Goetsenhoven (Tienen)

(plan uit: De Donjon in Vlaanderen)

Historiek: met historische gegevens alleen kan men de huidige donjon van Goetsenhoven niet dateren. Daarom hebben we de bouwdata verzameld van alle gebouwen waar, zoals hier, speklagen in Gobertangesteen op regelmatige afstanden alterneren met Overlaars kwartsiet en waarvan archivalische bronnen beschikbaar zijn: het noordelijk transept (overwelving: 1534) en het zuidelijk transept (funderingen: 1557) van de Sint-Germanuskerk te Tienen; de noordelijke zijkapellen (1511 en 1518) en het westportaal (1551) van de Sint-Leonarduskerk te Zoutleeuw. Deze data wijzen dus naar de eerste helft en het midden van de 16de eeuw. Goetsenhoven werd gedurende het eerste kwart van de 13de eeuw van de baronnie van Heverlee afgescheiden, zij het als afhankelijk leen. Ridder Goswijn van Goetsenhoven duikt meermaals in de documenten op gedurende de eerste helft van de 13de eeuw. In 1224 bemiddelt hij tussen hertog Hendrik I van Brabant en Gerardus, heer van Grimbergen. We zien in hem dan ook de mogelijke bouwer van de eerste donjon (?) van Goetsenhoven. Het testament (25 februari 1346) van een andere Goswijn van Goetsenhoven, die zichzelf: dominus Goeswinus de Goetsenhoven, miles Leodiensis dioecesis, noemt, vermeldt de donjon (?) als: Riddershuys, Acta sunt hec in mansione dicti testatoris st ante in villa de Goetsencurt predicta, in camera quadam ejusdem mansionis dicta Riddershuys. Goetsenhoven kwam rond 1500 door huwelijk in handen van de familie de Merode. Deze familie is dus verantwoordelijk voor het oprichten van het nog bestaande gebouw.

Beschrijving: de donjon telt zes niveaus, zolder inbegrepen. Hij is aan drie kanten in het recentere kasteel ingebouwd. De kelder (0) is nu verlicht door twee spleten (a) met gerecupereerde buitenomlijsting. Een 16de-eeuwse korfboogdeur (b) gaf toegang tot een vooralsnog onbekend vertrek. Het gewelf van de doorgang (c) heeft een naar buiten toe klimmend gedeelte, dat er wellicht op wijst dat de kelder toegankelijk was vanop een soort pui waar waarschijnlijk ook de primitieve ingang (d) van de donjon op niveau 1 (nu een muurkast) op uitmondde. Op hetzelfde niveau blijven twee dichtgemetselde kanongaten over (e). Alle andere openingen van de donjon dateren uit de 18de eeuw. Alleen op niveau 3 zijn nog twee van de primitieve vensters (f) deels bewaard gebleven. De kap bestaat uit twee gebinten, voorzien van de telmerken 1 en 2, getrokken met een haalmes, en zijn onderling door flieringen (g) verbonden. Zij zijn opgebouwd uit twee schaargebinten en een geschoorde stijl.

  • Fr. Doperé en W.Ubreghts, De Donjon in Vlaanderen, architectuur en wooncultuur, Gemeentekrediet, 1991 (de tekst bovenaan is hieruit over genomen).