TabaksbelastingOok tabaksaccijns, tabaksimpostalgemeenIn de meeste Staten levert een tabaksbelasting belangrijke baten voor de schatkist op Meester, Treub, blz. 489-491]. heffing=Er wordt voorgesteld de heffing van een tabaksaccijns in den vorm van een banderollen- of zegelbelasting op het fabrikaat, omdat deze vorm de enige is waarbij tegelijkertijd: 1o. de handel in ruwe tabak geen zodanige belemmering ondervindt, dat gevaar voor verplaatsing onzer tabaksmarkt is te duchten; 2o. de belasting zo kan worden geregeld, dat zij rekening houdt met de draagkracht van de verbruikers; 3o. zekerheid bestaat dat zij, van wie de belasting geheven wordt, deze op de verbruikers kunnen verhalen [Meester, Treub, blz. 489-491]. =Naar het oordeel van enige leden [der T.K., La] verdient heffing aan de bron verre de voorkeur boven de omslachtige en kostbare wijze van heffing, welke thans wordt toegepast. Indien de ruwe tabak werd belast, en indien dan de voorraden, benodigd voor de fabricage van voor uitvoer bestemde sigaren, die niet aan de belasting onderworpen zijn, zouden worden bewerkt in afgescheiden gedeelten van de fabrieken,die als entrepots zouden kunnen worden beschouwd, zou de administratie zeer eenvoudig kunnen zijn [Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen 1924, jrg 53, nr. 2688, blz. 7]invoerrechtIn Nederland is tot dusver de binnenlandse tabak van belasting geheel vrij en de buitenlandsche slechts onderworpen aan een invoerrecht van f 0.70 per 100 K.G. voor onbewerkte tabak, f 40 per 100 K.G. voor sigaren en sigaretten en f 12 per 100 K.G. voor andere tabaksfabrikaten. [Meester, Treub, blz. 489-491]. maatschappelijke drukDe Kamer van Koophandel te Haarlem verenigde zich met vier stemmen tegen één met een rapport, waarvan de conclusie deze is, dat, in aanmerking genomen de noodzakelijkheid om de schatkist nieuwe bronnen van inkomsten te verschaffen, waarvoor uit den aard der zaak het genotmiddel ‘tabak’ in de eerste plaats een object is, gezien het feit dat deze wet ontworpen is door een commissie, bestaande uit de verschillende belanghebbenden en blijkbaar niemand in staat is geweest iets beters voor te stellen, het niet op de weg van de Kamer ligt een actie tegen het ontwerp te voeren of acties van anderen te steunen [Meester, Treub, blz. 491]. . opbrengstVerwachte opbrengst Treub 6 miljoen [Meester, Treub, blz. 490]ontduikingBovendien zou, bij heffing aan de bron vanzelf een eind komen aan de thans veel voorkomende ontduiking door middel van het bezigen van reeds gebruikte zegels [Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen 1924, jrg 53, nr. 2688, blz. 8]perceptiekostentarief=In verband met de invoering van de tabaksaccijns, die 10 pct. zal bedragen van den kleinhandelsprijs van sigaren, sigaretten, rooktabak, pruimtabak en snuif, wenst de Minister te geraken tot een verhooging van de invoerrechten voor buitenlandse tabak. De opbrengt van deze invoerrechten, die in 1913 ruim f 347.000 bedroeg, al dientengevolge stijgen met f 628.500. Deze verhoging acht de Minister gerechtvaardigd als tegemoetkoming aan de binnenlandse tabaksnijverheid, die aanmoediging verdient nu van de invoering van den accijns, althans tijdelijk, een buitengewone werkloosheid is te verwachten, met name ten gevolge van het in het wetsontwerp neergelegde verbod van huisindustrie [Meester, Treub, blz. 490]verbruiksbelasting==Uit het oogpunt van belastingpolitiek beschouwd, leent het artikel tabak, dat niet tot de noodzakelijke levensbehoeften behoort doch een niet onontbeerlijk genotmiddel is, zich bij uitstek tot object voor een verbruiksbelasting. En het ligt voor de hand, dat, nu enige tientallen millioenen meer aan belasting zullen moeten worden opgebracht en de rechtstreekse druk op de inkomens zeer belangrijk zal worden verzwaard, de Regering het denkbeeld heeft in overweging genomen ook hier een tabaksbelasting in te voeren, niettegenstaande voor ons land aan iedere vorm van zulk een belasting eigenaardige bezwaren verbonden zijn met het oog op onze bloeiende tabaksmarkt, onze omvangrijke tabaksindustrie, onze niet onbelangrijke tabakscultuur en onze rookgewoonte, waaraan in de laatste tijd ook niet weinige vrouwen deelnemen [Meester, Treub, blz. 489-491]. BRONNENarchieven-HCO, 0701 Gemeente Zwolle, gemeentebestuur, inv.nr. 2.6.1, nr. 3712, concept-ordonnantie op de tabaksimpost -Het Utrechts Archief, 34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905, inv.nr. U110a011, nr. 37, overeenkomst van 5 juli 1720 voor gezamenlijke pacht van tabaksimpost. -Noord-Hollands Archief 3622, Collectie van J.W. Enschedé te Haarlem, nr. 46literatuurAndreae/Downer, Plakkatenlijst, pp. 77 (1636), 90 (1696), 100(1748), 102(1749) Engels, Geschiedenis, pp. 122-123 (Rep), 137 (1650), 147(1700), 168 (Rep) Engelsman, Ontstaan, p. 128 (1812) Evers, Kroniek, p. 10(1744; 1793) Faber, Drie I,p. 362 (1748) G.S. Gelderland, Kort, p. 28 (1803-1806) Krelage, Manuscript, p. 45 (1637) Meester, Th. de, Treub’s belastingvoorstellen, in De Gids 1916, blz. 489-491Poel, Advocaat, p. 9 Sickenga, Omwenteling, pp. 69-72 T.S. Drenthe, pp. 82 (Rep), 87 (id) W.D.B.I.U.A. 1873, 25 november Westermann, Memorie (1751)Zuylen, Inventaris II, pp. 1431, 1552, 1593, 1713, 1903, 1977, 2017, 2098, 2141Tachtigste penning [1,25%]
Brabants Historisch Informatie Centrum. inv. nr. 5122 Schepenbank Schijndel 1530-1810, Staten van de veertigste en tachtigste penning 1744-1806, nr 376 deel 1 (1744-1763), nr. 377 deel 2 (1764-1781), nr. 378 deel 3 (1782-1799), nr. 379 deel 4 (1799-1806)
Brabants Historisch Informatie Centrum. inv. nr. 5122 Schepenbank Sint-Michielsgestel 1808. Kwitanties van de twintigste, veertigste en tachtigste penning, nr. 437
G.S. Gelderland, Kort, p. 28 (1790; 1803-06)
Meilink, Hollandsche, p. 185 (1598)
Nationaal Archief, Den Haag, Grafelijkheidsrekenkamer Registers, nummer toegang 3.01.27.01, inventarisnummer 717 [Rijnland, Den Haag. Haagambacht; Kohier van de tachtigste penning 1657]
Stadsarchief Amsterdam, nr. 5047, Archief van de Secretaris, nrs. 1-450 (1692-1805)
Wagenaar, F.P., Dat de Regering niet en bestaet by het Corpus van de Magistraet van Den Hage Alleen: de Societeit van 's-Gravenhage (1587-1802): Een Onderzoek naar bureaucratisering, Uitgeverij Verloren 1999, blz. 105-108 (1603-1666), 136 (1664; 1708), 181 (1754; 1784), 186 (1603-1604), 201 (1613; 1642), 212 (1626; 1642), 255 (1642), 322 (1610; 1683)
Takkenaccijns
Fruin, Informacie, blz. 18 (1514)
Tekengeld
Kranenburg, Zeescheepvaart, p. 252 (14e e) T.S. Zeeland I,p. 395 (1355)
Terugwerkende kracht
Houtzager, Hollands, p. 187(1671)
munt, oorspronkelijk Joachimsthaler, genoemd naar het Joachimsthal waar in 1519 een zilvervoorraad werd ontdekt. Uit een mijn kwam het zilver voor munten met die naam. Ze hadden een waarde die ongeveer overeenkwam met de Spaanse "peso duro". Toen de munt breder bekend werd veranderde de naam in thaler of -in platduits Doler, in het Engels dollar [Navorscher 1851, blz. 94]Thee-impost
Voorthuysen, Mercantilisme, p. 107 (1751)
Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën=Vincent van Mijerop of Mierop [1469-1550] was thesaurier-generaal [Verwoert2, blz. 87]=Bartholomeus van Panhuys [1570-...] was raad en theaurier-generaal van Prins Maurits [Leeuw35]=Adriaan Manmaker was thesaurier-generaal der Nederlanden [Leeuw1884, blz.96]=Jacob van der Does was thesaurier-generaal der Verenigde Nederlanden [Leeuw1886, blz. 36]=Jan van Arkel XIII (... - 1424) was thesaurier-generaal van Holland (blz. 55).=Hieronymus van Beverningh was thesaurier-generaal van de Unie tot 1665 (blz. 152; Wink, blz. 163)-Joris de Bie werd in 1586 tot thesaurier-generaal benoemd in de plaats van Reijngoud (blz. 156)-Koenraad Burgh werd in 1666 thesaurier-generaal van de Unie in plaats van Beverningh (blz. 291)-Joris de Bije (Bie) (... - 1628) werd thesaurier-generaal van de Unie na de beruchte Reingoud (blz. 306)-Anthony van der Heim [1693-1746] is thesaurier-generaal [WP8.222]-Hieronymus van Alphen [1746-1803] was tot 1795 thesaurier-generaal van de Unie [Kluitman, blz. 62; Kobus/Rivecourt1.32; NNBW 1911 blz. 88; Nieuwenhuis A-B, blz. 104; Wink, blz. 47]-Van 3 december 1801 t/m 26 mei 1802 is Andries Sijbrand Abbema [1736-1802] thesaurier-generaal [Repertorium]BRONNENliteratuurANF 1883, 28 juli, p. 3 (18e e); 9 augustus, p. 2 (17e-18e e); 4 oktober, p. 3 (19e e); 1 december, p. 5 (1742); 1884, 31 mei, p. 4 (18e e); 5 juni,p.4 (1585)B.G.O.G. II, pp. 209, 237Bachiene, Vaderlandsche, blz. 203Berkelbach van der Sprenkel, Joris, p. 34 (16e e) Beyerman, Vonnis, p. 164 (16e e) Blok, Holl. stad Bourg., pp. 32, 42 Brauw, Departementen, pp. 5 (18e e), 38 (1796), 40 (id), 44 (1801), 54 (1797), 70 (1801), 96 (id), 107 e.v. (id), 138 e.v. (id), 170(1810)Brummel, Ballingen, p. 96 Caan, Schets, pp. 36, 134, 164-165 Deursen, Raad, pp. 18-19Deursen, State, pp. 52 (1649), 56 e.v. (1670), 59 e.v. (1753), 61 (1677), 64, 76, 79, 81 (Rep) Dillen, Rijkdom, p. 270 Ditzhuysen, Simon, pp. 96 e.v. (Rep) Elias, Bijdrage, p. 69 (18e e) Fock/Brucken/Hoeufft, Autobiographische, p.308 (1782) Hoek, Adriaan, p. 105(1580-84) Jansma, Raad, p. 37 (1363) Japikse, Staten-Generaal, p. 109 Kobus, J.C./jkhr W, de Rivecourt, Biographisch Handwoordenboek van Nederland, Zutphen 1870, deel 1 [A t/m H], blz. 32, 55, 152, 156, 291, 306Leeuw 1883, deel 1, blz. 35Maasgouw 1893, p. 75 (16e e) Merkus, Schets, pp. 49, 55, 58, 64, 68, 74-75, 87-88(1796), 106(1801) Muller, Stukken, p. 79 (1574) Navorscher III, p. 284 (16e e); VI, p. 180 (1526); VII, pp. 120 (17e e), 228 (id); VIII, pp. 210 (1748), 332 (1732); XII, p. 49 (1594); XIII, pp. 57 (1573-90), 130 (17ee); XIV, p. 222 (Rep); XIX, p. 485 (16e e); XL,p. 