Genebroek (Meerhout)

De schansreglementen van Tessenderlo, Zelem, Meldert (Geenmeer-Oude Schans), Houthalen (Brelaarschans), Genebos + Mellaar + Geneiken (Lummen), Houterschans (Wijchmaal), Genebroek (Meerhout), Bocholt (Lechtenschans), Obglabbeek, Eksel (Hoxenterschans), Overlaar (Mol)

en in Nederland: Moeselschans + Swartbroek (Weert), Elsenschans + Keyserbosch (Neer) + Swalmen (Roermond)

Op 21 mei 1637 duikt de schans van Genebroek voor het eerst op in oude archieven. Die dag verschenen Jan Willems de oude met zijn wettige kinderen enerzijds en de "gemeyne ingesetenen" van de "aertganck" van Genebroek anderzijds, voor Hendrik Belmans. Hij was notaris en tevens secretaris van de Vrijheid Meerhout. Willems verklaarde en bekende, ook ten overstaan van zijn kinderen, dat hij voor de "aertganck" Genebroek verhuurd had "een sekere placke heytschomme" (hoge onvruchtbare grond temidden van weiden gelegen) in zijn beemd alhier te Genebroek, waarop ze voor enige jaren al een schans hadden ingericht die ze nu wilden vergroten.

De verhuurders kregen een aantal voordelen en rechten. Voor Jan Willems en zijn erfgenamen moest op de schans een plaats voorzien worden die groot genoeg was om drie huisgezinnen te herbergen. De waarde hiervan mocht niet afgetrokken worden van de [aarlijkse huurprijs van het schansperceel. Verder behielden ze ook het recht om in het water van de vest te vissen en als er langs de vest schaarhout zou staan, dan was het ook voor de verhuurder bestemd. In vredestijd hadden ze echter niet het recht om het perceel waarop de schans was ingericht, in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen. In geval van nood moest de schans immers vlug in gereedheid gebracht worden. Elke bewoner van de "aertganck" Genebroek had het recht op de schans een onderkomen te timmeren en erin te vluchten, op voorwaarde dat hij elk jaar zijn aandeel in de pacht betaalde. De constructies, die hij er aanbracht, konden blijven staan zolang ze nodig waren voor "dese" oorlog, uiteraard op voorwaarde dat hij zijn jaarlijkse pacht voldeed. Eens de troebele tijden voorbij, moest elkeen zijn "timmeragie" weghalen en konden de verhuurders het perceel beheren te eigen nutte. Die "ingesetenen" die hun constructies niet weghaalden, moesten pachtgeld blijven betalen. In vredestijd mocht het hout van de poort worden afgebroken en verkocht tot algemeen nut. Dit gold niet voor de brug, die intact moest bewaard worden. De schans mocht alleen gebruikt worden als vluchtplaats. De mest die het vee produceerde, mocht de eigenaar van de beesten verzamelen en meenemen. De "ingesetenen" beloofden ook op eigen kosten een nieuwe gracht te graven langs de kant van de weide, zo groot en zo hoog (diep) als nodig zou blijken. De jaarlijkse huurprijs werd vastgesteld op 10 rijnsgulden, de gulden tot 20 stuivers en de stuiver tot 3 groten brabants. Elk jaar met bamis (1 oktober) moest de pacht voldaan worden. Eén inwoner van de "aertganck" moest de pacht overhandigen aan de verhuurder.

Aan het hoofd van de schans stond de kapitein, bijgestaan door korporaals. De kapitein, gekozen door de rechthebbenden op de schans van Genebroek, leidde het schansleven. In geval van nood organiseerde hij de wacht en voerde het bevel over de rotgezellen of weerbare mannen. Hij ging na of de wapens die ze bij zich droegen, in orde waren. Zelf was hij ontslagen van wachtlopen. De rotmeesters of korporaals leidden de weerbare mannen van een welbepaalde rot. De "aertganck" Genebroek was ingedeeld in drie rotten: Genebroek, Borgerhout en Genelaar. Manschappen die in gebreke bleven, mocht de kapitein vervolgen. Hiervoor kon hij rekenen op de hulp van de drossaard. Als de rotmeester met zijn mannen wacht had gedaan, verwittigde hij de volgende ploeg. Wie dit naliet, werd beboet. Indien de kapitein de korporaal niet wilde "calengieren" of aanklagen en beboeten, dan kon hij worden overgedragen aan de drossaard. Eenmaal op de schans gevlucht, was men verplicht stipt te gehoorzamen aan de kapitein en aan de rotmeesters.

