Belgische Christadelphians 


Hoop op een man




Hoop op een man

Reeds vroeg in het bestaan van de wereld werd de relatie tussen God en zijn schepping geschaad. De eerste man en vrouw hadden er de voorkeur aan gegeven het verschil tussen goed en kwaad te kennen. Dit was zonde en de gevolgen van hun daad zou van geslacht tot geslacht over gebracht worden. De erfzonde was een feit waaraan niemand kon ontsnappen.
Al de nakomelingen van Adam en Eva zouden voortaan keuzes in hun leven moeten maken en zouden geconfronteerd worden met goed en kwaad, heerlijkheid en lijden tot zelfs de dood toe. Ieders schuldvereffening was de betaling met de dood. (Romeinen 6:23) Zonder bloed vergieten zou er geen vergeving komen (Hebreeën 9:22) Maar door de eeuwen heen zijn er reeds miljoenen slachtoffers gebracht en is men er niet in geslaagd zonde te verwijderen of de dood uit te bannen. Dierlijke slachtoffers deden zeker niets. "Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken zonden wegneemt." (Hebreeën 10:4)

God stelde Zijn hoop op een enig Slachtoffer dat weldegelijk ter vervanging van de eerste mens kon gesteld worden. Hij stelde dat volledige verzoening en vergeving alleen mogelijk was door middel van een losprijs die in waarde gelijk kon zijn aan het volmaakte leven dat verloren was gegaan door Adam. Het was een redelijke eis om een ziel voor een ziel te vragen. (Deuteronomium 19:21) God hoopte dat er zich een geslacht zou kunnen vormen waaruit die man zou kunnen voortkomen die in staat zou zijn om zuiver te blijven en Gods wil te volbrengen. Hij was er zich echter bewust van dat geen enkele menselijke natuurlijke nakomeling van Adam echt op de graad zuiver kon zijn. Heel Adams nageslacht had zonde en onvolmaaktheid van hem geërfd. Wij zijn allemaal sterfelijke mensen, "want er is niemand, die niet zondigt" (1Koningen 8:46) (49-8) "Ach, er is niemand, die zich vrij kan kopen, Of aan God zijn losgeld betalen: Te hoog is de prijs van zijn leven, Ontoereikend voor eeuwig. De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt. Of zou hij eeuwig blijven leven, En zijn graf niet aanschouwen?" (Psalm 49:7-9) Mits niet één broeder de ander zou kunnen loskopen hoopte God dat zijn inbreng tot de mensheid wel reddende hoop kon brengen.

Adam (Eerste man) kwam rechtstreeks van God en daarom moest er eigenlijk een tweede Adam op de wereld komen. Doordat de eerste mens uit stof van de aardbodem werd gevormd door God, was Hij de schepper en vader. Adam kon dus een zoon van God genoemd worden omdat zijn leven van God afkomstig was, zonder tussenkomst van menselijke ouders.
Eigenlijk zou de tweede Adam zijn leven rechtstreeks van God afkomstig moeten zijn. Het is echter ondenkbaar dat God een zoon zou hebben als gevolg van betrekkingen met een vrouw of dat Hij zou trouwen en kinderen zou verwekken. God is uniek, Hij is De Enige Ware / El Shaddai / de Ontzagwekkende / De Alomvattende. En niemand kan God aankijken en nog in leven blijven. (Exodus 33:20) Daarom kon God ook niet op de wereld komen. Alsook zou zijn komst niets oplossen, want dan zou de kernvraag van gehoorzaamheid aan God niet beantwoord kunnen worden. God zou zich zelf namelijk trouw blijven. En het kwam er op aan dat bewezen zou worden dat een mens of creatie van God zich vrijwilg kon onderwerpen aan zijn schepper. De kernvraag die gesteld was geworden betrof gehoorzaamheid aan God. Indien God op de aarde kwam kon Hij tegenover de engelen noch tegenover de andere schepsels niet bewijzen dat het mogelijk was om een trouw schepsel te hebben.

God maakte het mogelijk dat er opnieuw een creatie van Hem op de aarde kwam. Maar Hij liet de gevolgen van de erfzonde ook in deze schepping aanwezig zijn. Die mens zou dus ook de mogelijkheid hebben om te zondigen zoals zijn medemensen deden. God wilde hem wel als een teken maken voor de mensen. Wel is het zo dat hij heilig en op een bijzondere manier is geboren. (Koran, Maryam 19:19,21) God maakte dat de nieuwe Adam dit maal uit een vrouw kwam zonder menselijke vader. (Koran Al-Anbiyä 21:91; Lukas 1:27, 30-35) Door Zijn Kracht of Heilige Geest plaatste Hij het kind in Maria´s moederschoot. Het was dus door de Goddelijke Vader dat Jezus leven kreeg in een mens en ook werkelijk als mens het mensdom kon vertegenwoordigen.

