Riemst (Millen-Eggertingen)

Riemst, Millen, Donjon van Eggertingen
Historiek
: naar deze toren wordt verwezen in het leen boek van het graafschap Loon wanneer in 1367 Jan van Gelinden, zoon van Robertus de Egherdingen, te Millen een toren verheft, blockehuys genoemd: Johannes de Gelende ... relevavit ibidem unam assisiam, cum una turri dicta vulgariter blockehuys, cum suis appenditiis, jacentem in Millem. De burcht werd in 1489 verwoest.

Beschrijving: de kelder (0) heeft een posterieur tongewelf. Daardoor lopen de vier steigergaten (a) t.h.v. de aanzet niet door naar binnen; ook is het aan de basis niet verankerd in de oostmuur. Aangezien alle openingen posterieur zijn, nemen we aan dat de verbinding met het ontvangstniveau (1) via een houten trap door een plafond liep. Het ontvangstniveau (1) is toegankelijk via een t.o.v. het parement enigszins verzonken rondbogige deur (b) zonder timpaan, in grijze kalksteen. Aan de binnenzijde is ze afgedekt met een platte segmentboog. Ze kon met een klembalk worden afgegrendeld. De vlakke segmentbogen van de deuren vensternissen blijken karakteristiek te zijn voor deze burcht: op grond daarvan beschouwen we het venster (c) als een verbouwing van een groot venster met twee zitbankjes zoals op niveau 2. De muurkast (d) zou dan een verbouwd venster van een kleiner type zijn. Verder zijn er op dit niveau nog twee spitsboogvormige nissen (e). De schouw (f) stond ongetwijfeld tegen de verdwenen oostmuur.
De huidige vloer van het residentieel niveau (2) is te laag: de vier balkgaten (g)  zijn nog zichtbaar beneden de verdunning van de muren. De verlichting bestond er uit minstens drie grote vensters (h) met
twee zitbankjes. De rechthoekige vensters hebben aan de buitenzijde een mijtervormig timpaan in mergel, met daarboven een tweede, enigszins vooruitstekende ontlasting, eveneens in mergel. Ongewoon zijn de twee nissen: een kleine drielobbige (i) en een zeer grote spits boogvormige U, waarvan de functie ons ontgaat. Van de latrine (k) is nog de dichtgemetselde toegang zichtbaar en één console voor de
uitkraging. Het venster of de spleet (1), die zich halfweg tussen de niveaus 1 en 2 bevindt, wijst ongetwijfeld op de plaats van de houten trap die vertrok van aan de ingang en, na een draai ter hoogte van dat
venster, uitmondde naast de schouw tegen de oostmuur.
Voor de datering vergelijken we de buitenomramingen met die van Amay (XII-XIII), Fontaine (1200-1205), Jemeppe-sur-Meuse (1298), Sart-Tavier (XIV b), Spontin (1270-1280), Voroux (1175-1180), Warsage (ca. 1215). Door het samen voorkomen van een nog Romaans aandoende deur met onmiskenbaar gotische nissen komt voor Millen alleen de 13de eeuw in aanmerking.