123 (16ee); XLVI,p. 532 (1580) Nieuwenhuis, G., Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen A-B, Thieme, Zutphen 1820. blz. 104Poel, Sijmen, blz. 65Riemsdijk, Griffie, p. 14 (18e e) Scheltema, Staatkundig I, p. 159 (1636) Schöffer, Consolidatie, p. 77 Sickenga, Omwenteling, pp. 76, 88 Smidt/Rompaey, Chronologische III, p. 240 (1536) Smidt/Strubbe, Chronologische I, p. 465 (1501) Smidt/Strubbe/Rompaey, Chronologische II, pp. 56(1508), 114(1512), 220(1519) T.S Zeeland I, p.81 (1591) Vries, Geschapen, pp. 347-348 (1665) Winkler Prins, A. Geïllustreerde Encyclopedie (H-IYNX), deel 8, Amsterdam 1876, blz. 222Zuylen, Inventaris II, pp. 1616, 1648Thesaurier-Generaal en Raden van FinanciënalgemeenpersonenraadAndries Sijbrand Abbema [1736-1802] was van 3 december 1801-26 mei 1802 raad [Repertorium]commiesE.C. Aeyelts is vanaf 1802 t/m mei 1805 commies [Repertorium]thesaurier-generaalJoris de Bije was thesaurier-generaal en eerste meester van de reekeninge [Kok2, blz. 717; Leeuw1885, blz. 90]Tiende penningEen heffing van 10% algemeen=Lodovico Guicciardini [1521 Florence-1589 Antwerpen], een gunsteling van Alva, waagde het om in 1569 te pleiten voor afschaffing van de tiende penning in een geschrift. Waarschijnlijk ingefluisterd door de vele Italiaanse kooplieden in Antwerpen. Dit geschrift bereikte de hertog van Alva via een trouweloze vriend van Lodovico. Alva was ontstemd over de wijze waarop hem dit geschrift had bereikt. Bovendien zou dit geschrift de tegenstand kunnen voeden tegen de belasting. Alva liet Lodovico gevangen nemen. Op voorspraak van de Groothertog van Toscane werd hij spoedig uit de kerker ontslagen. De bekende Hubert Languet schreef in zijn brief van 27 mei 1569 aan de Keurvorst August van Saxen hierover het volgende "Hoc certum est, Ludovicum Guicciardiuum Florentinum, cuius extant quaedam scripta, iussu Albani fuisse nuper coniectum in vincula, cum nomine mercatorum exhibuisset ei scriptum, in quo continebatur, plane periturum Antwerpiense emporium, si decima mercium, quae evehuntur, exigeretur a mercatoribus, adscriptis eius rei causis ." [Boele, Lodovico, blz. 201-203] =Een blijvende belasting zonder gedurige toestemming der Staten, zoals er in Frankrijk één geheven werd, bedoelde Alva met zijn tiende penning in te voeren. Ware hem dit gelukt, het gezag der Staten zou, langs de weg in Frankrijk gevolgd, te niet zijn gegaan. Aan de andere kant werden de Staten genoodzaakt, zich, meer dan hun toekwam, met de regering te bemoeien [Fruin, Tien, blz. 31-32]=Meer speciaal wordt de nadruk gelegd op het feit dat de vrees voor opstand van het lagere volk de magistraten er toe bracht zich tegen de heffing te verzetten. De Tiende Penning zou niet zozeer de handelaar treffen, als wel, door de prijsstijging, de verbruiker, meest nog de kleine man. Na een aanvankelijke weigering stemden de Vier Leden ten slotte in 1569 met de heffing van de nieuwe belastingen in. Eerst nadat Alva zelf de heffing had geschorst en haar gedurende twee jaar door een bede had vervangen, namen die geprivilegieerden; uit vrees voor het lagere volk, een strakkere houding aan. In feite werd de Tiende Penning van 1571 gesaboteerd. Van een inning is in Vlaanderen nagenoeg niets terechtgekomen. Hoogstens ging men er over tot het opmaken van een inventaris 'van de in aanmerking komende goederen. De Tiende Penning kan dan ook niet beschouwd worden als de oorzaak van het verzet. De economische crisis was reeds lang aanwezig. De Tiende Penning was de druppel, die de maat deed overlopen. Noch de lakennijverheid, door Coornaert, noch de linnennijverheid, door Sabbe bestudeerd, wijzen op een belangrijke verscherping van de toestand in 1572 [BGN 1950, blz. 267-268].=De kostbare en langdurige oorlog tegen Spanje maakte weldra het opleggen van nieuwe en zware belastingen noodzakelijk en men vond toen zoo veel afkeer van Spanje zooveel zucht tot het Vaderland onder de ingezetenen dat zoals Hooft zegt "de zaamelpenningen uit het diepste der borze gewilligh werden opgebraght, ter liefde van 't landt en de vrijheit" en dat de landzaten, gelijk de Groot zich uitdrukt: "alles gaven om aan den Hertog van Alva geen tiende penning te geven" [Aa, Aard1, blz. 121-122]tiende penning van 1543Eikenduinen=In het kohier staat Sijmen Jan Philipsz genoemd als een in Monster wonende pachter (Boheemen, Eerste, blz. 182). Monster=In het kohier staat Pieter Claasz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 197) tiende penning van 1544Eikenduinen=In het kohier staat Sijmen Jan Philipsz genoemd als een in Monster wonende pachter (Boheemen, Eerste, blz. 182) Monster=In het kohier staat Sijmen Jan Philipsz met zijn bezit vermeld. Eveneens wordt vermeld Pieter Claasz. (Boheemen, Eerste, blz. 182, 197) Wateringen=In het kohier staat Sijmen Jan Philipsz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 182) tiende penning van 1553Eikenduinen=In het kohier staat Sijmen Jan Philipsz genoemd als een in Monster wonende pachter (Boheemen, Eerste, blz. 182)Monster=In het kohier staat Jan Philipsz vermeld bij de bewoners van de "huijsen staende in de Poeldijck ende aan Quinsheul" (Boheemen, Eerste, blz. 175) . Voorts is daar vermeld Sijmen Jan Philipsz (Boheemen, Eerste, blz. 182) en Jan Sijmonsz (Boheemen, Eerste, blz. 197) WateringenIn het kohier staat Sijmen Jan Philipsz met zijn bezit vermeld (1). Voorts worden vermeld Cornelis Sijmonsz (2) en Jan Sijmonsz (3)bronnen(1) Boheemen, Peter J.M. van, Eerste generaties van familie van Bohemen-van Boheemen, in: Ons Voorgeslacht 2018, blz. 182(2) Idem, blz. 185(3) Idem, bz. 197 tiende penning van 1556EikenduinenIn het kohier staat Maarten Sijmensz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 204)tiende penning 1557=In oktober 1557 toonde Karel van Lalaing de Staten-Generaal een opgave van de staatsschuld, voor een belangrijk deel gemaakt voor oorlogen waarbij de Staten geen belang hadden. De jaarlijkse rente aan leningen berekend op 8% was 4 ton goud. De uitgaven gingen de inkomsten met 3 ton goud te boven. Gevraagd werd een 100e penning van alle onroerende goederen en een 10e penning op koopwaren zoals zout, lakens, specerijen e.d. De staten weigerden. Er werd een bede toegestaan [Corvin1, blz. 42]tiende penning van 1558 MonsterIn het kohier staat Jan Sijmonsz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 197) en Maarten Sijmonsz (Boheemen, Eerste, blz. 204)tiende penning van 1561EikenduinenIn het kohier staat Maarten Sijmensz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 204)WateringenIn het kohier staat Adriaan Jorisz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 184). Voorts wordt vermeld Cornelis Sijmonsz (Boheemen, Eerste, blz. 185)en Jan Sijmonsz (Boheemen, Eerste, blz. 197)tiende penning van 1562 MonsterIn het kohier staat Jan Sijmonsz met zijn bezit vermeld (Boheemen, Eerste, blz. 197) en Maarten Sijmonsz (Boheemen, Eerste, blz. 204).tiende penning van Alva van 1571=De belasting werd in 1569 voorgesteld als een blijvende omzetbelasting "van alle Koopmanschappen zo menigmaal als die verkogt werden" [Kok2, blz. 461] . Een heffing volgens het cumulatief cascadestelsel. Iedere schakel in de keten betaalt, zonder verrekening van de reeds eerder voldane omzetbelasting. De belasting cumuleert omdat in iedere schakel tevens over de eerdere belasting wordt betaald . De ingezetenen boden hertog Alva tevergeefs, tot afkoop van de tiende penning, twaalf millioen gulden. Heimelijk beloofde hij aan de Staten van Henegouwen en Artois. verschoond te zullen blijven, als zij daarin slechts bewilligden om de andere provincies over te haIen. Holland gaf daarna ook toestemming, ofschoon Amsterdam zich er lang tegen verzette [Kok2, blz. 461]. =Albrecht van Loo eiste in 1571 in Holland tevergeefs de tiende penning [Verwoert2, blz. 30]=Die van Utrecht bleven standvastiger dan alle andere in hun weigering. Alva dreigde Amsterdam met twee kastelen; naar Utrecht stuurde hij twee regimenten soldaten, die de ingezetenen wekelijks 2400 guldens afdwongen en veel moedwil bedreven. De andere provincies volgden het voorbeeld van Utrecht, zelfs met herroeping van hetgeen zij reeds aan de Hertog hadden toegezegd; de belofte was gedaan onder de voorwaarde, dat alle Landschappen zouden bewilligen, hetgeen vanwege Utrechts weigering, ontbrak. Alva verleende hierom over hun het doemvonnis, en verklaarde, dat zij vervallen waren van al hun voorrechten en vrijheden; dat hunstad, bovendien verwoest en tot een dorp gemaakt zou worden. Doch hoe sterker hij aandrong, hoe meer hij terugging: want bakkers en brouwers weigerden hun bezigheden te verrichten, als de Tiende Penning moest worden betaald. Alva, die zich zo gemakkelijk niet liet verzetten, deed, om den schrik er onder te brengen, in Brussel enige van de voornaamste burgers 's nachts gevangen nemen, met het bevel om hen, de volgende dag in de deuren van hunne huizen te doen ophangen. Doch dit tijdstip baarde de wonderlijkste ommekeer van zaken: den Briel werd op 1 april 1572 door de watergeuzen ingenomen [Kok2, blz. 462]=Alva roept in 1569 de Raad van State bijeen en deelt mee dat hij een heffing ineens van 1% , een omzetbelasting van 10% en een overdrachtsbelasting van 5% wil gaan heffen. In Spanje de normale praktijk. In Nederland moesten koningen en regeringen in beginsel leven van hun eigen inkomsten. Slechts in noodgevallen was sprake van een subsidie of een invoerheffing. “De gedachte dat de staat de verantwoordelijkheid heeft voor publieke diensten, die betaald moesten worden uit belasting van de inwoners, lag nog geheel in de toekomst”. Alva zou er een vreemd leger van betalen, een rechtbank waarin vreemdelingen zaten, een Bloedraad. Maar