Jezus werd de “eniggeboren Zoon” genoemd (Johannes 1:14; 3:16, 18; 1Johannes 4:9) wegens de speciale manier van zijn ontstaan. Ook andere geestelijke schepselen die werden voortgebracht worden zonen genoemd (Genesis 6:2, 4; Job 1:6; 2:1; 38:4-7) maar hier werd het dna van de joodse vrouw Maria uit Nazareth vermengd met de rechtstreekse inplanting door God. Abraham en David waren de belangrijkste voorouders van Jezus / Iesu / Yeshua / Yashua wiens naam “God redt” betekent. (Mattheus 1:1, 18, 21-23) Met deze Immanuel of “God is met ons” wenste God dat een redder voor het ganse volk zich kon manifesteren. Met deze mens kon het Woord van God in vervulling gaan. Vandaar dat men kan zeggen dat het Woord vlees was geworden (Johannes 1:1; Koran Äl ´Imran 3:45; Al-Nisä 4: 171) Gods Plan kon eindelijk verder uitgebracht worden.

Om te tonen dat hij Gods Woord of Woordvoerder was, zei Jezus later tot zijn joodse toehoorders: “Wat ik leer, is niet van mij, maar behoort hem toe die mij heeft gezonden. Indien iemand zijn wil wenst te doen, zal hij betreffende deze leer weten of ze uit God is of dat ik uit mijzelf spreek.” (Johannes 7:16, 17; vgl. Johannes 12:50; 18:37).
Reeds voor meerdere eeuwen had God zijn Plan kenbaar gemaakt aan de mensen doormiddel van verscheidene profeten. Jaren trachtten dezen de mensen er van te overtuigen dat God dé oplossing voor hun problemen had en dat Hij ook voor een Redder of Messias zou voorzien. (Lukas 2:11; Johannes 1:41; 1Johannes 4:14) Ook al duurde het eeuwen, God was Zijn belofte aan Abraham niet vergeten. (Lukas 1:54-55, Genesis 22:16-18) aan Davids geslacht werd Gods trouw bevestigd. (2Samuel 22:50-51; Psalm 89:3-4) Doorheen de jaren liet God Zijn woorden optekenen en zij zijn tot ons gebracht in de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament. Aan de hand van de opgetekende woorden en de overgeleverde teksten konden de mensen de tekenen van de komst van de Verlosser herkennen. De Hoop van God was voor iedereen kenbaar gemaakt en zijn Plan bleef bestaan voor iedereen.

Bij het doopsel van Jezus geeft God te kennen dat het hier gaat om de zoon die Hij lief heeft en om wie Zijn hart zich verheugd. (Lukas 3:22) Het openbare leven van Jezus Christus nam daar aanvang en de verschijning van de duif als Gods Geest kwam daar als teken dat God goedkeurde wat Jezus deed. Ter witwassing van zonden liet Jezus zich dopen en stelde een voorbeeld voor ons. En alles wat Christus Jezus deed volbracht hij als een voorbeeld voor ons. Ook hoopte hij steeds de wil van Zijn Vader te volbrengen en dat is wat wij ook zouden moeten betrachten. Het kennen en gehoorzamen van Gods Woord was voor Jezus belangrijk en hij was er zich bewust van dat de mensen dit woord moesten doorgeven aan anderen zo dat dezen het ook zouden leren kennen. (Mattheus 28:19; Markus 6:6; Johannes 17:3; Handelingen der apostelen 10:42)
God legde Zijn woorden in de mond van deze nederige timmermanszoon en stelde Jezus als leermeester, profeet en apostel aan. (Koran Al–’Imran 3:45,48; Al–Nisä 4:171; Maryam 4: 171) Vele kilometers legde Jezus af om zo veel mogelijk mensen te bereiken en Gods Woord te laten kennen. Altijd bleef hij zijn positie erkennen. Hij bleef te kennen geven de mindere te zijn van zijn Vader en aan hem ondergeschikt te zijn (Mattheus 4:9, 10; 20:23; Lukas 22:41, 42; Johannes 5:19; 8:42; 13:16). Zelfs na Jezus’ Hemelvaart bleven zijn apostelen hetzelfde beeld presenteren. (1Korinthiërs 11:3; 15:20, 24-28; 1Petrus 1:3; 1Johannes 2:1; 4:9, 10). De wonderen die hij verrichte kwamen uit de hand van Zijn Vader en zouden voor de mensen een teken moeten zijn van de bijzonderheid van deze man. (Koran Al–Baqareh 2:87; Al–Mä’idah 5:113; Al’Imrän 3:49) De ongelofelijke dingen moesten mensen doen nadenken over hetgeen wat zij zagen, wat er mogelijk was en wat er reeds vroeger was geschreven dat zou gebeuren. Door de wonderen werd Jezus als de Christus aan ons getoond en hoe God achter hem stond. (Handelingen der apostelen 2:22; Hebreeën 2:4) Maar velen bleven blind en ook vandaag zien velen nog niet de belangrijkheid van Jezus zijn positie in.

