” (Ro 13:1-7 WV78)

[56] “Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen ter wille van de Heer: aan de keizer als het hoogste gezag, en aan de stadhouders, omdat zij door Hem zijn aangesteld om boosdoeners te straffen en hen die het goede doen te eren. Het is de wil van God, dat gij door een goed gedrag de onwetendheid van onverstandige lieden tot zwijgen brengt. Leeft als vrije mensen, maar maakt als dienstknechten van God van de vrijheid geen voorwendsel voor de ondeugd. Betoont eer aan allen, bemint de broeders, vreest God, eert de keizer.” (1Pe 2:13-17 WV78)

5 Voor zulk een vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Staat daarom vast en laat U niet opnieuw een slavenjuk opleggen. (Galaten 5:1 NWV)

“Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven; dan zullen zij die u nu als boosdoeners belasteren, bij nader toezien God om uw goede daden verheerlijken, op de dag dat Hij komt rechtspreken.” (1Pe 2:12 WV78)

“uw prediking heilzaam en onaanvechtbaar. Dan weet de tegenstander niets kwaads van ons te zeggen en komt hij misschien tot andere gedachten.” (Tit 2:8 WV78)

[57]“Geef een ieder de verschuldigde eer; hebt de leden van de broederschap lief; vreest God; eert de koning.” (1Pe 2:17 PALM)

“Bemint elkander hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf.” (Ro 12:10 WV78)

“Geeft dan aan allen wat gij schuldig zijt; schatting, die gij schatting, tol, die gij de tol, ontzag, die gij ontzag, eerbied, die gij eerbied schuldig zijt.” (Ro 13:7 PALM)

[58]7 Geeft aan allen wat hun toekomt: aan hem die [vraagt om] de belasting, de belasting; aan hem die [vraagt om] de schatting, de schatting; aan hem die [vraagt om] vrees, die vrees; aan hem die [vraagt om] eer, die eer. (Romeinen 13:7 NWV)
12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen lang mogen blijken te zijn op de grond die Jehovah, uw God, u geeft.

13 Gij moogt niet moorden.

14 Gij moogt geen overspel plegen.

15 Gij moogt niet stelen.

16 Gij moogt als getuige geen valse verklaring tegen uw naaste afleggen.

17 Gij moogt het huis van uw naaste niet begeren. Gij moogt de vrouw van uw naaste niet begeren, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn stier, noch zijn ezel, noch iets wat uw naaste toebehoort.”

(Ex 20:12-17 NWV)

32 Voor het grijze haar dient gij op te staan, en gij moet de persoon van een oud man consideratie betonen, en gij moet vrezen voor uw God. Ik ben Jehovah. (Le 19:32 NWV)

“Eer uw vader en uw moeder, zo luidt het eerste gebod waaraan een belofte is verbonden, opdat het u welga en gij lang moogt leven op aarde.” (Efe 6:2-3 WV78)

19 Gij kent de geboden: ’Moord niet, Pleeg geen overspel, Steel niet, Leg geen vals getuigenis af, Doe niet te kort, Eer uw vader en moeder’. (Markus 10:19 NWV)

[59] “Laat het stelen en bedriegen”

“Gij zult niet doden. Gij zult geen echtbreuk plegen. Gij zult niet stelen.” (Ex 20:13-15 WV78)

6 Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden, want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt. (Genesis 9:6 NWV)

10 Want al wie de gehele Wet onderhoudt, maar in één punt een misstap doet, die is een overtreder geworden van alle. 11 Want hij die gezegd heeft: „Gij moogt geen overspel plegen”, heeft ook gezegd: „Gij moogt niet moorden.” Indien gij nu geen overspel pleegt maar wel moordt, zijt gij een overtreder van de wet geworden. (Jakobus 2:10-11 NWV)

32 Al wie overspel pleegt met een vrouw, ontbreekt het aan hart; hij die het doet, stort zijn eigen ziel in het verderf. 33 Een plaag en oneer zal hij vinden, en zijn smaad zelf zal niet uitgewist worden. (Spreuken 6:32-33 NWV)

11 Gijlieden moogt niet stelen, en GIJ moogt niet bedriegen, en GIJ moogt niet bedrieglijk handelen, wie dan ook met zijn volksgenoot. (Leviticus 19:11 NWV)

13 Gij moogt uw naaste niet afzetten, en gij moogt niet roven. Het loon van een loonarbeider dient niet de gehele nacht bij u te blijven tot de morgen. (Leviticus 19:13 NWV)

21 Ook moogt gij de vrouw van uw naaste niet begeren. Noch moogt gij zelfzuchtig een sterke begeerte hebben naar het huis van uw naaste, naar zijn veld of zijn slaaf of zijn slavin, zijn stier of zijn ezel of iets wat uw naaste toebehoort.’ (Deuteronomium 5:21 NWV)