die morele overwegingen doen niet teniet dat “de belasting redelijk en de weigering op materiële gronden absurd is”. Bijna eenstemmig protesteerden zijn ministers: Barlaymont, Viglius en Aarschot.. Alva reageerde er op met “minachtende kalmte”. Begin maart 1572 vaardigde hij een bevel uit tot het heffen van de tiende penning op elke verkoop van roerend goed. De bevolking ging voedsel op straat ruilen [Wedgwood, blz. 122-123]=Eén van de voornaamste tegenstanders van de tiende penning van 1572 was Willem van Liere [Verwoert2, blz. 21]=In juli 1572 kwamen de afgevaardigden van de rebellerende steden in Dordrecht bijeen onder voorzitter Sint Aldegonde. Ze erkende de prins als opperbevelhebber van het leger in Holland, Zeeland, Westfriesland en Utrecht. Ze stelden 100.000 kronen tot zijn beschikking in baar geld met de belofte meer te zullen geven. De tiende, twintigste en honderdste penning zou hun niet de helft hebben gekost. Wat deed het er toe? Het kwam aan op hun rechten, niet op hun portemonnaie [Wedgwood, blz. 127] BRONNENliteratuurAa, Aardrijkskundig, deel I, blz. 121-122 [16e eeuw]ARA 1919, p. 14 (1502; 1544; 1553; 1557; 1561;1564) Arkenbout, Hof, p. 56 (16e e) Asch van Wijk, Plegtige, p. 135 (1571)Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, deel 5 (1950), blz. 267-268B.G.O.G. IX, pp. 114-115(1571) Blok, Financiën, pp. 63 (1569), 72 (1571) Blok, Holl. stad Bourg., pp. 38-39 (1542; 1553), 40-41 (1544) Boele van Hensbroek, P.A.M., Lodovico Guicciardini, Descrittione di tuti i paesi bassi. De oudste beschrijving der Nederlanden, in hare verschillende uitgaven en vertalingen beschouwd, in: BMHG, deel 1, 1877, blz. 202-203]Boogman, Overgang, pp. 84 e.v. (16e e), 88 (id),95e.v.(id)Boheemen, Peter J.M. van, Eerste generaties van familie van Bohemen-van Boheemen, in: Ons Voorgeslacht 2018, blz. 182Coppens, Oud, p. 598 (16e e)Craeybeckx, Moeizame, pp. 63 e.v. (1572-74)Diepeveen, Vervening, pp. 43 (1561), 50 (16e e), 52-67 (id), 83 (id) Dierickx, Hertog, p. 187 (16e e) Doorninck, Regesten, p. 113 (1529-1530) Doorninck/Uitterdijk, Bijdragen I, pp. 33-48 (1570) Engels, Geschiedenis, pp. 60 e.v. (16e e), 69 (1557), 72(1571), 149(1569; 1579) Feith, Gericht, p. 60(1579) Fock/Hoeufft, Autobiographische, p. 300 (1676) Fredericq, Proza, pp. 119 (1569 e.v.), 135 (id)Fruin, Informacie, p. XXX (1543) Fruin, Zeventien (16e e) Gelder, Bespr. Leendertz, p. 93 (16e e) Gelder, Gegevens I, pp. 187, 200 e.v. (1558), 341 e.v. (1569) Gelder, Nederlandsche, pp. 4-5 (16e e), 9 (1543; 1547), 11 e.v. (1543), 22 e.v. (1560), 42 (1557), 58 (1572), 65 (1544), 69 (1558), 72(16e e), 78 (id) Goes, Register I, pp. 679 e.v. (1542-43), 694-695 (1543), 697 e.v. (1543); II, pp. 546-547, 569, 580-581, 587, 591 e.v., 647 e.v., 651, 656 (1549); III, pp. 5-7 (1550), 483 (1554), 486 (id); IV, pp. 18, 31, 34-35, 40, 43, 47, 81, 86-87, 98, 101, 107-113, 137, 139, 150, 156 e.v. (1555), 158, 163 e.v., 176 e.v., 197 (1555); V, pp. 8, 14, 54-55, 128, 134, 143 (1557) Gosses, Meerderheid, p. 46 (16e e) Halma, Tooneel I, p. 61; II, p. 25 (1569)Hoeven, Pieter van der, 10e penning 't Woud over 1543, in: Ons Voorgeslacht maart 2015, blz. 129 [1543]Houtzager, Hollands, pp. 112 (1544), 115 (1557) Janssens,Joachim, p. 423 (1570-72) Lovett, Account, p. 168 (1569) Maasgouw 1879-1881, p. 175(1530) Maddens, Hoe, pp. 410 (1555), 411-412Meerkamp van Embden, Goudsche, pp. 249 e.v. (1542), 253 e.v. (1543), 347 (1557), 348-349 (1558), 350 (id) Merkus, Schets, p. 27 (16e e) Moll, Rechten, p. 119(1560)Muller, Staat, pp. 9 (16e e), 14-15, 18,29 Muller, Stukken, pp. 67 (1574), 72-73 (1576), 78 e.v. (1574)Nationaal Archief, Den Haag, Abdij van Rijnsburg, 1179-1577, nummer toegang 3.18.20, inventarisnummer B.VI.c.1.556 (1571-72)Acten van insinuatie aan en van protest van de abdis tegen den impost op de granen en den 10den penning, en antwoord van de Staten (1571-1572Navorscher III, p. 180 (16e e); XIV, p. 221 (16e e); XV,p. 216(16e e) Panhuysen, Omstreden, p. 93 (1256) Poel, Sijmen, blz. 52, 57-68 Rees, Geschiedenis I, pp. 47 (16e e), 113 (id), 146 e.v. (id) Resandt, Bundels, p. 117 (16e e) Scheltema, Staatkundig, p. 52 (1570) Smidt/Strubbe/Rompaey, Chronologische II, pp. 26 (1505), 356 (1525) Stallaert, Glossarium, pp. 231, 264, 534 (1554) T.G.O. 1838, pp. 93 e.v. (1569), 101 e.v. (1570) T.S. Stad en Lande XX, pp. 398-399 Tex, Studententijd, p. 53 (16e e)Theissen, Regeering, p. 209 (1543) Tol, Gedrukte, p. 45 (1550-74) Verhofstad, Regering, pp. 58-66 (16e e), 93 e.v. (1556), 103 (id), 104(1557) Verlinden, Hoe, p. 18(1569) Waal, Leer, pp. 100-101 (1571) Wauters, Levée (16e e) W.D.B.I.U.A. 1874, 29 augustus, p. 3 Woltjer, Hervorming, p. 202 (1570) Woude, Noorderkwartier, pp. 64 (1543; 1561), 684 (1542) Zuylen, Inventaris II, pp. 818 e.v. (1569), 829-831, 846, 852,858-861, 873, 884, 887, 900, 913,1070,1075Tiende verhoging
Engels, Geschiedenis, pp. 97 (1749), 98 (id), 102 (id), 172(1721)
T.S. Overijssel I, p. 37 (Rep)
Voorthuysen, Mercantilisme, p. 107 (1751)
Zuylen, Inventaris II, p. 1643
Tiendenalgemeenhet tiendrechtHet recht van tiend was het zakelijke recht om een evenredig deel te heffen, meestal een tiende, van de gewassen, gegroeid op grond bij een ander in gebruik, of van de jongen van dieren, op die grond geworpen. Het tiendrecht is van kerkelijke oorsprong. In de loop der eeuwen zijn de tienden steeds meer in wereldlijke handen overgegaan. In tegenstelling tot de uit het leenstelsel afkomstige heerlijke rechten, werden in 1795 de tienden, die immers niet uit het leenstelsel afkomstig waren, niet afgeschaft. In de loop van de 19e eeuw onderkende men steeds meer een aantal nadelen die aan de tiendheffing verbonden waren en die de ontwikkeling van de landbouw in de weg stonden. De belangrijkste hiervan waren:1. De tiendheffer plukte wel de vruchten van de investeringen door de tiendplichtige gedaan, maar droeg niet bij in de kosten.2. De tiendplichtige mocht de oogst niet binnen halen vóór hij de tiendheffer had gewaarschuwd zijn aandeel op te halen. Hierdoor kon bij ongunstig oogstweer schade ontstaan.3. De neiging bestond zo weinig mogelijk tiendplichtige gewassen te verbouwen. Dit kon nadelig zijn voor de grond (te weinig vruchtwisseling).4. Men vond dat het verzet, dat zich ieder jaar tegen de tiendheffing uitte, een verkeerde morele invloed had op de landbouwersstand.5. De rechtsgeldigheid en de aard van veel tiendrechten werden vaak, en de omvang ervan bijna altijd betwist. Van geen enkele tiend stond vast wat zijn omvang was.Deze bezwaren leidden uiteindelijk tot de wet van afschaffing van de tienden van 16 juli 1907, Stbl. 222. Op 1 januari 1909, de dag van de inwerkingtreding van de wet, was ingevolge artikel 1 van die wet alle tiendplichtigheid vervallen. Aan hen die toen tot tiendheffing gerechtigd waren verzekerde de wet een schadeloosstelling van Rijkswege, mits aangifte van het recht was gedaan bij de bevoegde tiendcommissie vóór 1 april 1909. Om aan de voor de schadeloosstelling benodigde gelden te komen werd in de wet bepaald dat "op elk kadastraal perceel, wegens het vervallen van welke tiendplichtigheid schadeloosstelling wordt verleend onder de naam tiendrente een schuldplichtigheid ten behoeve van het Rijk rust". Deze tiendrente bedroeg 5,55% van de schadeloosstelling, over een periode van 30 jaar jaarlijks door de gebruiker van de grond te voldoen [Gelders Archief, 0301 Tiendcommissie in het tweede Tienddistrict te Arnhem; Dossiers]soorten tiendenGrote, grove of koorntiendenKleine of smalle tienden [van moeshout, gras, hooi, raap, radijs, kool, ajuin, appelen, peren, noten en dergelijke gewassen envruchten in hoven, boomgaarden, of op moeslanden.Krijtende of vlees- of bloedtienden [van kalveren, varkens, lammeren]Kriekende tienden [van ganzen, eenden, zwanen]HOLLAND=Cornelis Sijmonsz pacht in 1561 de tienden in het Laanblok van Wateringen en de smaltienden van Wateringen en Monster [Bohemen185]=In 1583 beschikt Sebastiaan Sijmonsz over de tienden voor het Middenblok van Monster [Bohemen200]=Op 3 september 1649 getuigt Dirk Jansz van Bohemen over de verkoop van korentienden door Louweris Willemsz aan Jacob Jansz. Cocq [Bohemen192]=In de herberg van Karel Trees te Zuidland compareert op 11 juli 1860 Johannes Franciscus Egbers als gemachtigde van Agnes Katharina Engels wonend te Rotterdam, weduwe van Hubertus Kornelis Hoijer, naast Jacob Salomon Rochus Sandifort, rechter te Brielle Zij veilen de pacht van tienden: 1. in Velgersdijk de Grotenhoek, pachter Hendrik van Rij, melkboer te Zuidland 2. idem de Moolhoek, Jacob Overgauw, bakker te Zuidland 3. idem de Werfblok, Jacob Herwijnen, watermolenaar te Zuidland 4. idem Sandhil en het Oosterdeel, als 2 5. Nieuw Velgersdijk aan de zuidzijde van de woning van Arie van Koppen tot de Laningsloot, van Koppen vnd 6. idem aan de noordzijde , als 5 7. de lammertienden, niet gegolden 8. de vlastienden in Grotenhoek, Sandhil, Oosterdeel en Noordhoek, Jacob Hazejager, vlasboer te Zuidland 9. de vlastienden van de polder van Zuidland ten oosten van de Langeweg, als 8 10. idem de westzijde, als 8 Opbrengst f 2280 [Streekarchief Voorne Putten]VLAANDERENGedurende de eerste helft van de 17e eeuw bezat Jacob Cats een groot deel van Staats-Vlaanderen in eigendom. Bijna heel het gewest was hem tiendplichtig. Die rechten verminderden aanzienlijk in de tweede helft van die eeuw en gingen over op zijn erfgenamen. In de eerste jaren van de 18e eeuw werden die rechten nog meer ingekrompen maar niettemin bleven de erfgenamen van Cats eigenaren van hoogst aanzienlijke landgoederen in het Oostburger ambacht en nagenoeg geheel dat ambacht was hen tiendplichtig tot het tijdstip van afschaffing.Hun rentmeester