Motten en donjons in Loon

 

De meest primitieve vorm van een mottekasteel was de houten woontoren op een heuvel, met een houten palissade en een gracht omgeven. Zulke versterking was makkelijk aan te leggen, en verreiste weinig gekwalificeerde kennis of bouwmeesters, vooral goedkoop inzake werkkrachten en materialen (aarde, hout en water).

De andere component van de motteburcht; het neerhof met de bedrijfs- en andere gebouwen als de burchtkapel, was al dan niet afzonderlijk met een palissade en gracht omgeven.

Een volgende stap -eerst bij de grote, dan de kleinere heren- was een stenen toren, eventueel ingemot. Een houten palissade bleef nog lang in gebruik, omdat een zware ommuring met flankeertorens duur was in opbouw, onderhoud en bemanning.

Het opperhof of de hoofdburcht van het mottekasteel, met defensieve en/of residentiële functie, lag op een ronde of licht ovale motte of heuvel (doormeter van 20 tot 100 m, hoogte 3 tot 20 m). De omgrachte omheining was, net als de toren, van steen of hout. Op het neerhof of voorburcht speelde zich het dagelijks leven af.

Het was meestal hoefijzervormig, vaak van de motte gescheiden door een gracht, soms opgehoogd en tevens omgracht en beschermd door een wal of houten palissade. Daar bevonden zich de bedrijfsgebouwen o.a.; de stallen, schuren, voorraadkamers, ambachtelijke gebouwen en verblijfsplaatsen voor ondergeschikten.

 

Dit type kasteel ontstond ten tijde van de Noormannen.  In onze gewesten zijn mottekastelen ontstaan in het midden van de 11de eeuw maar vanaf de 13de eeuw nam hun belang weer af.

Heden resten nog behoorlijk wat motteheuvels als stille getuigen. Een aantal van hen evolueerde van mottekasteel naar heus residentieel (water)kasteel. 

Ċ
Marc Robben,
18 jul. 2015 12:35