[60] Toen Petrus Jezus wilde verdedigen zei Christus het zwaard terug op te bergen. “52 Toen zei Jezus tot hem: „Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan.” (Mattheüs 26:51-52 NWV)

11 Jezus echter zei tot Petrus: „Steek het zwaard in [zijn] schede. Zou ik de beker die de Vader mij heeft gegeven, niet stellig drinken?” (Johannes 18:11 NWV)

6 Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden, want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt. (Genesis 9:6 NWV)

10 Indien iemand [bestemd is] voor gevangenschap, dan gaat hij in gevangenschap. Indien iemand met het zwaard zal doden, moet hijzelf met het zwaard gedood worden. Hier komt het aan op de volharding en het geloof van de heiligen. (Openbaring 13:10 NWV)

[61] “zweer niet ijdel, vloek, noch spot”

12 En GIJ moogt niet in mijn naam op een leugen zweren, zodat gij de naam van uw God ontheiligt. Ik ben Jehovah. (Leviticus 19:12 NWV)

[62]19 Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: „Oordeelt zelf of het in Gods ogen rechtvaardig is meer naar U te luisteren dan naar God. 20 Maar wat ons betreft, wij kunnen niet ophouden te spreken over de dingen die wij gezien en gehoord hebben.” (Handelingen 4:19-20 NWV)

27 Zij haalden hen dan en stelden hen in de Sanhedrin-zaal. En de hogepriester ondervroeg hen 28 en zei: „Wij hebben U uitdrukkelijk bevolen niet door te gaan met onderwijzen op basis van deze naam, en ziet! nochtans hebt GIJ Jeruzalem met UW leer vervuld, en GIJ zijt vastbesloten het bloed van deze mens over ons te brengen.” 29 Petrus en de [andere] apostelen gaven ten antwoord: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen. (Handelingen 5:27-29 NWV)

15 Indien GIJ mij liefhebt, zult GIJ mijn geboden onderhouden; 16 en ik zal de Vader een verzoek doen en hij zal U een andere helper geven om voor altijd bij U te zijn, 17 de geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, omdat ze hem niet ziet en niet kent. GIJ kent hem, want hij blijft bij U en is in U. (Johannes 14:15-17 NWV)

22 Samuël zei hierop: „Heeft Jehovah evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers als in het gehoorzamen van de stem van Jehovah? Zie! Gehoorzamen is beter dan een slachtoffer, aandacht schenken [beter] dan het vet van rammen; 23 want weerspannigheid is hetzelfde als de zonde van waarzeggerij, en aanmatigend vooruitdringen hetzelfde als [het gebruiken van] magische kracht en terafim. Daar gij het woord van Jehovah hebt verworpen, verwerpt hij dienovereenkomstig u als koning. (1 Samuël 15:22-23 NWV)

“Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: ‘Oordeelt zelf, of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God.” (Hnd 4:19 WV78)

[63] 32” en van onder de mensen verdrijft men u zelfs, en bij de dieren van het veld zal uw woning zijn. Plantengroei zal men ook u te eten geven net als de stieren, en zeven tijden zullen er over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste [de] Heerser is in het koninkrijk der mensheid, en dat hij het geeft aan wie hij wil.’” (Daniël 4:32 NWV)

[64]15 En de zevende engel blies op zijn trompet. En er weerklonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: „Het koninkrijk der wereld is het koninkrijk van onze Heer en van zijn Christus geworden, en hij zal als koning regeren tot in alle eeuwigheid.” (Openbaring 11:15 NWV)

13 Uw koningschap is een koningschap voor alle onbepaalde tijden, En uw heerschappij is gedurende alle opeenvolgende geslachten (Psalm 145:13 NWV)

44 En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan, 45 aangezien gij aanschouwd hebt dat uit de berg, niet door handen, een steen werd gehouwen, en [dat] die het ijzer, het koper, het gevormde leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God zelf heeft aan de koning bekendgemaakt wat er hierna geschieden zal. En de droom is waarachtig, en de uitlegging ervan is betrouwbaar.” (Daniël 2:44-45 NWV)

[65] “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.” (Mt 7:1-2 WV78)

[66] “Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog!” (Mt 7:3-4 WV78)

“Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.” (Mt 7:6 WV78)

[67]7 Blijft vragen, en het zal U gegeven worden; blijft zoeken, en GIJ zult vinden; blijft kloppen, en er zal U opengedaan worden. 8 Want al wie vraagt, ontvangt, en al wie zoekt, vindt, en al wie klopt, hem zal opengedaan worden. (Mattheüs 7:7-8 NWV)

24 Daarom zeg ik U: Hebt bij alle dingen waarom GIJ bidt en vraagt, geloof dat GIJ ze feitelijk reeds hebt ontvangen, en GIJ zult ze hebben. 25 En wanneer GIJ staat te bidden, vergeeft dan al wat GIJ tegen iemand hebt; opdat ook UW Vader, die in de hemelen is, UUW overtredingen moge vergeven.” (Markus 11:23-25 NWV)

[68]11 Als GIJ dus, ofschoon GIJ slecht zijt, goede gaven aan UW kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan UW Vader, die in de hemelen is, goede dingen geven aan wie hem erom vragen!