was P.A van Weenegem uit Groede [Nav1870]BRONNENliteratuurANF 1883, 4 september, p. 2 (13e e); 6 sep.tember, p. 2 (1264); 1885,p.300(1607)ARA 1919, pp. 46, 66, 73-74, 103-104Anoniem, Belastingen, p. 28Asser, WetgevingB.G.O.G. I, pp. 193-254; IV, p. 314; V, pp. 115-117, 120-121, 126, 141-142; VI, pp. 279-309Baelde, Domeingoederen, pp. 84, 111, 113, 116-117, 119-120, 195 (1551), 313 (id), 322-323, 329 (id) Beelaerts van Blokland, Gecommitteerden, p. 178 Bergh, Handboek, pp. 51 (11e-12e e), 81 (1105), 151 (m.e.) Bergmann, Oorsprong Birnbaum, Rechtliche Blécourt, Bespr. Sebus, p. 221 (m.e.) Blécourt, Bewijsstukken, p. 27 (9e e) Blécourt, Heerlijkheden, pp. 500-501 (1795-96) Blink, Geschiedenis I, pp. 259 (m.e.), 276 e.v. (id) Blok, Financiën, pp. 52-53 (13e- 14e e) Blok, Geschiedenis I, pp. 121 (10e-12e e), 139(1274), 182 (13e e), 210 (id) Blok, Holl. stad Bourg.,p. 161(1506) Blok, Immuniteitsdiploma, p. 41 Boheemen, Peter J.M. van, Eerste generaties van familie van Bohemen-van Boheemen, in: Ons Voorgeslacht 2018, blz. 185, 192, 200Bort, Alle, Domeynen, p. 46Braure, Etude, p. 193 (16e e) Chijs, Munten, blz. 15 (m.e.) David, Geschiedenis, p. 30 (1150) Dingemans, Inventaris, pp. 45 e.v. (18e e), 90 (17e-18e e), 113 (1676-1751) Doorninck, Regesten, pp. 34 (1550), 146-147 (1531) Doorninck, Tijdrekenkundig I-V Economist IV, pp. 193-200 (19e e) Engels, Geschiedenis, blz. 11-15 (753-1411; 1520-29), 32 (12e e), 150(1584), 183(1806) Enklaar, Opkomst, pp. 18(1203), 19(1241) Formsma, Ommelander, pp. 61 e.v. (1570-72) Franquinet, Aanteekeningen, pp. 69-71 (1719) Fruin, Informacie, p. 374 (1514) Fruin, Oudste II, pp. 229 (1450), 230 (1419) Fruin, Rechterlijke, pp. 26 (1310; 1316), 27 (1456-57), 29 (1469; 1477) G.S.Gelderland, Kort, p. 48 (1647-1777) Gallé, Beveiligd, pp. 25-26, 32, 187 (17e e) Ganderheyden, Pleitrede Gelder, Gegevens I, pp. 5, 12, 84, 101 e.v., 127 e.v., 164, 167, 190, 198 e.v., 205 e.v., 208 e.v., 213, 216 e.v., 220 e.v., 226 e.v., 228 e.v., 232 e.v., 234 e.v., 240 e.v., 247, 270e.v.; II,pp. 133,211,229Gimberg, Geldersche, p. 1 (1 Ie e)Goede, Swannotsrecht I, pp. 88 (1352), 339 (15e e) Goor, Beschrijving, pp. 17-18, 20, 23, 31, 90,366-268 Gosses, Organisatie, pp. 75 (14e e), 79 (16e e) Gosses, Oude, pp. 120-124 (8e-10e e) Gosses, Vorming, pp. 250 (12e-13e e), 306 (11e),310 (1244) Gosses/Japikse, Handboek, pp. 106, 117, 148 Gouw, Ambacht, pp. 45 (m.e.), 70 (1525), 72 (1545) Graft, Geschiedenis Groot, Zweder, p. 88 (1440) Hall, Stedelijke, p. 582(1116) Halma, Tooneel II, p. 317 (1597) Hammen, Bijdrage, p. 72(1776) Hartgerink-Koomans, Proostdijen, p. 31 (m.e.) Henne, Histoire VII, pp. 235 e.v. (1520) Heyden/Hermesdorf, Aantekeningen, pp. 64 (8e e), 108, 135, 180, 182 Hochgürtel, BeitrageHoefer, Aantekeningen, pp. 55, 281, Bijl. XI Hoefer, Vesting, p. 110 (1408) Houtte, Economische, pp. 12 (800-1300), 15 (id) Houtzager, Hollands, pp. 82, 168 Hugenholtz, Graafschappen, p. 12 (m.e.) Iterson, Confiscatie, pp. 20-21 Jansen, Middeleeuwse, pp. 49, 61, 134, 178-179 Jong, Droogmaking, pp. 59 (Rep), 108 (1646)Jong, Hellevoeterland, pp. 14 e.v. (14e e), 23 (1581), 28 e.v. (1367; 1724; 1907), 37 (1473), 38 e.v. (18e-20e e), 42 e.v. (1395; 1695), 50 (1475) Kerckhoffs-de Hey, Grote, p. 26 (16e e); Grote (Bio),p. 11(1523) Ketelaar, Oude, p. 322 Kieft, Bespr. Buytenen, p. 255Kobus/de Rivecourt, Biographisch A-H, blz. 292Navorscher 1851-1852; 1870, blz. 633-634Navorscher I, p. 90 (1702); II, p. 182; III, p. 171 (m.e.); Bijbl. IV, p. XX; VII, p. 110 (1647); IX, pp. 125 (Rep), 181 (id); XV, pp. 208 (1568), 221 (id); XLV, pp. 38-39 (1326; 1398-99); XLVI,p. 169(1474-1767) Pieter Burman (1668 Utrecht - 1741) wordt in 1691 aangesteld als ontvanger der bisschoppelijke tiendenRootselaar, Rekening, pp. 28 (1585-1586), 51 (1555-1585), 62 (1574-1585), 94 (1586)Koch, Bosteel, pp. 76-77(1232; 1238; 1270) Kosters, Oude Kronenberg, Inventaris, p. 42 (1760-64) Kruisheer, Oorkonden, pp. 334 (1277), 395 (1296)Kuile, Ontstaan, p. 574 (1245)Kuyk, Levend, p. 284 (m.e.)Lanz, Correspondenz I, p. 278 (1528)Lemmink, Staten, p. 51 (1316)Linden, Recht, pp. 10, 43Maasgouw 1879-1881, pp. 6 (17e e), 273 (1643), 274 (1468); 1886-1887, p. 199 (1755) Maeckl, Erkelenzer, p. 361 (1488) Maes, Ambtenarij, p. 352 (13e e) Martini van Geffen, Iuris Meerkamp van Embden, Goudsche, p. 143 (1528) Melles, Graaf, p. 342 (13e e) Moll, Rechten, pp. 132-137 (13e- 16e e) Nagge, Historie, pp. 129, 154Neve, Rijkskamergerecht, p. 325 (1542) Nijhoff, Archief, p. 50 (1327) Obreen, Bedijking, pp. 64-65 (12e- 13e e) Poel, Sijmen, blz. 35-37Racer, Gedenkstukken, deel 2, p. 11 (9e e); 48 (1006)Rees, Geschiedenis I, p. 12 (9e e) Rengers, Schets, pp. 15-16(1848) Roo van Alderwerelt, Reis, p. 18 (1845; 1907-09) Rootselaar, Rekening, p. 25 (1580) Schelling, P. v..d., Hollandsch TiendregtSchevichaven, Organisatie, p. 1 (1340) Schevichaven, Rijk, pp. 55 (m.e.), 56 (1285) Schrassert, Codex, p. 15 (16e e), 65 (1690) Sickenga, Omwenteling, pp. 124, 168 Slicher van Bath, Vrijheid, pp. 170, 172 (1230-40;1325) Sloet, Toestand, pp. 399 (1543), 414 (id) Smidt/Rompaey, Chronologische III, pp. 8 (1531), 32 (1532), 145(1534) Smidt/Strubbe/Rompaey, Chronologische II, pp. 9 (1504), 36 (1506), 131 (1513), 134 (id), 135-136 (id), 299 (1523), 398 (1527), 403 (id) Stratingh, Precarie, pp. 310 (1328), 314 e.v. (m.e.)T.G.O. 1835, pp. 201 (10e e), 316 (1598) T.S. Drenthe, p. 119 (Rep)T.S. OveTigttiendland I, p. 434 (17e e); II, pp. 13 (15e e), 337 (1685) Telders, Niet, p. 196 (19e e) Thoen, Oorlogen, pp. 366, 368 (1385) Thorbecke, Staatsinrigting, pp. 60, 83 Unger, Keuren, p. 129(1518) Venner, Inventaris, pp. 103 (1604; 1605), 139 (1668) Verkerk, Onderzoek, pp. 97 e.v., 101-120 (15e-16ee) Verreyt, Over (13e-17e e) Verseput, Ontstaan, p. 75 (m.e.) Wellschmied, Zur, p. 399 (1519; 1520; 1529) Wiskerke, Geschiedenis, pp. 41-43 Zuylen, Inventaris I, pp. 187, 357; II, pp. 1842,1848,1851,1957 Zijp, Strijd, p. 43 (1543)Komt voor in in transportakten van een landgoed in Noord-Holland. In 1702 is in de akte toegevoegd "voor sooveel het nog kan worden gevordert". [Navorscher deel 1, 1851, blz. 90]BRONNENliteratuurNavorscher 1851, blz. 90Tijns
Ook Tynze, Tinze, Tinse
algemeen
De eigendom van de halve grute binnen de stad Zutphen door den proost en capittel van de kerk van Zutphen afgestaan op 6 juni 1290 aan graaf Reinald, voor een jaarlijksche thins van 20 solidi parvorum denariorum [Gelders Archief nr. 42]
Aan graaf Reinald is op 3 maart 1331 voor 300 mark oude Brabandsche, door Louf van Berenbroek verkogt en opgedragen, de heerlijkheid van Berenbroek, met den gerichte van der Capellen hoog ende neder, met de kerkgiften van der Capellen en van Mensel, met alle verdere toebehoren van manne, tinse, ketelgelde, etc. (1331. sondag na S. Mathijsdag apostelen) [Gelders Archief, nr. 104]
Door graaf Otto van Gelre de tiende over Rodengore, bevattende omtrend 27. hoeven, mansi, met het lage gerichte over Rodengore, is op 22 juli 1308 aan Willem van Altena ter leen uitgegeven met vrijheid om hetzelve onder zekere jaarlijksche thinse aan het klooster van Villers te mogen confereren [Gelders Archief nr. 204].
literatuur
Alberts, Rekening, pp. 115-116
Alberts/Jansen, Welvaart, pp. 106-107
B.G.O.G. VI, p. 280
Belonje, Leenkamer, p. 55
Blécourt, Bespr. Enklaar, p. 210 (m.e.)
Blécourt, Heerlijkheden, pp. 75 (m.e.), 504 (1797)
Blink, Geschiedenis I, pp. 148 (m.e.), 252 e.v. (id)
Engels, Geschiedenis, p. 29 (m.e.)
Enklaar, Wandelingen (16e e)
Fruin, Informacie, blz. 66 (id)
Gallé, Beveiligd, p. 33
Geer van Jutphaas, Saksenspiegel, pp. 34 (14e e), 72 (id)
Gelder, Gegevens I
Gelders Archief, Charterverzameling, nr. 0243, sub 1.1. nr. 42 (1290), nr. 104 (1331), 204 (1308)
Gosses, Stadsbezit (m.e.)
Gosses, Welgeborenen, p. 134 (13e- 14e e)
Heringa, Twee, pp. 182 (m.e.), 184 e.v.
(1615), 186e.v.(16ee)
Heringa, Tijnsen
Hoefer, Aantekeningen, pp. 31, 371
Hordijk, Rechtsbronnen, p. 79 (14e e)
Iterson, Eigendomsoverdracht, p. 333 (m.e.)
Jansen, Middeleeuwse, p. 185
Kuile, Heerlijkheid, p. 399 (1508)
Kuile, Ontstaan, pp. 572 (1123), 579 e.v. (1233)
Kuyk, Levend, p. 275 (m.e.)
Linden, Recht, p. 8
Maasgouw 1879-1881, p. 274 (1465)
Maris, Rechtsbronnen, p. 138 (14e-16e e)
Meyroos, Onze, p. 14 (1515)
MontéVerloren, Hoofdlijnen, pp. 69, 71, 114 (m.e.)
Muller, Middeleeuwsche (Gl.), pp. 26 (m.e.), 83 (id)
Nagge, Historie I, pp. 154, 473
Navorscher IV, p. 27 (m.e.); V, p. 111(1401); XXV, p. 473 (14e e)
Poel, Sijmen, blz. 37-38
Schrassert, Codex, p. 2 e.v.
T.S. Overijssel II, pp. 37-39 (17e-18ee)
T.v.G. 1963, pp. 94-95, 233-234
Zuylen, Inventaris I, p. 2 (1399)
Tins
Zie ook Tijns Tins Tinze
Kuile, Geschiedenis, blz. 107
MontéVerLoren, J.Ph. de, Boekbespreking van G.J. ter Kuile, Geschiedenis van de heerlijkheid Zalk en Veekaten, van het kasteel Buckhorst en van zijn bewoners; van Gorcum en Comp. N.V., Assen 1948, in: BGN deel 5 (1950), blz. 160
Hieruit volgt dus, dat zijns inziens het kerspel Zalk, m.a.w. de buurschappen Zalk en Veekaten, geheel uit grondheerlijk terrein hebben bestaan. In overeenstemming
daarmede leest men op blz. 107: "het gehele gebied van de heerlijkheid is eens privaatrechtelijk eigendom van den heer geweest, aan wien de bewoners tins betaalden. Later, toen zij eigenaren van die erven geworden waren, hebben de tinsen voor grondrenten plaats gemaakt en is de heer van tinsheffend eigenaar geworden tot iemand, wiens recht bestaat in het heffen van grondrenten van eens anders onroerende goederen". Hier, waar de schrijver de theorie van de eigendomsverschuiving hanteert, is het raadzaam Immink's critiek (P.W.A. Immink, Recht en Historie, inaug. rede 1946, blz. 16 e.v.) daar op naast ter Kuile's beschouwingen te leggen.