In het begin van onze huidige jaartelling wilden blinden en gehandicapten Jezus aanraken om zo hun gezichtsvermogen terug te winnen of verlost te zijn van hun gebreken. Zij stelden hun hoop op de jonge man die hun dromen waar kon maken. In de evangeliën (injil) staan slechts een klein deel van de wonderen van Jezus beschreven. Jezus gaf verscheidene mensen letterlijk en figuurlijk voedsel. (Mattheus 14:15-21; 15:32-38; Lukas 5:1-11; Johannes 2:1-11; 21:1-14) Of men blind geboren was of later blind geworden, dat was geen probleem voor Jezus om het ongedaan te maken. (Johannes 9:1-7; Mattheus 9:27-31; Markus 8:22-26; Lukas 18:35-43) Kinderen, mannen en vrouwen genas hij. (Mattheus 8:5-13; 9:1-8, 20-22, 32-33; Markus 1:29-31,40-45; 7:31-37; 8:22-26; Lukas 6:6-11; 9:37-42; 13:10-17; 14:1-6; 17:11-19; 22:49-51; Johannes 4:46-54; 5:1-16; 9:1-7) Men moest hem soms maar aanraken om toch van zijn kracht te mogen genieten en veranderd te worden. (Mattheus 14:34-36; Markus 6:53-56)

Zelfs mensen tot leven brengen leek geen probleem te zijn voor Jezus. (Markus 5:22-24,35-43; Lukas 7:11-16; Johannes 11:1-45)

Jezus verraste zijn leerlingen ook door bijvoorbeeld op het water te lopen (Mattheus 14:22-33) of zelfs stormen te bedaren (Mattheus 8:23-27)

Hij beweerde ook geesten te kunnen verdrijven. (Mattheus 8:28-34; 15:21-28; Markus 1:23-27; Lukas 11:14) of voorwerpen te vervloeken (Markus 11:12-14,20-24) welk natuurlijk inwerkte op de afgunst van de geestelijke leiders welke zich ook afvroegen hoe Jezus zich kon beroepen de kracht gekregen te hebben van God, zijn Vader. Zoals voorspeld in Jesaja (53:1,3) en Psalm 118:22 werd de Messias door zijn eigen volk afgewezen. (Mattheus 26:3-4; Johannes 12:37-43; Handelingen der apostelen 4:1-12) Het zijn de oudtestamentische profetieën die ze in Jezus vervuld zagen welke de doorsteek waren voor de apostelen om te geloven dat de leermeester die zij volgden de beloofde Verlosser was, de Messias, de Gezalfde. Mattheus probeert de joden en ons te laten inzien dat Jezus de beloofde Koning is en brengt ons Jezus' preken en woorden. Markus die spreekt tot de niet–joden en Romeinen legt het accent meer op de dienstknecht van God en brengt de wonderen en daden op de voorgrond terwijl de geneesheer Lukas aan de Grieken laat zien dat het hier over de beloofde Mensenzoon gaat. Een echte mens die wonderbaarlijke dingen weet te verrichten, maar steeds menselijk blijft. Johannes richt zich tot de Christenen over de hele wereld en duidt op de belangrijkheid van de Zoon van God die de uitvoering is van Gods Plan. Hij tracht de uitgangspunten van Jezus' onderwijs duidelijk te maken.