12 Alle dingen dan die GIJ wilt dat de mensen voor U doen, moet ook GIJ insgelijks voor hen doen; dit is trouwens de betekenis van de Wet en de Profeten. (Mattheüs 7:11-12 NWV)

[69]“Als men u ergens niet ontvangt en niet naar uw woorden luistert, verlaat dan dat huis of die stad en schudt het stof van uw voeten.” (Mt 10:14 WV78)

“Maak een spotter geen verwijten: hij gaat u maar haten. Doe het een wijze: die zal u waarderen. Deel mee aan een wijze en hij zal nog wijzer worden, onderricht een rechtvaardige en hij zal zijn weten nog vermeerderen.” (Spr 9:8-9 WV78)

“Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: ‘Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen.” (Hnd 13:46 WV78)

“Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, opdat gij tot redding zou strekken tot aan het uiteinde van de aarde.’” (Hnd 13:47 WV78)

[70] “Wacht u voor de honden, de saboteurs, de versnedenen!” (Flp 3:2 WV78)

[71]13 Gaat in door de nauwe poort; want breed en wijd is de weg die naar de vernietiging voert, en velen zijn er die daardoor ingaan; 14 maar nauw is de poort en smal de weg die naar het leven voert, en weinigen zijn er die hem vinden.

15 Wacht U voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot U komen, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. 16 Aan hun vruchten zult GIJ hen herkennen. Plukt men soms ooit druiven van dorens of vijgen van distels? 17 Evenzo brengt elke goede boom voortreffelijke vruchten voort, maar elke rotte boom brengt waardeloze vruchten voort; 18 een goede boom kan geen waardeloze vruchten dragen, noch kan een rotte boom voortreffelijke vruchten voortbrengen. 19 Elke boom die geen voortreffelijke vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 20 Aan hun vruchten zult GIJ die [mensen] dus waarlijk herkennen.

21 Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is. 22 Velen zullen op die dag tot mij zeggen: ’Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam demonen uitgeworpen, en in uw naam vele krachtige werken verricht?’ 23 En toch zal ik hun dan openlijk verklaren: Ik heb U nooit gekend! Gaat weg van mij, GIJ werkers der wetteloosheid.

24 Een ieder daarom die deze woorden van mij hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een beleidvol man, die zijn huis op de rots bouwde. 25 En de regen stroomde neer en de stortvloeden kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest. 26 Voorts zal een ieder die deze woorden van mij hoort en ze niet doet, vergeleken worden met een dwaas man, die zijn huis op het zand bouwde. 27 En de regen stroomde neer en de stortvloeden kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis en het stortte in, en zijn ineenstorting was groot.”

28 Toen Jezus nu deze woorden had geëindigd, was de uitwerking dat de scharen versteld stonden van zijn manier van onderwijzen; 29 want hij onderwees hen als iemand die autoriteit heeft, en niet zoals hun schriftgeleerden. (Mattheüs 7:13-29 NWV)

Hij zei tot hen: 24 „Spant U krachtig in om door de nauwe deur binnen te gaan, want velen, zeg ik U, zullen trachten binnen te gaan, maar zullen niet in staat zijn, 25 wanneer de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur op slot heeft gedaan en GIJ begint buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: ’Heer, doe ons open.’ (Lukas 13:23-25 NWV)

“Laten wij dan ook niet slapen als de anderen, maar waken en nuchter zijn. Zij die slapen, slapen des nachts; en die zich bedrinken, bedrinken zich des nachts. Laten wij die behoren aan de dag, nuchter zijn, toegerust met het pantser van geloof en liefde en met de helm der heilsverwachting Want God heeft ons niet bestemd om zijn toorn te ondergaan, maar om het heil te verwerven door onze Heer Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, wakend of reeds ontslapen, met Hem verenigd zouden leven. Blijft daarom elkander bemoedigen en steunen, zoals gij trouwens al doet.” (1Th 5:6-11 WV78)