Het feit" - gaat de schrijver op blz. 107 voort - "dat deze tinsen al vroeg in grondrenten zijn omgezet, is misschien de reden, dat er geen sporen van een tinsgerecht meer te bespeuren zijn". Een andere, m.i. meer voor de hand liggende verklaring voor dit feit is, dat de betreffende gronden zijn uitgegeven in' niet-heerlijk tinsrecht, waarbij geen tinsgerecht ontstaat. Dit niet-heerlijk tinsrecht was de gebruikelijke vorm voor het uitgeven van gronden aan Friese kolonisten, omdat deze in hun eigen land geen "heerlijk" goed kenden en zij het aannemen daarvan in kolonisatiegebieden in strijd achtten met hun Friese vrijheid.
Tinse
Hertog, H. den/Keijzer, B. de, De oudste lijst van leenmannen van de graaf van Gelre, 1326, in: Ons Voorgeslacht maart 2015, blz. 117
Item Johannes de Ubburgen heylt van dien greve .v. marke ghelts uten tinse te Nymeghen [lz. 117]
Tinze
Zie ook Tijns, Tynze, Tins Tinse
literatuur
Hertog, H. den/Keijzer, B. de, De oudste lijst van leenmannen van de graaf van Gelre, 1326, in: Ons Voorgeslacht maart 2015, blz. 105
Item Herman van Oeye .vii marc. gelts uten tinze te Wachem [blz 105].
Tolgerechtigde Dat sij dan onse voors. tollen , pachten, chijnzen en renten, en oic alle vervallen voirs. soilen moigen aenveerden en inhouden , sonder onsen wederseggene, abolch oft enigen ondank daerom te hebbene in eniger manieren. Rootb., f°. 62 v°. (1537). [Stallaert1, blz. 2]zwijgende tolin 1850 bestaan nog zwijgende tollen bij bruggen, poorten, enz. Wie -onkundig van zo'n tol- wil passeren zonder te betalen werd aanstonds door een tolheffer tegengehouden en beboet [Navorscher 1851, blz. 39]plaatsenGrote Brabantse zwijgende landtolSonttolIn 1654 wordt Joachim Andreae hij weder met Gerard Schaap, burgemeester van Amsterdam, en Albert Sonk, oud-burgemeester en hoofdschout van Hoorn, naar Denemarken afgevaardigd, om, ware het mogelijk, de vrede tussen Denemarken en Zweden te bemiddelen en tevens bij de Koning aan te houden, om de bezwaren over het verhogen der Sundsche tollen uit de weg te ruimen en die terug te brengen op den voet van het erfverdrag, in het jaar 1544 te Spiers gesloten (Aa, Bio I, blz. 284).productenaluinVan alune. Tol te Brugge, 1252. Lat. tekst: de alemine. Alluyn. Tol te Loven, 1377. - j. bale oft querque alluyns van iiijc lb. , ij. gro . vls. Tol op de Zenne, 1436-1531. Alluyn, los oft gepackt in vaten oft tonnen van elck 100 lb. ghewichts, ses grooten. Zeeuwsche tol , 1623 [Stallaert1, blz. 83]amandelVan ... amandelen. Lat.: ... amigdalis , etc. Tol te Brugge, 1252. Amanden. Een bale, d'een deur d'andere gerekent op ij. lb. groote vls. Schatting van 1551. De langhe sullen betalen van de 100 lb. twee ponden Arthois ; de corte , de 100 lb. xxx sc. Artois. Tol van 1597. Amandelen in vaten, pijpen, balen, sacken oft tonnen , van elck 100 lb gewichts, viij. gr. Zeeuwsche tol van 1623 [Stallaert1, blz. 84]amberDe Antw. tol van 1305, in het latijn, heeft per tonna ambre [Mertens en Torfs, Geschiedenis van Antwerpen II , 543]. Oudste melding. Van elcker tonnen ammers, die men heet „bernsteen" Hansatol, 1409, f°. 136. Ameren of berresteenen. Een smael tonne van der grotte van eene herinex tonne , drye gro. Watertol, 1550. Ammieren oft berresteen , elck casse 1 scell. iv gr. Schatting van 1551. Ambre , grau oft swerte , d'once , vry. Tol van 1597 [Stallaert1, blz. 89]BRONNENliteratuurAa, A.J. van der, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, deel I, Haarlem 1852, blz. 284ANF 1889,p. 143(1490)Abbing, HoornAblaing, VerhandelingAkkerman, Koopmansgilde, pp. 409 (1147), 411 (12e e), 446 (9e e), 451 e.v. (m.e.) Alberts, Beide I, pp. 47 (1294-95), 49-50 (10e-12e e), 79 (13e e), 84 e.v. (14e-15e e); II, p. IX (Rep) Alberts, Geschiedenis, pp. 58-59 (m.e.), 148 (m.e.) Alberts, LeverantiesAlberts, Tolrekeningen (1404-05; 1408-09) Alberts/Jansen, Welvaart, pp. 21, 87, 274-275 Andreae, Hoge, pp. 23 e.v. (m.e.) Andreae, Oud, pp. 701 e.v. (m.e.) Andreae, Tol (15e-18e e) Andreae/Downer, Plakkatenlijst, pp. 26 (1364), 51 (1574), 61 (1589) Ankum, Bijdrage, p. 54 (13e- 14e e) Anoniem, Belastingen, p. 79 Anoniem, Vonnis (1882) Asser, IetsAvis, Directe, pp. 43 (1303), 49 (1364) B.G.O.G. III, pp. 83 (1427), 101 (1545), 104 (1552); IV, p. 101; VI, pp. 98-99, 219Bachiene, Vaderlandsche, blz. 15Baelde, Domeingoederen, pp. 39 (16e e), 74 (1551), 76 (id), 77 (id), 84 (id), 87, 91, 94, 96, 100, 103, 109 e.v., 113, 117, 119, 122-123, 125 (id), 149 (id), 154 (id), 158 (id), 170 (id), 180 e.v. (id), 322-324, 329 (id), 331 (id), 364 (1558) Bannier, Landgrenzen I, pp. 148 (1520-24), 154-155(1490), 156(1548), 160 (id) Becht, Statistische, pp. 68 (1168), 81 (1581) Beernink, Nijkerk, pp. 216 (1680), 220 (1691) Beresteyn, Huis, p. 358 (17 73) Bergh, Handboek, pp. 27 (1357), 41 (14e e), 58 (1195), 70 (15e-16e e), 109 e.v., 215 (m.e.), 240 (m.e.) Besluit GS Zeeland 17 juli 1848, B. 388Besluit 5 mei 1850, Stb. 23Besluit 25 december 1850, Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 1850 nr. 105 (Zwolsche Diep)Bezemer/Blécourt, Rechtsbronnen, pp. 37-38 (1393), 39-40 (1400), 48 (1415), 82-83 (1501) Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden 5e deel (1950)Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden 5e deel (1950), Kroniek, blz. 107..een proces over de tolheffing op de Honte in 1468, waar ze (de Brusselse kaart, LA) het standpunt van de centrale regering heeft verduidelijkt dat de Honte eindigen zou bij Saxhaven en dat niet de gehele waterweg die naam droeg.Het exemplaar in Antwerpen heeft men waarschijnlijk alleen in verband met tolkwesties gemaakt, maar of dat gebeurde begin-1504, toen het laatste grote proces over deze zaken werd gevoerd, dan wel begin1505, toen het vonnis gewezen was, is niet uit te maken.Blécourt, Bewijsstukken, p. 285 (1190) Blécourt, Heerlijkheden, p. 500 (1795)Blécourt/Japikse, Klein, p. 6 (1477) Blécourt/Meijers, Memorialen, pp. 48 (1430), 179-180,194-196, 248, 251,260-261 Blok, Financiën, pp. 37 (12e e), 44 (1477), 46 (1494), 47 (1541), 48 (1195), 56-57 (1195-1495) Blok, Geschiedenis I, pp. 72 (9e e), 121 (12e e), 126 (id), 144 (id), 182 (1222), 201 (13e e), 242 (id), 247 (12e e), 409 (1310), 412(1306), 441 (1417), 497 (15ee), 531-532 Blok, Holl. stad Bourg., pp. 31 (1441-42), 62,68-69, 159(1451) Blok, Rekeningen, pp. 34-38, 69 B.M.GelreVI,p. 109(1548)Boasson, Rechter, pp. 100-101 Boer, Rekeningen, pp. XVII-XVIII (1399-1411) Bolhuis, Hofbeer, pp. 9 (m.e.), 11 (1527) Bort, Alle, Domeynen, p. 31 Bort, Alle, Voorreden, par. 20, 54Boudewijnse, Regeering, pp. 26 (1893), 78-79 (1895-97) Braure, Etude, p. 115 (1449) Caan, Schets, pp. 18,36 Chijs, Munten, blz. 16 (1015)Circulaire Gouverneur Utrecht 24 september 1849, B. 379 (Utrecht-Maartensdijk-Hilversum)Circulaire Gouverneur Utrecht 5 december 1849, B. 582 (Utrecht-Maartensdijk-Hilversum) Circulaire CdK Zuid-Holland 25 november 185, B. 721 (sluiten tolbomen bij dooi)Commissie, Statistieke, pp. 480 (m.e.), 493 e.v. (19e e) Coopmans, Meierij, p. 95 (1533) Coppejans-Desmedt, Koning, pp. 44-45 (1814), 52-53 (1821-22)Craeybeckx, Organisatie, p. 197David, Geschiedenis, pp. 10 (m.e.), 67 (1267) Dillen, Rijkdom, pp. 52-53, 100, 281, 528 Doorman, Middeleeuwse, pp. 9 (m.e.), 10(1339) Doorninck, Goch, p. 328 (1370) Doorninck, Proeve, pp. 95-97 (m.e.) Doorninck, Welke, p. 72 (1437) Doorninck/Uitterdijk, Bijdragen II, p. 242 (1523); VII,p. 138(1549) Doornink, Regesten, p. 27 (1540) Dumbar, Verhandeling, p. 20, 24 (1406), 31 (1677)Dumbar/Besier, Almelosche, p. E.H.J. XII, pp. XXXV-XXXVI (1592-93) Elias, Bijdrage, p. 88 (18e e) Engels, Geschiedenis, blz. 18-26, 40 (1340), 86-95 (Rep), 151(1627)-tollen of koopmanschappen al in 753; watertol, oevertol (ripaticum) aan de Lek 777; kartollen (rotatica) en brugtollen (pontatica)[blz. 18]-vrijdom van tol in 1233 bij Tiel aan die van Utrecht, behalve over-wilde haf en zeetol [blz. 19]-in 1015 graaf Dirk IV tol bij Dordrecht; onder graaf Floris tol te Geervliet (5%), in 1195 bevestigd; instelling met keizerlijk verlof nodig [blz. 20]-tijdens IIIe Lateraans Concilie verbod heffen tollen zonder consent door Floris III [blz. 21]-in 1378 vernietigt keizer Karel IV alle tollen die zonder verlof worden geïnd [blz. 21]-tollen roepen veel onenigheid op bijv. heer van Heusden tegen die van Dordrecht waarin Floris van Holland uitspraak doet [blz. 21]-in 1379 vernietigt koning Wenceslaus alle tollen op en langs de Rijn [blz. 21]-coester coter, katertollen, tollen van schepen met verschillende roeren, ook genaamd