algemeen=In 1067 wordt de naam Gelre gebruikt als de Keulse aartsbisschop Anno de kerk en de tienden van Gelre aan de kerk van Sint Gregorius in Keulen schenkt [Spaen, Historie, deel 1, blz. 9]=Als in de 5e eeuw de Romeinse legers zich terugtrekken is de heerschappij aan de uit het oosten komende Franken. De Frankische koning Clovis [481-511] voegde het gebied bij zijn rijk [Alberts, Heerlijkheid, blz. 35]=Als in de 5e eeuw de Romeinse legers zich terugtrekken is de heerschappij aan de uit het oosten komende Franken. De Frankische koning Clovis [481-511] voegde het gebied bij zijn rijk [Alberts, Heerlijkheid, blz. 35]=na 511 deel van Austrasië. Daar waren Arnulf van Metz en Pepijn I grootgrondbezitters [Ardennen. Eifel, Maasstreken] en leiders van de aristocratie. Door een huwelijk van hun kinderen Ansegisel en Begga komt het bezit in één hand. Hun zoon Pepijn II [...-714] is de hofmeier van Austrasië. Hij bezette in 689 Utrecht [Alberts, Heerlijkheid, blz. 36]=onder Karel de Grote en Lodewijk de Vrome heerst er een betrekkelijke rust. Gelderland is verdeeld in gouwen. In het zuiden de Maasgouw, de Molengouw [pagus Mula], de gouw Hattuaria. de gouw Dubla, de gouw Batua, de gouw Teisterbant, de gouw Felua, de gouw Hamaland en de gouw Leomerike [Alberts, Heerlijkheid, blz. 37-39]. Het Rijksgezag is na de dood van Karel en tijdens het bewind van Lodewijk steeds verder verzwakt. Lodewijk verscheen een enkele keer in Nijmegen op de Palts om de verdediging tegen de Noormannen -overigens zonder succes- te organiseren [Alberts, Heerlijkheid, blz. 40]=in 770 door Karel de Grote aan zijn rijk toegevoegd, bestuurd door momboirs die zichzelf graven gingen noemen [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 224]=in 843 het verdelingsverdrag van Verdun. Het Rijk wordt opgesplitst in drie delen: het West-Frankenland, het Oost-Frankenland en het Midden-Rijk. Het Gelders gebied behoort tot het noorden van het laatste deel, vanaf 855 aangeduid als Lotharingen. Bij latere verdelingen in 870 en 879/880 gaat het Gelders gebied naar Oost-Frankenland [Alberts, Heerlijk, blz. 40]. =In 880 verblijven de Noormannen in de palts en voerden nadien rooftochten in het gebied uit. De moord in 885 op één van de Noormannenleiders, Godfried, bracht rust [Alberts, Heerlijk, blz. 41].Koning Arnulf doet in 895 een poging om het centraal gezag te versterken. Hij drong de Lotharingers zijn bastaardzoon Zwentibold aan de Lotharingers op. De Lotharingse aanzienlijken vielen hem af. In 900 sneuvelt hij in de strijd tegen opstandelingen. De aanzienlijken erkennen dan Lodewijk het Kind [900-911] als koning. Na de dood van Lodewijk erkenden een aantal aanzienlijken de West-Frankische koning Karel de Eenvoudige [893-929] als leenheer. In 925 komen ze weer onder Oost-Frankenland, voortaan voortbestaand als het Duitse Rijk, maar koning Koenraad I [911-918], noch zijn opvolger Hendrik I [918-936] zijn ooit in Gelders gebied geweest. Onder Otto I [936-973] verandert dit. Hij is in 944 in Rhenen, in 949, 956 en 966 in de palts in Nijmegen. Otto II [973-983] is in 973 in Nijmegen en Utrecht, in 975-976 en 980 in Nijmegen. Otto III [983-1002] was in 985,987,995 en 996 in Nijmegen. Hendrik II was op de palts in 1002-1003, 1006, 1015, 1018 en 1021 [Alberts, Heerlijkheid, blz. 41-43]=De koninklijke bezoeken stonden vaak in het teken van het doen van schenkingen van onroerend goed of geldswaardige rechten aan kerken en kloosters [Alberts, Heerlijkheid, blz. 44]. Het steunpunt voor het centraal gezag komt in het begin van de 11e eeuw steeds meer bij de bisschop van Utrecht te liggen. Deze verwerft van de koning vele graafschappen goederen en rechten, wat weer leidt tot geschillen met de graven uit het westen. Het Gelders gebied is daarbij nauwelijks betrokken. Wel wordt in 1047 de Nijmeegse palts verwoest als hertog Godfried van Opper-Lotharingen zich meester wil maken van Neder-Lotharingen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 46]. =in 1066 door keizer Heendrik III tot hertogdom verheven [Wink, blz. 491]=In de 13de eeuw ronden de graven van Gelre hun gebied af door aankoop van daarbinnen besloten heerlijkheden als Groenlo, Dieren, Steenderen, de goederen van het Utrechtsche kapittel van Sinte-Maria tusschen Lek en Linge, de graafschappen Montfoort en Kessel bij Roermond. Een aantal andere vrije heeren worden genoodzaakt den graaf hun goederen op te dragen om ze van hem in achterleen terug te ontvangen. In 1247 ontvangt hij van den Roomsch-koning Willem II voor een geldsom de stad Nijmegen met haar gebied in