Er zijn genoeg van Jezus woorden bewaard gebleven zodat ook wij Hem kunnen leren kennen. Gods Hoop is dat wij zijn zoon beter zouden leren kennen en dat wij zouden aanvaarden wie hij is en wat hij voor ons gedaan heeft.
Uit de boeken van het Nieuwe Testament kunnen wij halen dat Jezus de verwezenlijking van het Woord is (Johannes 1:1-18) en die Gods Woorden aan de mensen wil overbrengen. (Lukas 2:41-52)
Na de Oud-Testamentische voorafkondigingen wordt in de nieuwe tijd ook verkondigt dat Jezus de Messias is, (Johannes 1:29-34;3:22-36; Mattheus 16:13-20;Markus 8:27-30; Lukas 9:18-20) en de Zoon van God (Johannes 5:16-30, 31-47; 8:49,54-55) het ware brood uit de hemel (Johannes 6:22-40), het Licht van de wereld (Johannes 8:12-20), de goede herder (Johannes 10:1-21) die de weg is naar de Vader. (Johannes 14:1-14)
Die onderwijst met groot gezag (Markus 1:21-28,35-39)
Jezus brengt duidelijkheid over de nieuwe geestelijke oogst waar God naar uitkijkt. (Johannes 4:27-38)
Hij laat ons zien hoe wij met iedereen moeten omgaan, ook met zondaars. (Mattheus 9:9-13

Menigten stonden verbaasd over Jezus' genezingen (Mattheus 15:29-38) maar deze riepen ook weerstand en jaloezie op. Ook al werd Jezus regelmatig afgewezen bleef hij doorzetten. (Lukas 4:16-30; 11:14-28; Mattheus 12:22-37; 13:53-58; Johannes 6:41-59,60-71; 7:1-9, 32-53; 8:48,59; 11:45-57)
Grote menigten volgden hem en hij kreeg verscheidene discipelen. (Mattheus 12:15-21, Markus 3:7-12,13-19)

Onder de vele leringen die wij ter harte moeten nemen, noemen wij de Zaligsprekingen (Mattheus 5:1-12) de lering over de Wet (Mattheus 5:17-20), boosheid, begeerte, verleiding,scheiding, beloften, vergelding, liefde, delen, bezorgdheid, houding tegenover anderen (Mattheus 5 & 6; 9:35-38; 18:7-20; 20:20-28;Lukas 12:22-34) en innerlijke reinheid (Mattheus 15:1-20) maar ook over vragen en hoe opkijken naar de toekomst (Mattheus 7); Hij belooft ons ook rust voor de ziel (Mattheus 11:20-30) en geeft ons te kennen wie zijn ware familie is (Mattheus 12:46-50) en wie Gods ware kinderen zijn. (Johannes 8:30-47) Hij waarschuwt ons ook voor het oordeel dat zal komen. (Johannes 8:21-29)

Voor zijn onderwijs gebruikte hij parabels of gelijkenissen. (Mattheus 13, Lukas 4) Hiermee hoopte Jezus de mensen zelf te doen laten nadenken, zodat ook zij antwoorden konden vinden. In deze vertellingen laat hij zien hoe wij met elkaar moeten omgaan, maar ook hoe God met de mensen zal omgaan. Hij verteld er in over het Koninkrijk van God. (Lukas 13:18-21,22-30; 17:20-37) Hij geeft ze mee als waarschuwingen voor ons en waarschuwt klaar te zijn voor het grote ogenblik van de verzoening en het einde der tijden met de wederkomst van hem die God gemachtigd heeft om te oordelen. (Lukas 12:35-48; 12:54-59; Mattheus 20:31-46) Jezus dringt er op aan dat het tijd is geworden om zich te bekeren, (Lukas 13;1-9) en hij laat zien dat het nooit te laat is om te bekeren en dat zelfs mensen die als verloren stonden opgegeven, terug verzoend met God kunnen geraken. (Lukas 15:11-32; 17:1-10)

Christen zijn betekend Christus na te volgen door in hem te geloven wat in houdt dat men aan neemt dat hij de zoon van God is, onze en zijn Vader die hem gezonden heeft.
“Jezus verklaarde met luider stem: ‘Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft; en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft. Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. Indien iemand mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. Want wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanvaardt, heeft reeds iemand die hem veroordeelt: het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem veroordelen op de laatste dag. Ik heb immers niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader die Mij gezonden heeft. Hij heeft Mij opgedragen wat Ik moet zeggen en verkondigen. Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Wat Ik dus verkondig, verkondig Ik zoals de Vader het Mij gezegd heeft. ’” (Johannes 12:44-50 WV78)