roedergeld, radegeld, geld van het roer, havengeld, strandgeld of oevergelden (portus et ribagii) zoomede ankergeld, vuurbakengeld en bakengeld, het wijngeld, het broodgeld, tollen van lastbrengende wagens (caradia), van wagens met hout geladen, markttollen, tollen van overdekte verkoopplaatsen van enkele tafelen op welke waren lagen uitgespreid bijv. van een visbank en een slagersbank [blz. 22] In de huidige tijd wordt nauwkeuriger onderscheiden tussen toegangs- en doorgangsrechten en rechten betaald voor het gebruik van gemeentelijke eigendommen. Per heffing en per plaats zal moeten worden beoordeeld wat het karakter van de betaling is [LA]-vectigal, telonium, ungelden, unplichten, pedagium, gabella [blz. 22]-Keizer Frederik I verleent vrijdom aan die van Utrecht van de tol te Tiel, later Weert; graaf Willem in 1213 aan die van Geertruidenberg van tollen op en buiten jaarmarkten, etc. [blz. 23-24]-vermijden of voorbijvaren tollen verboden op verbeurte van schip en lading [blz. 25]-1477 Groot Privilegie: geen nieuwe tollen zonder toestemming Staten, bevestigd in 1494 [blz. 25]-twee plakkaten van Karel V op 13 mei 1518 en 26 oktober 1553 [blz. 25]-Zoo bepaalde Graaf Willem de IVde in 1340 bij een privilegie verleend aan die van Rotterdam, te behouden "binnen onzer voornoemde poorten, onze ...tollene [blz. 40]Enklaar, Opkomst, p. 20 Enklaar, Stukken (15e-16e e) Enklaar, Tarief (1486) Evers, Van, pp. 2-4 (1233) Eversen, Bijdragen, p. 153 (Rep) Eversen, Kroniek, pp. 31 (1245), 32 (1281), 67(1483), 71(1501), 112(1600) Fanchamps, Note(1255)Fock/Brucken/Hoeufft, Autobiographische, pp. 301 (18e e), 303 (1772), 360 (1792), 362 (1793) Fraine-Blondé, Deelname, pp. 31-39 (13e-15e e) Franquinet, Makelaardij, p. 125(1273; 1432) Franquinet, Verslag, p. 98 (1525) Fredericq, Proza, p. 85 (1556) Fruin, Informacie, p. 245 (1514) Fruin, Oudste I, pp. 88-89 (1307), 106 (1431), 252 (1404), 352 (1266); II, p. 124 (1453) Fruin, Rechterlijke, pp. 68-69 (1500) G.S. Gelderland, Kort, p. 11 (1753-63) Gachet, Rapport, pp. 71 e.v. (15e e) Geer van Jutphaas, Saksenspiegel, p. 59 (14e e) Gelder, Gegevens I, pp. 4, 62, 84, 124, 163, 208, 212, 226, 270, 375, 377 Gelders Archief, Charterverzameling, nr. 0243, sub 1.1. nr. 184 (1332) nr. 184 Verdrag van 10 oktober 1332, op hoedanige wijze de 500 mark, welke de graaf van Waldek 's jaars uit de tol te Lobede trok, zouden afgelost worden (1332. op Sente Victorisdagh). nr. 246 Godefrid Scelart de Pomerio bekent op 20 november 1322 ontfangen te hebben 27 mark en 3 grossen wegens zijn leen uit den tol te Venlo (1322. sabbato post octavas Martini). nr. 247 Quitantie van 18 november 1307 van Willem, grave van Bergen, van de jaarlijksche 100 mark, welke hij ontfing uit den tol te Lobede (1307. octava Martini hijemalis) Goede, Swannotsrecht I, p. 105 (1289) Goes, Register I, pp. 7 e.v., 14, 17, 19 (1524), 37 (1525), 63 (1526), 87-88 (1527), 92 (id), 113 (1528), 221 (1529), 227 e.v. (id), 232(1530), 238 (id), 241 (id), 244 (id), 271 (id), 281 (id), 300 (1531), 308 (id), 460 (1536); II, pp. 575 (1549), 585 (id), 639 (id), 643(id), 646 e.v. (id), 653 e.v. (id), 659 (id); III, p. 4 (1550); IV, pp. 8 (1555), 11 (id), 20 (id), 30 (id), 80 (id); V, pp. 169 (1557), 175 (id)Goor, Beschrijving, pp. 2 (603), 14 (1190), 17 (1272), 31 (1535), 36 (1581), 39 (1534-35), 40 (1643), 53, 88 (1462), 139, 295, 360, 411-412, 423, 473, 489 e.v., 491-500Gosses, Stadsbezit, pp. 17 (1275), 18 (1288), 21(1046)Gosses, Veete, p. 31 (m.e.)Gosses/Japikse, HandboekGottschalk, Verval, p. 18 (16e e)Gouw, Ambacht, pp. 17 (1611), 45 (m.e.), 48 (m.e.), 72 (1545), 77 (1611), 115 (1662), 135(1701), 152(1734)Griffiths, Creation, p. 515 (1810)Hall, Stedelijke, pp. 559 (13e e), 567 (1213), 576(1266)Halma, Tooneel I, pp. 44, 948; II, 4, 317 (1597), 360 (1630), 368 (1223), 379 (1631)Hardenberg, Maastrichtse (908)Heeren, Uit, p. 145 (16e e)Henne, Histoire I, p. 68 (1507), 89 (1506), 162 (1507); II, p. 90 (1515); III, pp. 23-24 (1522), 277 (id), 291 (1523), 293 (id), 294 (id); IV,p.204 (1528); V, p. 141 (1531)Hermans, Bespr. Rijpma, pp. 91-93 (16e e)Hertog, H. den/Keijzer, B. de, De oudste lijst van leenmannen van de graaf van Gelre, 1326, in: Ons Voorgeslacht maart 2015, blz. 107, 109, 113Item de .....Greve van Gulich helt van den greve van Gelren de alenge muele, also als de ghelegen es, thuys te Bruke ende dat vorborght ende de stat, ende .c. marc gelts uten tolle te Lobede, de hi ghecoft het teghen den here van Kuic [blz. 107]Item her Niclaes van Malsen helt .xx. lb. uten tolle te Zulinchem, ende .xx. lb. gelts uten tolle te Dryel, te Zutfenschen rechte [blz. 109]Item de here van Hoeps helt .xv. lb. gelts uten tolle van Zulinchem, te rechten manleene [blz. 109].Item Didric van Werthusen helt .vii. lb. gelts uter tolle te Zulinchem [blz. 113]Heuff, Hof, p. 151(1274)Heuff, Zandweg, p. 125(1773)Heyden/Hermesdorf, AantekeningenHoefer, Aantekeningen, pp. 355, 365Houtte, J.A., Makelaars en waarden te Brugge van de 13e tot de 16e eeuw, in BGN deel 5 (1950), blz. 27Het was verder hun (de makelaars, LA) taak te helpen bij de tolverrichtingen en aan de waag die aan de Tol gehecht was, althans bij de zgn. Grote Tol, die op de handelsverrichtingen op verre afstand geheven werd. Reeds in 1262 genoten zij een recht van twaalf penningen per vat Poitou- of Gascogne-wijn dat aan de Tol gewogenwerd, indien zij tenminste bij de verkoop daarvan aanwezig waren geweest 2)L. Gilliodts- van Severen, Cartulaire de l'ancien Grand Tonlieu de Bruges, faisantsuite au Cartulaire de l'ancienne Estaple (Publ. de la Société d'Emulation de Bruges).Brugge 1908-1909,2 dln. G. Renson, Het tolrecht te Brugge tot de jaren 1500 (Miscellanea J. Gessler, II p. 1044-1060. Z.p., 1948,2 dIn) brengt weinig klaarheid over·het onderwerp. Gilliodts, Reglements, p. 122-123.Hugenholtz, Cura, pp. 172-173Jansen, MiddeleeuwseJansma, Raad, pp. 139 (15e e), 175(1453)Janssens, Onstaan, p. 2Jong, Hellevoeterland, pp. 51 (1475), 75 (20e e)KB 22 maart 1831, B. 126KB 29 oktober 1833, B.95KB 29 mei 1945, B. 192 (Maastricht-Venlo)KB 25 september 1846, B.473 (Maastricht-Venlo)KB 23 mei 1848, nr. B. 321 (Maastricht-Venlo-Gelderland) KB 11 juni 1848, nr. B.331 (Hut-De Plank)KB 4 juli 1848, nr. (Zwolsche Diep)Kellenbenz, Antwerpener, pp. 215-216 (1582)Kemp, Geschiedenis, pp. 25 (8e e), 65 (18e e)Knoop, Resultaten, p. 173 (1280)Kooperberg, Margaretha, pp. 98 (1496), 163 (id), 234 (1507)Korteweg, Stadrecht, pp. 32 (1200), 38 (1213; 1271), 58 (me.e.), 63 e.v. (id), 69 e.v. (id), 82 e.v. (14e e)Kruisheer, Bespr. Laan, p. 251Kruisheer, Oorkonden (10e-13e e)Kuile, Heerlijkheid, pp. 392 (1405; 1741), 402 (14e-15e e)Kuile, Ontstaan, p. 573 (1223)Laar, Oorsprong, p. 161 (726)Lanz, Correspondenz I, p. 284 (1528)Lemmink, Staten, pp. 27 (13e e), 37 (1297), 44(1321), 121(15e e), 132(1477)Lugard, Zegels, pp. 141(1280), 142(1546)Maasgouw 1879-1881, pp. 173 (1735), 213 (1705), 216 (1131), 508 (15e e); 1882-1885, p. 846(1478); 1886-1887,p. 111(1222)Maeckl, Einige, p. 260 (1445)Maenen, Maastrichts, pp. 605-606 (1795-1830)Man, M.G.A. de, Zilveren tolteekens, in: Jaarb. Muntk. VIII 1921, blz. 95Meerkamp van Embden, Goudsche, pp. 102 (1525), 114-117(1526), 165 e.v. (1530), 170 e.v. (id), 173 (id), 185 (1531), 353 (1559)Meester, Geschiedenis I, pp. 8 (1158; 1310), 104(15e e)Meilink, Rapporten (16e e)Merkus, Schets, pp. 6, 33Meijers, Bespr. Camps, p. 244 (1246)Mieris, Handvesten, pp. 55 e.v. (1494)Moll, Rechten, pp. 45-50 (13e-17e e), 154 e.v. (id)MontéVerloren, HoofdlijnenMoquette, Strijd, p. 45 (1313)Mulder, Kroniek, pp. 5 e.v. (1520)Muller, Middeleeuwsche (Inl.), p. 28 (m.e.)Muller, Strijd, p. 96 (1450)Nagge, Historie I, pp. 26, 30-32, 35, 51, 58, 67, 70, 73-74, 90, 99-100, 111, 199, 206, 212-213,353,384,414,425,497Navorscher I, blz. 19, 39; III, pp. 43 (1581), 291 (1252); Bijbl. III, pp. XL (m.e.), 14 (id); VII, p. 96 (14e-16e e); IX, p. 166 (1716); XII, pp. 6 (1811), 109 (1480), 164-165 (1698), 368 (1566); XIII, pp. 183 (1252), 236 (1312), 280 (1421), 313 (1252); XVIII, p. 417 (975); XXI, p. 120 (13e e); XIX, p. 599 (1275); XXIII, p. 179 (1672); XLV,p. 480 (1319)Groot Brabantsche zwijgende Landtol [I, blz 19]Nettesheim, Archief, pp. 273 (1651), 279 (1664)Nève, Rijkskamergerecht, p. 87 (11e e)Niermeyer, Over (14e e)Nijhoff, Archief, pp. 8 (1381), 9 (1402), 10 (1420), 11 (1423), 12 (1425), 14 (1465), 22 (1519), 40 (1605; 1607), 42 (1620-45), 44 (1633;1639-51)Nijhoff, Oud, pp. 1 (1230), 2 (1257), 3 (1266), 6 (1301; 1304), 10(1339), 11 (1346; 1349), 13-14 (1357; 1359), 17 (1371), 19 (1372),22 (1379; 1381), 24 (1394), 25 (1405), 26 (1406), 27 (1408; 1410), 33 (1423), 34 (1425), 35 (1428), 38 (1441), 42 (1443; 1445), 43 (1447), 44 (1449), 45 (1452), 46 (1454), 47 (1457), 54 (1478), 58 (1498), 61 (1505), 64 (1528), 65 (1530-80), 66 (1530), 74 e.v. (1544), 95 (1567), 102 (1568), 104 (1570), 113 (1575), 116 (1576), 122 (1582), 126(1585), 133(1617), 135(1753) Nijhoff, Staatkundige, pp. 19 (985), 20 (948), 23 (11e e), 29 (1165), 31 (12e e), 54(1272-73), 63 (1288)Nuyens, Inventaris, pp. 93 (1828-30), 179 (19e e), 369 (id), 416 (id), 492 e.v. (id) Obreen, Stukken (1336) Over.Alm. 1838, pp. 210e.v. (14e e) Panhuysen, Omstreden, pp. 90-91 (13e e) Pirenne, Anciennes, pp. 148 (m.e.), 157 Pirenne, Constitution, p. 8 (m.e.) Pirenne, Marchés, p. 115 (10e-1 Ie e) Pirenne, Villes, pp. 310, 325 e.v., 339 Poel, Compositie, pp. 64-65 (1473-74) Poel, Sijmen, blz. 25, 69-81Postma, Slechte, p. 155 (1643) Prevenier, Maatregel, p. 400 (12e-13e e) Racer, Gedenkstukken, deel 2, p. 48 (1006), 84 (11e e); 157 (1365; 1391; 1406), 230 (1490), 239 (1331)Rees, Geschiedenis I, pp. 10 (1253), 36-37 (1015), 39 (1252), 42 (1306), 43-61, 68-70 (1313), 73 (1389), 78, 92 (1275), 108 (16e e), 161 (id), 181e.v.