Belgische Christadelphians

Jezus moest sterven


Hij die zich heeft overgegeven om de mensheid te redden. 


Bedenk dat Adam, door te zondigen, de dood over al zijn nakomelingen bracht. Aangezien Jezus’ leven rechtstreeks van God afkomstig was, zonder een menselijke vader, is Jezus de enige die hier op aarde als een volmaakt mens werd geboren, zonder overgeërfde zonde (1 Petrus 1:19). En net zoals de zonde door de ongehoorzaamheid van de volmaakte man Adam de wereld kon binnenkomen, is het insgelijks mogelijk dat volledige verzoening tot stand wordt gebracht door de gehoorzaamheid van de enige andere volmaakte man, Jezus (Romeinen 5:12, 17). Bijgevolg kon hij de hele mensheid redden. Daarom zei Jezus dat hij was gekomen om „zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen”. ((Mattheüs 20:28).

 Jezus maakte duidelijk dat hij moest sterven om ’s mensen redding te bewerkstelligen. Zijn dood was echter niet het gevolg van zwakheid van zijn zijde ten opzichte van zijn vijanden, maar veeleer van zijn aanvaarden van de goddelijke wil (Hebreeën 10:7). Jezus zei: „Daarom heeft de Vader mij lief, omdat ik afstand doe van mijn ziel, opdat ik ze wederom moge ontvangen. Niemand heeft ze mij afgenomen, maar ik doe er uit eigen beweging afstand van.” (Johannes 10:17, 18).

 Zou God toelaten dat de getrouwe Jezus voor eeuwig in de dood zou slapen? Natuurlijk niet! God had beloofd dat ’hij die jegens hem loyaal was’, niet dood zou blijven (Psalm 16:10). De joden dachten dat zij door Jezus te doden voor altijd van hem af zouden zijn, maar op de derde dag wekte God hem uit de dood tot leven op en verhief hem later tot de hemel. (Handelingen 2:32, 33).

 Vindt u het vreemd dat Christus moest sterven? Zelfs Petrus, een van Jezus’ discipelen, maakte bezwaar tegen deze gedachte (Mattheüs 16:21-23). Het was duidelijk dat hij niet volledig begreep wat Gods voornemen met Jezus was. Daarom zei Jezus, toen Petrus hem overijld met een zwaard wilde verdedigen: „Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan. Of denkt gij dat ik geen beroep op mijn Vader kan doen om mij op dit ogenblik meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking te stellen? Hoe zouden in dat geval de Schriften worden vervuld, dat het aldus moet geschieden?” (Mattheüs 26:52-54) Wat moest er volgens de Schriften plaatsvinden?

 Meer dan 700 jaar voor Jezus’ geboorte had Jehovah bij monde van de profeet Jesaja over hem gesproken als „mijn knecht”. Hij vergeleek hem met „een schaap [dat] ter slachting [wordt] geleid” en zei dat hij als „een schuldoffer” gegeven zou worden. Vervolgens zou God hem belonen „ten gevolge van het feit dat hij zijn ziel zelfs in de dood heeft uitgestort . . . en hijzelf droeg van velen de zonde, en voor de overtreders ging hij bemiddelen”. (Isa 52:13–53:12).

 In Daniëls profetie, die de tijd van Christus’ verschijnen onthulde, sprak God eveneens over een ’verzoening voor dwaling’ die de overtreding, of de zonde, zou doen eindigen. God maakte verder bekend dat Christus „afgesneden” (gedood) zou worden en de noodzaak van slachtoffer en offergave zou doen ophouden. (Daniël 9:24-27).

 Maar wat is Gods wil voor ons? „God beveelt zijn eigen liefde jegens ons hierin aan, dat Christus voor ons is gestorven terwijl wij nog zondaars waren”, zeggen de Heilige Geschriften. Dit gebeurde opdat een ieder „die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben” (Romeinen 5:8; Johannes 3:16). God wil dat wij voor eeuwig in het Paradijs leven. Wat dienen wij dankbaar te zijn jegens Jehovah, die zoveel liefde heeft getoond door in dit grootste en kostbaarste zoenoffer te voorzien!

 Waartoe dient dit ons te bewegen? De Geschriften zeggen: „Want de liefde die de Christus heeft, dringt ons . . . Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor hen gestorven is en werd opgewekt” (2 Korinthiërs 5:14, 15)