De rotgezellen bewaakten en versterkten de schans. De weerbare mannen stonden in voor de feitelijke verdediging. Allen waren ze voorzien van een stok met vooraan een spits ijzer. Sommigen onder hen droegen ook nog een geweer. Het was de kapitein die besliste wie. Elke fuselier had altijd minstens een half pond poeder en vijftien kogels in voorraad. Het was de bedoeling dat alle rotgezellen die opgevorderd waren om op de schans te werken, persoonlijk aanwezig waren. Was dit niet mogelijk, dan voldeden ze toch aan hun plicht door een plaatsvervanger te sturen. Bleef men in gebreke, dan werd men door de rotmeester beboet. Met de ene helft van de geldboete werd poeder en lood aangekocht, de andere helft ging naar degene die in zijn plaats de wacht had gedaan of gewerkt had. Ongehoorzame mannen die de kapitein of een rotmeester beledigden of bedreigden, riskeerden een boete van 2 gulden en werden voorgeleid bij de drossaard. Nog erger was het als de kapitein gekwetst werd; dan werd de beschuldigde ter beschikking gesteld van de Heer. Betrokkene moest niet alleen de schade vergoeden, hij werd ook van zijn plaats op de schans beroofd. Met opzet niet willen waken of meewerken aan de versterking van de schans werd gestraft met onmiddellijke verbanning van de schans. De aangebrachte timmer, moest binnen de 14 dagen afgebroken worden. Een schildwacht die sliep of niet op zijn plaats werd aangetroffen, werd beboet met 1 goudgulden. Werd hij een tweede maal betrapt, dan bedroeg de boete het dubbele. Bij drie keer verloor hij definitief zijn plaats op de schans.

Schansgebruikers. In principe waren het alleen de bewoners van de "aertganck" Genebroek die gerechtigd waren om naar deze schans te vluchten. Maar langs de andere kant waren ze ook verplicht om bij noodsituaties alhier hun toevlucht te zoeken, tenzij ze er door tijdgebrek niet meer geraakten en dit op straf van verlies van hun plaats. Degene die wilde genieten van de vrijheid van de schans en nog geen regelmatige plaats had, moest waken zoals de anderen en zich aan de bevelen onderwerpen. Een rechtmatige bewoner kon de helft van zijn plaats overlaten aan een ander. Beiden werden wel geacht te waken zoals iemand die een volledige plaats bezette. Ze waren echter maar verplicht de helft van de onkosten aan de portiersbrug te dragen en de helft van het normale werk te leveren.

Onderhoud van de schans. Het was verboden het "vreetsel" , de afsluiting of omheining van de schans, af te breken of weg te halen. Hout voor persoonlijk gebruik moest van thuis meegebracht worden. Aangekomen op de schans, werden de runderen direct vastgezet. Brachten de dieren toch schade toe aan andere beesten of aan de wallen, dan werd een schadevergoeding geëist. Liepen de runderen "vuyt petulantie", of uit wispelturigheid en moedwil, boven op de wallen, dan werd de eigenaar beboet. Iedereen was gehouden, voor zover zijn plaats op de schans strekte, de "soewe" of waterafvoer te onderhouden, de vesten te vegen en rein te houden van hout, dorens en dergelijke. Alle bewoners samen stonden in voor het maken van de wallen. Het stelen van voorwerpen uit de schans was verboden. De dief werd onmiddellijk uitgewezen en uitgeleverd aan de drossaard.

Veiligheidsmaatregelen. Brandgevaar was niet denkbeeldig. Daarom was het niet toegelaten om met kaarsen of lampen zonder lantaarn in de hutten op de schans te komen. Hetzelfde gold voor vuur stoken of over straat dragen zonder lantaarn. Vuur stoken na 9 uur 's avonds was ook verboden, behalve in de hutten die voorzien waren van een schouw. Wanneer deze regels niet nageleefd werden, volgde een boete van 1 goudgulden. Als bewezen werd dat een hut "doer onnutticheyt ende qualyck teeken" afbrandde, werd de betrokkene voor eeuwig van zijn plaats op de schans beroofd. Gingen als gevolg hiervan ook nog andere hutten in de vlammen op, dan werd de schuldige verplicht de schade te betalen en werd hij gestraft door de Heer. Vechtpartijen kwamen bij onze voorouders veelvuldig voor. Overmatig drankgebruik was meermaals de oorzaak. Daarom was bier tappen na 9 uur ' s avonds binnen de schans dan ook uitdrukkelijk verboden. Heethoofden die op een medeschansbewoner schoten of iemand sloegen of kwetsten binnen de schans of in de buurt ervan, werden voorgeleid bij de drossaard. "Verbaele geschillen" werden onmiddellijk beslecht door de kapitein of de rotmeesters. Een beroep doen op wereldlijke of geestelijke voorspraak of andere privileges was onmogelijk.

Leefregels. Ook wanneer de leefregels niet gerespecteerd werden, waren boetes voorzien. Dit ging van het betalen van geldboetes vanaf 10 stuivers tot uitwijzing uit de schans. De opbrengsten werden in principe gebruikt voor onderhoud en herstel van de schans.

Het prijskaartje. De rechthebbenden op de schans betaalden elk jaar aan Jan Willems en na zijn dood aan zijn erfgenamen en nakomelingen, 10 rijnsgulden, zoals overeengekomen in het huurcontract. Een verantwoordelijke werd aangesteld, gelast met de jaarlijkse ophaling der pacht en voor het betalen van de andere onkosten zoals bv. een "sauvegarde" of vrijgeleide. Deze gecommitteerde had "prompte ende parate executie" tegen iedereen die weigerde zijn aandeel in de jaarlijkse pacht en andere onkosten bij te dragen. Hij kon altijd de hulp inroepen van de kapitein, de rotmeesters of de drossaard om onmiddellijk degene die in gebreke bleef, tot betaling te dwingen.