(17e e)Rengers, Schets, p. 33 (1850) Res. GS Limburg 7 december 1848, B. 611 (Gennep-Ottersum-Duitsland)Res. MvF 21 november 1849, B. 516 (teeltprodukten naar de markt)Res. GS Limburg 23 juni 1850, B. 397 (Well-Duitsland)Res. GS Limburg 23 juni 1850, B. 401 (Heerlen-Sittard)Sassen, Oorkonden, p. 28 (1296) Schaap, Philips, pp. 37 (1480), 53 (1513-14) Schepper, Grote, p. 188 Schevichaven, Memoriën, p. 303 (1686) Schevichaven, Organisatie, pp. 1 (1340), 13 (1422) Schevichaven, Rijk, pp. 49 (1230), 70 (1294) Schevichaven, Rijkstol Schevichaven, Vraagstukken, p. 68 (1230) Schillemans, Houtveilingen, p. 173 (1287; 14e e)Schrassert, Codex, p. 2 (1689)Siccama, Over, p. 2 (1399)Sickenga, Omwenteling, pp. 4 (1795), 56 (1799), 70, 98,111,114,129Op den weg der vrijheid van het binnenlandsch vertier werden in Holland de provinciale tollen afgeschaftSlanghen, Tol (13e-17e e)Sloet, Brieven, pp. 306 (1385), 308-309 (id), 325 (1386), 329 (id), 330 (id)Sloet, Toestand, pp. 420 e.v. (1543), 425 (id)Slootmans, Privilege (1446)Smidt, Grote, p. 59 (1504)Smidt, Miscellanea, p. 59Smidt/Rompaey, Chronologische III, pp. 117 (1534), 144 (id), 210 (id), 302 (1537), 489(1540)Smidt/Strubbe, Chronologische I, pp. 104 (1475), 150 (1478), 185 (1480), 195 (1481), 204-205 (1484), 255 (1492), 350 (1500), 370 (1502), 401 (1457), 407 (1472), 414 (1475), 436 (1492), 447 (1486-96), 455 (1497-98), 458 (1499), 459 (id), 460 (1480-1500), 463 (15ee),474(1499-1504)Smidt/Strubbe/Rompaey, Chronologische II, pp. 23 (1505), 52 (1507), 59 (1508), 79 (1509), 106 (1511), 132 (1513), 146-147 (1514), 177 (1516), 196 (1518), 262 (1522), 308 (1523), 368 (1526), 437 (1528), 480 (1529)Smit, Kamper (1439-41)Smit, Verschillende (13e- 14e e)Snijder van Wissenkerke, Privilegiën, pp. 75-76(1877), 91-93Stallaert, Glossarium I, blz. 1 , 2Van wijnne te scrodene sal elc aame wijnts, die di scroderen afdoen en kelderen, ghelden enen penninc, en elke aame wijnts, die si vutdoen, sal ghelden tue penninghe, Tol te Diest 24 juni 1307 [blz. 1] Dat sij dan onse voors. tollen , pachten, chijnzen en renten, en oic alle vervallen voirs soilen moigen aenveerden en inhouden, sonder onsen wederseggene, abolch oft enigen ondank daerom te hebbene in eniger manieren. Rootb., f° 62 v°. (1537) [blz. 2]Sterck, Opkomst (14e e)Stratingh, Geschil (15e-17e e)T.G.O. 1835, pp. 201 (10e e), 502 (7e e); 1836, pp. 234 (m.e.), 399 (id); 1837, pp. 2 (775), 262-264 (1521-22); 1840, pp. 220-221(1549)T.S. Drenthe, p. 57 (1395)T.S. Overijssel I, pp. 8-10 (973-1612), 13, 14 (1600), 17 (1395), 70 e.v. (13e e), 79(1241; 1328), 90 (14e e), 113 (1391), 116 (1397), 121 (1415), 162 (16e e), 170 e.v. (1520-21); II, pp. 33 (1336), 42 e.v. (14e-17e e), 94 (1445); III, pp. 46 e.v. (14e e), 50 (1367), 52 (1387), 54 e.v. (1401), 55 (1407), 58 (1453), 178 (1654), 180 e.v. (1651), 188 e.v. (1645); IV, pp. 193(1328), 195(1348)T.S. Stad en Lande XX, pp. 91, 117, 142, 170, 177, 316, 536; XXI, p.98 T.S. Zeeland I, pp. 97 (18e e), 139 (1530), 147 (1340; 1462), 261 (1289), 393 (1505); II, pp.10 (1266; 1296), 54 (1413), 70 (m.e.), 72 (1291), 90 (id), 103 (m.e.), 156 (16e e), 187 (1349), 201 (1288), 284 (15e e), 315 (1418), 382-383 (15e-17e e), 492 (1656), 542 (1396) Taxandria VI, p. 233 (1514); XI, pp. 34 (1547), 37 (1378); XII, p. 283 (1638) Theissen, Regeering, pp. 57 (1521), 70 (1525), 155 (16e e) Unger, Keuren, p. 127(1518) Unger,Tol (1321-1572) Venner, Inventaris, pp. 143 e.v. (16e-18e e), 195(1197) Verhees, Niederlandische, pp. 204 e.v. (16e e) Verhofstad, Regering, pp. 79 (16e e), 125 (1557) Verkerk, TolVerseput, Ontstaan, pp. 74(1395), 77 (1431) Voorthuysen, Mercantilisme, pp. 19, 27, 33 e.v., 40 Vriese, Voormalige Westermann, Rekeningen (1394-95) Zuylen, Inventaris I en II Zijp, Strijd, pp. 43 (1543), 48 (16e e), 115Tongeld
Anoniem, Belastingen, p. 78 (19e e)
Rees, Geschiedenis I, p. 93 (15e e)
Tonnengeld
Anoniem, Belastingen, p. 78
Economist I, pp. 338-346 (1850)
Gelder, Zestiende, pp. 202 e.v. (16e e)
Gorter/Vries, Gegevens, p. 26 (1855)
Muller, Middeleeuwsche (Gl.), p. 85 (m.e.)
Rengers, Schets I, pp. 68 (1851), 71 (1852), 106 e.v. (1853)
Smidt/Strubbe, Chronologische I, pp. 465 (1501), 468 (1501-02)
T.G.O. 1839, p. 102(1483) Veen, Ambt, p. 227 (1792-94)
Transactie
Nypels, Rijksfiscaal, pp. 41-47 Sickenga, Omwenteling, p. 140
Tresorier- generaal
Gelder, Gegevens I, p. 244
Gosses/Japikse, Handboek, p. 219
Groot, Zweder, p. 70 (1420)
Japikse, Resolutiën I, blz. XXIII (16e e)
Kerckhoffs-de Hey, Grote (Bio), p. 35 (1509)
Zuylen, Inventaris I, p. 78 (1504)
Tresoriers
Blok, Holl. stad Bourg., pp. 100-102, 112
Lemmink, Staten, p. 86(1418-19)
Navorscher XIII, pp. 40 (1394-99), 136 (15e e)
Jansma, Raad, pp. 37-38 (1563), 39 e.v. (14e-15e e)
Vries, Geschapen, p. 330
Tribuut
Bedrag dat een overwonnen volk aan de veroveraar moet betalen
Poel, Sijmen, blz. 12-13, 16, 21
Trouwen en begraven
ANF 1889, pp. 31-32 (1696-1808), 56 (1695-1774), 79 (1701-1805), 97 (1718-1811), 98 (1696-1806), 146 (1765-85), 147 (1695-1811), 170 (1723-1808), 171 (1723-1807), 196 (1695-1805), 217 (1740-1805), 242 (1695-1805)
ARA 1919, pp. 47-64
Engels, Geschiedenis, pp. 144 (Rep), 173 (1721)
Kernkamp, Aansprekersoproer (1696)
Moll, Gemeentearchieven, p. 110 (Rep)
Navorscher XLI,p. 516 (1778)
Pitlo, Zeventiende, pp. 294-295
Woude, Noorderkwartier, p. 634 (1696-1810)
Tulpenaccijns
Klage, Manuscript, p. 46 (1637)
Turf te water/wagen
Fruin, Informacie, pp. 7 (1514), 12 (id)
Zuylen, Inventaris I, pp. 21 (1496), 5219 (1512), 646 (1547); II, pp. 795, 868, 1267, 1494, 2044, 2058-59, 2098-99, 2133, 2135
Turfaccijns
Fruin, Informacie, blz. 18 (1514), 74 (id), 79 (id)
Turfaccijns schepen
Fruin, Informacie, blz. 7 (1514)
Turfaccijns karren
Fruin, Informacie, blz. 7 (1514)
Turfïmpost
Andreae/Downer, Plakkatenlijst, p. 105 (1760)
Ankum, Bijdrage, pp. 220 (1800), 237-238 (1768), 250(1800)
Anoniem, Belastingen, pp. 57-62
Avis, Directe, p. 125(1524)
Blécourt/Meijers, Memorialen, p. 214
Diederiks, Collecteurs, pp. 486, 489, 492-493, 500
Diepeveen, Vervening, pp. 114 e.v. (16e e), 133 (1559)
Dillen, Rijkdom, pp. 210-211
Engels, Geschiedenis, pp. 80(1580), 116-119 (Rep), 137 (1650), 147 (1700), 169 (Rep), 189 (1806), 207 (1807-08), 213 (1811), 216 (1813), 218 (1814), 323-328 (19e e)
Faber, Drie I, pp. 258 (17e e), 263 (1699), 264(1819)
Fruin, Informacie
Gorter/Vries, Gegevens, p. 31 (1863)
Gratema, Stadhouders, p. 101 (1748)
Hollestelle, Belasting (17e-18e e)
Houtzager, Hollands, pp. 42, 45, 115 (1559)
Jong, Hellevoeterland, p. 51 (1475)
Lemmink, Staten, p. 113 (1443)
Meilink, Rapporten, p. 307
Moquette, Strijd, p. 41 (1468)
Muller, Middeleeuwsche (GD, p. 85 (m.e.)
Navorscher III, p. 37 (1598); VII, p. 310 (1748); XII, p. 98 (1574); XIX, p. 566 (1815)
Nuyens, Inventaris, p. 137 (1841)
Poel, Advocaat, p. 8
Rengers, Schets, pp. 49 (1850), 68 (1851), 122 (1854)
Sickenga, Omwenteling, pp. 69, 114, 153-155,160
Smidt/Rompaey, Chronologische III, p. 267 (1536)
Stallaert, Glossarium, p. 282
T.G.O. 1839, p. 102(1483)
T.S. Overijssel I, pp. 37-38 (Rep); III, pp. 169-170(1573)
Theissen, Regeering, p. 155 (16e e)
Verhofstad, Regering, p. 158 (1559)
Voorthuysen, Mercantilisme, pp. 95, 97-98,
IJsselbode 1854, 4 november
Zuylen, Inventaris I, p. 749; II, pp. 1909, 1913, 2044, 2133, 2135, 2143.