[72] 6 Laten wij dan ook niet doorslapen zoals de overigen, maar laten wij wakker blijven en onze zinnen bij elkaar houden. 7 Want zij die slapen, zijn gewend ’s nachts te slapen, en zij die dronken worden, zijn gewoonlijk ’s nachts dronken. 8 Maar wat ons aangaat die tot de dag behoren, laten wij onze zinnen bij elkaar houden en het borstharnas van geloof en liefde aan hebben en als helm de hoop der redding; 9 want God heeft ons niet bestemd tot gramschap, maar tot het verwerven van redding door bemiddeling van onze Heer Jezus Christus. 10 Hij is voor ons gestorven, opdat wij, hetzij wij wakker blijven, hetzij wij slapen, te zamen met hem zouden leven. 11 Blijft elkaar daarom vertroosten en elkaar opbouwen, zoals GIJ trouwens reeds doet. (1 Thessalonicenzen 5:6-11 NWV)

[73] 7 Maar wijs de onware verhalen waardoor wat heilig is geweld wordt aangedaan en die oudevrouwenpraat zijn af. Oefen u daarentegen met godvruchtige toewijding als uw doel. 8 Want lichamelijke oefening is nuttig voor weinig, maar godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven. 9 Die verklaring is betrouwbaar en alle aanneming waard. 10 Want hiertoe werken wij hard en spannen wij ons in, omdat wij onze hoop hebben gevestigd op een levende God, die een Redder is van alle soorten van mensen, in het bijzonder van getrouwen. (1 Timotheüs 4:7-10 NWV)

[74] 28 Komt tot mij, allen die zwoegt en zwaar beladen zijt, en ik zal U verkwikken. 29 Neemt mijn juk op U en leert van mij, want ik ben zachtaardig en ootmoedig van hart, en GIJ zult verkwikking vinden voor UW ziel. 30 Want mijn juk is weldadig en mijn vracht is licht.” (Mattheüs 11:27-30 NWV)

[75]9 Verblijd u zeer, o dochter van Sion. Juich in triomf, o dochter van Jeruzalem. Zie! Uw koning zelf komt tot u. Hij is rechtvaardig, ja, gered; nederig en rijdend op een ezel, ja, op een volwassen dier, het jong van een ezelin. 10 En ik zal stellig [de] strijdwagen afsnijden uit Efraïm en [het] paard uit Jeruzalem. En de strijdboog moet afgesneden worden. En hij zal werkelijk vrede spreken tot de natiën; en zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde. (Zacharia 9:9-10 NWV)

7 Aan de overvloed van de vorstelijke heerschappij en aan vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het stevig te bevestigen en om het te schragen door middel van gerechtigheid en door middel van rechtvaardigheid, van nu aan en tot onbepaalde tijd. Ja, de ijver van Jehovah der legerscharen zal dit doen. (Jesaja 9:7 NWV)

14 Want hij is onze vrede, hij die de twee groepen één heeft gemaakt en de tussenmuur, die hen scheidde, heeft vernietigd. 15 Door middel van zijn vlees heeft hij de vijandschap, de uit verordeningen bestaande Wet der geboden, tenietgedaan, opdat hij de twee volken in eendracht met zichzelf tot één nieuwe mens zou kunnen scheppen en vrede zou kunnen maken, 16 en opdat hij door middel van de martelpaal beide volken in één lichaam volledig met God zou kunnen verzoenen, omdat hij door bemiddeling van zichzelf de vijandschap had gedood. (Efeziërs 2:14-16 NWV)

[76]33 en hij zal voor eeuwig als koning over het huis van Jakob regeren en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.” (Lukas 1:33 NWV)

44 En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan, (Daniël 2:44 NWV)

14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden. (Daniël 7:14 NWV)

8 Maar met betrekking tot de Zoon: „God is uw troon in alle eeuwigheid, en [de] scepter van uw koninkrijk is de scepter van recht. (Hebreeën 1:8 NWV)

[77] 9 Want de boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, Maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten. (Psalm 37:9 NWV)

[78] “Mijn zoon, vergeet mijn lering niet en laat uw hart mijn geboden bewaren, want lengte van dagen, jaren van leven en vrede: dat brengen zij u in overvloed.” (Spr 3:1-2 WV78)

“Vertrouw op Jahwe met heel uw hart en verlaat u niet op uw eigen inzicht. Denk aan Hem op al uw wegen en Hij zal uw paden effenen.” (Spr 3:5-6 WV78)




Aanverwante lectuur:

Hoe ons te gedragen

Niet allen zullen het Koninkrijk beërven

De Wet van de Liefde, basis van alle instructies

Redenen waarom zij niet kunnen doen wat zij willen

Eén met Christus, verschillend met of van elkaar

Eén met Christus, één met elkaar

Vrijwilligheid van het Christen zijn

Bijbelonderzoek Inleiding Navolgers van Christus


Heeft het Christendom zich neergelegd bij de wereld



Een Niet-christelijke christelijke bediening