Schansen

Verplaats je even naar de periode 1570 - 1750. Heel de Kempense regio is constant geplaagd door rondtrekkende bendes en muitende groepjes (huurlingen-)soldaten. Mede door het feit dat er geen instantie was die in staat was om hiertegen op te treden, werd de plaag zo groot dat de bevolking gedwongen was om zichzelf te verdedigen. Daarom bouwde ieder gehucht, iedere buurt haar eigen schans.

 

Schansen lagen meestal in moeilijk toegankelijke gebieden. Rond een stuk grond, soms een hectare groot, werd door de deelnemers een gracht gegraven van 4à 5m breed. Met de opgedolven aarde werd een wal aangelegd (2à3m hoog) die met houtgewas werd beplant of met palen en vlechtwerk versterkt.

De toegang werd afgesloten met een ophaalbrug en een poort, soms ook met een 'voorschans'. Bij de ophaalbrug stond het poorthuis waartegen een oven gebouwd was. Hierin woonde de portier of schansmeester die permanent toezicht had op de schans. Hij moest de eigendommen van de gemeenschap binnen de schans bewaken en daarbij in ’t oog houden wat er op of rond de schans gebeurde. Daarnaast bestond er een gemeenschappelijke waterput, een bakoven en voorzieningen voor een korte belegering zoals voedsel, veevoeder, hout, huisgerief…