Jezus mocht niet het eindpunt zijn. Hij was de wegbereider en hoeksteen voor de vorming van een volk dat zou uitkijken naar Gods Hoop. Hij opende de poort naar God en om de weg voor iedereen open te leggen zond hij zijn leerlingen uit (Mattheus 10:1-15; Markus 6:7-13; Lukas 9:1-6; 10:1-16) maar hij wijst hen er op dat het niet altijd makkelijk zal zijn. (Mattheus 8:18-22; 10:16-42; Lukas 9:51-62; Johannes 15:17-26). Geestelijke blindheid is iets dat om de hoek loert. (Johannes 9:35-41)
Ook al wees Jezus op het gevaar voor verkeerde leerstellingen zien wij in de handelingen der apostelen dat er al snel afgeweken werd van het rechte pad en verkeerde stellingen in het geloof binnen drongen. (Mattheus 16:5-12; Markus 8:14-21;Lukas 12:49-53;Handelingen der apostelen) en ongeloof zou zich ook blijven meester maken van de mensen. (Lukas 11:29-32, 37-54)

Jezus moest sterven. Christus ging maar een beperkte tijd op de aarde zijn. Het uur kwam dat de Mensenzoon verheerlijkt moest worden. Enkel door te sterven en in de aarde opgeborgen te worden kon Jezus veel vrucht voortbrengen. Een oordeel had over deze wereld plaatsgegrepen, nu moest de vorst van deze wereld worden buitengeworpen; en dan moest hij omhooggeheven worden. (Johannes 12:20-36)
Slechts de dood van Jezus kon in ruil staan voor de figuurlijke dood die Adam bij de Eerste Zondeval overkwam. De mensen hadden later bloedoffers gewenst om bij God in het reine te komen voor hun zonden. Jezus zou nu als bloed- of plengoffer de ultieme daad van overgave stellen. Hij gaf zich ten volle over voor de gehele mensheid. God kan niet sterven mits Hij eeuwig is (Hij heeft geen begin en geen einde) (Jesaja 9:6; Psalm 102:27), daarom moest een mens de rol van offer op zich nemen. Jezus is werkelijk gestorven. Hij werd op een houten paal ter dood gebracht voor onze zonden. (Romeinen 5:8; Mattheus 20:19; 27:45-56; Handelingen der apostelen 5:30; 1 Petrus 2:24) De eerste mens kwam uit de aarde en keerde er terug naar toe. Ook Jezus moest terug naar de aarde gaan. Hij werd begraven. (Mattheus 27:57-61; Johannes 19:38-42) Maar tot voorbeeld van wat er ook met ons kan gebeuren deed Jehovah Jezus uit de doden op staan. (Mattheus 28:1-7; Markus 16:1-8; Lukas 24:1-12; Johannes 20:1-9) Deze opstanding is voor ons tot een prachtige getuigenis. Ook wij kunnen genieten van een opstanding indien wij in Christus geloven. Jezus is opgevaren naar de hemel waar hij nu aan de rechterhand van zijn Vader zit. (Markus 16:19,20; Lukas 24:50-53; Psalm 110:1; Handelingen der apostelen 7:55; Hebreeën 10:12) Als gestorvene heeft hij nu de dood overwonnen en heeft hij gebroken met het kwaad. Gods Hoop is in vervulling gegaan met Christus Jezus. Hij is de nieuwe Adam. Terwijl in de eerste Adam iedereen stierf (1Korinthiërs 15:22) is er in de tweede Adam leven gegeven voor eeuwigheid. (Johannes 3:16; 11:25; 14:6; 17:3; Handelingen der apostelen 17:28; Romeinen 6:23)

Jezus is verhoogd en bekleed hemelse heerlijkheid. Hij is door God aangesteld tot Rechter om te oordelen de levenden en doden. (2Timotheus 4:1) Verder is hij aangesteld om als Koning te regeren in het Koninkrijk van God om zo zijn Vaders oorspronkelijk voornemen met betrekking tot de aarde te verwezenlijken. Later zal hij dan ook het Koninkrijk overhandigen aan zijn Vader die de Opperkoning is. (Johannes 1:49; 1Timotheus 1:17; Openbaring 11:15; 19:16)

Lees ook:

Rond Jezus: http://belgianchristadelphians.googlepages.com/rondjezus
Jezus Christus vlees geworden: http://belgianchristadelphians.googlepages.com/jezuschristusisinhetvleesgekomen
Jezus moest sterven: http://belgianchristadelphians.googlepages.com/jezusmoeststerven
Lam van God: http://belgianchristadelphians.googlepages.com/lamvangod
Jesus is Not Yahweh (Jehovah)