Turfmaat
Andreae, Aanteekeningen, p. 256 (14e e)
Boer, Rekeningen, p. 49 (1394)
Diepeveen, Vervening, pp. 10 (1411), 33-34 (1548), 78(1557), 89 (id), 100 (id), 108-113 (16e e)
T.S. Overijssel III, p. 169(18e e)
Turftienden
Postma, Hoogheemraadschap, blz. 335 (1501)
Twaalfde penning
algemeen=Een heffing van 8,5%BRONNENliteratuurRooijen, F.J. van/Spiegel, R.A. van der, De kohieren van de Twaalfde Penning en het Weekgeld, in Ons Voorgeslacht 74 (2019), pag. 318-320. Twaalfde penning 1572
WateringenIn het kohier staat Cornelis Sijmonsz met zijn bezit vermeld. Eveneens wordt vermeld Jan Sijmonsz BRONNENliteratuurBoheemen, Peter J.M. van, Eerste generaties van familie van Bohemen-van Boheemen, in: Ons Voorgeslacht 2018, blz. 185, 197Twaalfde penning 1573
RijswijkIn het kohier staat Pieter Claesz met zijn bezit vermeldBRONNENliteratuurBoheemen, Peter J.M. van, Eerste generaties van familie van Bohemen-van Boheemen, in: Ons Voorgeslacht 2018, blz. 184Engels, Geschiedenis, p. 61 (16e e)Tweede Kamer1815-1861algemeenbestuurreferendaris=Jan Jacobus Frederik Noordziek [1811-1886] was referendaris-bibliothecaris van deTweede Kamer [Leeuw1886, blz. 80]leden=in 1816-1817 en 1820-1821 was André Charles Membrede [1758-1831] voorzitter [DBNL]=in 1822-1829 is Christien Jacques Adrien baron van Nagell, heer van Oud en Nieuw Ampsen, lid van de Tweede Kamer [Leeuw1883, blz. 87]=in 1828 is mr. L.C. Luzac [1786-1861] lid van de Tweede Kamer [Leeuw1883, blz. 46]=Engel Pieter de Monchy , geboren te Rotterdam 17 juli 1793, was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1883, blz. 79] = Jhr. mr . Godefridus Adrianus Emanuel van Aefferden [1762-1831] was lid van de Tweede Kamer en burgemeester van Venlo [Leeuw1884, blz. 88]=Jhr. mr . Willem Boreel van Hogelanden, geboren te Velsen 23 maart 1800, was van 1842-1855 lid en verscheidene malen voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1883, blz. 72]=van 17 oktober 1848 t/m 12 februari 1849 was Johan Daniël Cornelis Carel Willem baron d'Ablaing van Giessenburg [1779-1859] lid namens Utrecht [Repertorium]=mr . Daniël Veegens [1800-1884] was griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 52=mr. Gerrit Abraham de Meester van 's-Heerenlo [1817-1884] was burgemeester van Harderwijk, lid van de provinciale staten van Gelderland, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 28]=Jhr. mr. Carel Jan Christiaan Hendrik van Nispen tot Sevenaer [1824-.....] lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 50]=dr. Adriaan Gills Camper [1759-1820] was lid van Kamer [Gens Nostra 1948/4, blz. 58]=mr. Willem baron van Lijnden [1806-1866] was rechter in de arrondissementsrechtbank te Nijmegen, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en van provinciale staten van Gelderland [Leeuw1886, blz. 34]=mr . Jean Henri de Laat de Kanter, geboren te Amsterdam op 5 augustus 1825, oud lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal [Leeuw1883, blz. 72]=mr. Gerrit Adrianus de Raadt van Hendrik-Ido-Ambacht [1818-1884], lid van de Tweede kamer der Staten-Generaal, lid van provinciale staten van Zuid-Holland, lid van de Eerste Kamer, sedert 1862 burgemeester van Dordrecht [Leeuw1884, blz. 16]. =mr. Johan George Gleichman [1834 -1884] was minister van Financiën, li d der Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 52=mr. Constant Théodore graaf van Lijnden van Sandenburg [1826-1885] was lid van de Tweede Kamer [Leeuw1886, blz. 7]=mr. Jasper Andreas Adriaan Leemans [....-1884] was lid [Leeuw1884, blz. 44]=mr. Bartholomeus Willem Anna Elisa baron Sloet tot Oldhuis [1808-1884] was in de periode 1847-1848 buitengewoon lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 67]=mr. Charles J. F. Mirandolle [...-1884] was lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal [Leeuw1884, blz. 67]=Jhr.mr. Titus Anthony Jacob van Asch van Wijck [1849-....] was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en burgemeester van Amersfoort [Leeuw1884, blz. 75]=jkh Tinio Martinus van Lyclama van Lyclama a Nyeholt [1767-1844] was lid van de Tweede Kamer [Verwoert2, blz. 38]=mr. Aeneas baron Mackay van Ophemert en Zennewijnen [1806-......] lid der gedeputeerde staten van Zuid-Holland, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, vice-president van de Raad van State, minister van staat [Leeuw1886, blz. 62]=mr. Alexander van Rhemen van Rhemenshuizen [1783-1822] was lid van de Tweede Kamer [Werner, blz. 49]=Jhr. mr. Pieter van Akerlaken [1792-1862] was lid van de Tweede en nadien van de Eerste Kamer [Leeuw1885, blz. 49] =Jhr. mr. Dirk van Akerlaken [1815-....] lid van de Tweede Kamer, later van de Eerste Kamer [Leeuw1885, blz. 49]=mr . Johannes van Kuyk [1819-1885] was commissaris van de Koning in Drenthe, oud lid van de gemeenteraad en burgemeester van Delft, voorts lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1885, blz. 60]=Johannes Petrus Bredius [1841-1886] was lid [Leeuw1886, blz. 69]=W.J.A.. Jonckbloet was lid van de Tweede Kamer [.........-1885] [Leeuw1885, blz. 100]=mr. Petrus Johannes Jacobus Hollingerus Pijpers [1816-1886] was kantonrechter en lid der Tweede Kamer der Staten Generaal [Leeuw1886, blz. 25]=in 1859 werd Jan Heemskerk Azn [1818-1897] lid van de Tweede Kamer [Wink, blz. 562]=van 1868-1873 was Jan Heemskerk Azn [1818-1897] lid van de Tweede Kamer voor Gorkum [Wink, blz. 562]=mr Theodorus Heemskerk [1852-....] was na 1888 lid van de Tweede Kamer [Wink, blz. 562]=mr . Schelte Wijbenga [1804-1886] was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1886, blz. 96]=mr. Samuel van Houten [1837-.....] was lid van de Tweede Kamer [Leeuw1887, blz. 9]=K. de Jong [.......-1887] was lid van de Tweede Kamer [Leeuw1887, blz. 21]=Justus Dirks [1825-...], hoofdingenieur van Rijkswaterstaat, was lid van de Tweede Kamer [Leeuw1887, blz. 22]BRONNENliteratuurWerner, H.M., De Geldersche Toren, in: Geldersche Volksalmanak 1881, blz. 37-57Tweede Nationale Vergaderingrepresentanten-Van 28 september 1797 t/m 23 januari 1798 is dr. Theodorus Aaninck lid namens district Soestdijk. Toen op 22 januari 1798 een staatsgreep plaatsvond nam hij ontslag [NNBW IX blz. 1-2; Repertorium]-van 10 januari 1798 t/m 22 februari 1798 is Willem Andries Abbema lid namens district Zeist [Repertorium]BRONNENliteratuurIn de Resolutien van de Staten van Holland van woensdag 23 april 1687 is te lezen dat Jacob Hop, pensionaris van Amsterdam, aan de vergadering meedeelt dat de "Heeren haer Edele Groot Mog. Gedeputeerden ter Generaliteyt aen haer Hoogh Mog." had bekend gemaakt dat, tot haar bevreemding, in de Utrechtsche Courant van 11 april 1687 is gesteld dat wegens het heffen van de reele en personele 200e penningen 16 stemmen van de EGM vergadering het eens waren "ende alleen twee Steden discrepeerden, welcke, soo men seyde, hot selfs niet eens zijnde, den uytslagh op de naeste Vergaderinghe verwacht wierde; dat de voorschreve periode ten alder-uyttersten aenstootelijck zijnde, alleen daer toe scheen bedacht te wesen, om de Regeringe by de Gemeente hatelijck te maecken, ende de gemoederen van de selve Gemeente tegens de Leden van de Regeringe te doen verbitteren, ende tot opschuddinge te verwecken". En verzoeken of HHM bij de Staten van de provincie willen bewerkstelligen dat "behoorlijcke reparatie"plaatsvindt en, zo niet, dat de Utrechtse kranten binnen de provincie worden verboden
[W.P. Sautijn Kluit, Hollandsche en Fransche Utrechtsche Couranten,in: BMHG 1877, 1e jrg, blz. 42]
ANF 1884, 1 mei, p. 4 (1742)
B.G.O.G.VI,p. 253
Diederiks, Collecteurs, p. 487
Dillen, Effectenkoersen, p. 5 (18e e)
Dillen, Leiden, p. 45 (1722)
Dillen, Rijkdom, pp. 275-276 (1623; 1631), 311(1631),312(1674)
Directie, Bouwstoffen, pp. 24-25 (167 1-72)
E.H.J. XVI, Verslag, p.LXXXV (1647-51)
Engels, Geschiedenis, pp. 61 (1551), 157-159 (17e e), 174-175(18e e)
Gebhard, Dagboek, p. 61 (1672)
Gelder, Haagsche(1674)
Haar, Romeyn, p. 161 (17e e)
Hallema, Financiële, p. 94 (1637)
Hoefer, Brieven, p. 332 (1623)
Houtzager, Hollands, pp. 38 (1667), 59, 83, 85-86, 139, 141, 143, 145-146, 148, 159-160,173-174,176-179, 180
Moll, Gemeentearchieven, p. 111 (1665)
Moquette, Strijd, p. 59 (1630)
Navorscher VII, p. 260 (1623); XIII, p. 144 (1634); XV, p. 258 (1631); XXI, p. 455 (1688)
Oldewelt, Beroepsstructuur, pp. 80 e.v. (17e-18e e)
Piccardt, Accoorden, p. 189(1691)
Rees, Geschiedenis, p. 115 (1551)
T.S. Zeeland I, pp. 7 (1641), 20 (1598; 1628); II, pp. 25 (17e e), 102 (id), 322 (1747), 337 (1685)
Vries, Geschapen, p. 344 (Rep)
twintigste penningalgemeen=De twintigste penning van Alva was bedoeld als een een bestendige belasting op "aIle onroerende Goede.ren, zo dikmaals die in handen van eenen anderen bezitter overgingen". In moderne termen gesproken, een overdrachtsbelasting [Kok2, blz. 461]=voorbeeld van een aangifte met solomnelen eed [Archieven.nl]=In juli 1572 kwamen de afgevaardigden van de rebellerende steden in Dordrecht bijeen onder voorzitter Sint Aldegonde. Ze erkende de prins als opperbevelhebber van het leger in Holland, Zeeland, Westfriesland en Utrecht. Ze stelden 100.000 kronen tot zijn beschikking in baar geld met de belofte meer te zullen geven. De tiende, twintigste en honderdste penning zou hun niet de helft hebben gekost. Wat deed het er toe? Het kwam aan op hun rechten, niet op hun portemonnaie [Wedgwood, blz. 127] BRONNENliteratuurAndreae/Downer, Plakkatenlijst, pp. 77 (1637), 92(1706) 100Bon, Alle, Leenrecht, pp. 65-66 (1634; 1653) Coppens, Oud, p. 599 (1686) Craeybeckx, Moeizame (1572-74) David, Geschiedenis, p. 62 (1256) Directie, Bouwstoffen, pp. 9-10 (1653-64) Doorninck/Uitterdijk, Bijdragen I (1570) Engels, Geschiedenis, pp. 161-163 (18e e), 173(1721) Formsma, Ommelander, pp. 61 e.v. (1570-72) Fredericq, Proza, p. 119 (1569 e.v.)Fruin, Informacie, p. 334 (1514) Gelder, Gegevens I, p. 200 (1558) Gelder, Nederlandse, pp. 4 (16e e), 42 e.v. (1572), 97(1571) Goes, Register III, pp. 5-7 (1550); IV, pp. 18 (1555), 25 e.v. (id), 139 (id), 150-151 (id), 158 e.v. (id), 163 e.v. (id) Halma, Tooneel, p. 37 Hammen, Bijdrage, p. 123 (1804) Houtzager, Hollands, pp. 102-104, 166-169, 173, 187, 194(17e e), 182-183 Maddens, Hoe, p. 412 (1560) Moll, Rechten, p. 119(1560) Navorscher VI, p. 333 (1554); XIV, p. 341 (1597); XLVIII,p. 694 (18ee) Panhuysen, Omstreden, p. 93 (1256) Rees, Geschiedenis I, pp. 146 e.v. (16e e) Resandt, Bundels, p. 117 (16e e) Schoolhouder, Oeffenschoole Stallaert, Glossarium I, pp. 231 (1554), 628 (18e e) Stratingh, Geschil, p. 101 (1545) T.S. Overijssel II, p. 288 (1626) Verhofstad, Regering, p. 103 (1557) Verloren van Themaat, Geschiedenis, p. 196 (1798-99) Woertman, Korte, p. 269 (1746) Woltjer, Hervorming, p. 202 (1570) Zuylen, Inventaris II, pp. 818 e.v. (1569), 829-831, 846, 852, 858-861, 873, 884, 887, 900, 913, 1070, 1075