Nieuwerkerken (Wijer)

Nieuwerkerken, Wijer-Kozen, Kasteel van Wijer. -> De heren van Kozen
Historiek
: de eerst bekende heer van Wijer is Frank van Wezemaal, bijgenaamd: De Bastaard van Wezemaal. Hij wordt vermeld van 1257 tot 1293 en overleed in 1296 of 1299. In de slag van Woeringen behoorde hij tot de lijfwacht van Jan I, hertog van Brabant. Op het einde van zijn leven werd hij heer van Wijer in het graafschap Loon. Zijn zoon, Arnold I, van de Wiere, de Vivirs, de Vivaria, wordt vermeld tussen 1313 en 1322.
Hoe de eerste burcht van Wijer er heeft uitgezien is ons totaal onbekend: mogelijk gaat het huidige grote cirkelvormige omgrachte burchteiland nog terug tot de Wezemaals: Dominus Arnoldus (111) de Vivaria, miles, relevavit in nostra palatio Leodiensi, VI die januarii, domum de Vivaria (1365). Het huidig gebouw is echter niet ouder dan de 16de eeuw.
In 1468 verkocht Jan van Nassau Wijer aan Adam de Kerckem. Toch kreeg deze laatste het goed pas definitief in handen in 1476. Op 16 october 1554 verhief jonker Adam de Kerckem, achterkleinzoon van de voorgaande, Kozen en Wijer. Hij was stadhouder van de leenzaal van Kuringen van 1581 tot aan zijn dood in 1591. Zijn figuratieve grafsteen is bewaard gebleven in de kerk van Neerharen, waar hij eveneens heer was. Het lijkt ons dus aangewezen in deze Adam van Kerckem de bouwer te zien van de huidige toren. In 1657 worden er verbouwingen uitgevoerd onder Arnold de Kerckem, gehuwd met zijn nicht Anna Maria de Kerckem, kleindochter van Adam. Arnold was burgemeester van Luik in 1661.

 

Beschrijving: de kelder (0) was o.a. toegankelijk via de val (a). Het is echter niet uitgesloten dat er een gemakkelijkere ingang was, misschien op de plaats van de recentere trap (b). De tussenmuur (c) in de kleine kelder is posterieur. Het onregelmatige vierkante venster (d) zou de vergroting kunnen zijn van een spleet, zoals een andere (e), door de brug geblokkeerd, ons suggereert. Afdrukken van de houten formelen zijn zichtbaar op de gewelven. De hoofdingang van 1657 (f) (wapensteen KERCKHEM / KERCKHEM) vervangt waarschijnlijk een oudere, bredere gang (g), met de scheidingsmuur (h) boven die van de kelder (i). De schouw (j) en het enige rechthoekige venster (k) met bakstenen ontlasting en vensterbank zijn onweerlegbaar oorspronkelijke elementen. Een anker (I) van de donjon, zichtbaar in de vierkante traptoren, wijst erop dat deze recenter is. Het residentieel niveau (2) is rijkelijk verlicht door kruisvensters (m), voorzien van ontlasting en buitenluiken; de kruisen zijn verdwenen en de onderdorpel werd verlaagd. Naast de schouw (n) bevindt zich een kloosterkozijn (0). Een verdikking van de muur en een spleet laten toe de enige latrine (p) van de donjon te lokaliseren. Achter het vals plafond zit een gedateerde zoldering in stucwerk (1716). De schouw (q) van het nachtelijk niveau (3) verplaatste men naar een aanpalend gebouw op het gelijkvloers. Er zijn twee kruisramen (r), op dezelfde wijze verbouwd als op niveau 2, en drie kloosterkozijnen (s). Aan de basis van dit niveau was de toren met een nu grotendeels weggehakte druiplijst (t) omringd. De voorgevel, die reeds sterk geaccentueerd is door de vier symmetrisch opgestelde kruisvensters, draagt bovenaan nog een versiering in zwarte baksteen in de vorm van een ruit en een nu gedecapiteerd kruis. De weergang is een romantische toevoeging.