pand; het was een oude keizerlijke palts (palatium, paleis) en van Karel den Groote af onmiddellijk onder den Keizer gebleven. Het pand is nimmer ingelost. In 1311 wordt de Veluwe door den bisschop van Utrecht aan Gelre onmiddellijk in leen gegeven. In 1334 eindigt de graaf een ouden twist met Brabant over het bezit van Heusden en Tiel; hij staat Heusden af maar behoudt voor altijd Tiel. In 1339 eindelijk, bij zijn verheffing tot hertog, worden hem in naam de sinds lang metterdaad uitgeoefende koninklijke rechten in zijn gebied afgestaan, en verder nog het rijkswoud tusschen Nijmegen en Kleef [Fruin, Geschiedenis, blz. 12]=een kaart met de situatie van vóór 1543 [Alberts, Heerlijkheid, blz. 16]De middeleeuwse stad kan ook in het Gelderse gebied gezien worden als een door muren en poorten beschermde, uit het landrecht geëximeerde agglomeratie van personen, die zich in hoofdzaak bezig hielden met handwerk, handel en verkeer, akkerbouw en veeteelt; in verschillende steden uiteraard in ongelijke mate. Zo waren er steden, die inderdaad hoofdzakelijk van handel en nijverheid leefden, maar ook steden, wier burgers in een belangrijke mate hun onderhoud vonden in agrarische bezigheden. In Arnhem b.v. lieten de burgers in het midden van de 14de eeuw meer dan 1000 koeien en ossen in de buurt van de stad op de stedelijke weiden grazen. Ook in Zutphen was het agrarisch element nog in de late Middeleeuwen goed vertegenwoordigd.[....]. In de late Middeleeuwen komen in de meeste steden de volgende ambachten voor: schoenmakers, leerbewerkers, metselaars, timmerlieden, smeden, kuipers, pelswerkers, bakkers, vleeshouwers, klompenmakers, kleermakers, schippers, manden- en korfvlechters, brouwers, harnasmakers enz. Daarnaast vaak ook nog wevers, vollers en ververs [Alberts, W. Jappe, Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978, blz. 168-169]=“Tractaet van Harderwijk": Overeenkomst van 11 augustus 1497 tussen Gelre enerzijds en Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en bondgenoten Naarden, Weesp, Monnikendam, Edam, Muiden en de dorpen van Waterland [Gonnet, Inventaris, blz. 13]=In 1579 deel van de Unie. Na de Unie bestaat Gelderland uit de drie Nederkwartieren, te weten Nijmegen, Arnhem en Zutphen [Spaen, Historie, blz. 14] Alexander Bentinck [1548-1582] tekende in 1579 namens Gelderland de Unie van Utrecht [NNBW 1911, blz. 296]=verdrag van 1 of 3 april 1582 tussen enerzijds de Staten van het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen en anderzijds de hertog van Anjou [Navorscher 1851, blz. 321]=De Gedeputeerden van de Staeten, synde op den Lantdach, seiden, dat die van de Veluwe waeren de sinceerste , die van de Graeffchap de looste , ende die van Nimmegen de Opiniatreste; 't welk oorsaeck heeft gegeven aen andre, te vergelycken die van de Veluwe by Scaepen , die van de Graeffchap by Vossen , ende die van Nimmegen by Stieren" [Navorscher 1852, blz. 14]=Bij de Vrede van Utrecht in 1713 werd het zuiden van Gelre met de hoofdstad Gelder grotendeels aan Pruissen afgestaan. Alleen Roermond bleef behouden [Wink, blz. 491]=in 1906 bestaat Gelderland voor 20,61% uit woeste gronden [Wink, blz. 491]=op 1 december 1908 groot 4938 km2 met 639.431 inwoners [Wink, blz. 491]=in 1968 groot 5018 km2 met 1.435.000 inwoners. De cultuurgrond in voor 60% gras, 30% bouwgrond en 10% tuingrond [ter Laan, blz. 127-128]belastingenadvocaat-fiscaal voor de middelen te landeIn 1814 wordt Coenraad Jacob Gerbrand Copes van Hasselt advocaat-fiscaal voor de middelen te lande in Gelderland (WP8.153)aftochtsgeld=in augustus 1597 gaat een brief uit van koning Hendrik IV van Frankrijk en Navarre dan aanwezig bij het leger in Amiens. In de brief wordt het recht van aubaine in Gelre opgeheven [Navorscher 1851, blz. 321]algemeenDe steden hebben de landsheren in hun financiële transacties bijgestaan door middel van beden, geldleningen en borgstellingen, terwijl zij hen bovendien in enkele gevallen geldbedragen schonken. Ook de ridderschap schoot wel te hulp. Steeds meer blijkt sedert het begin van de 14e eeuw dat de normale, eigen inkomsten van de landsheren uit domeinen en tollen onvoldoende waren voor de bestrijding van de toenemende bestuurskosten en andere uitgaven. Zonder tegenprestatie werd de financiële hulp niet verleend. De steden en ridderschap krijgen zo steeds meer invloed op het bestuur [Alberts, Heerlijkheid, blz. 78]ambtgeldHet begeven van ambten in pand tegen een vergoeding was een bron van inkomen. Zo werd in 1382 Gijsbert van Bronkhorst tot drost en ambtman in het graafschap Zutphen aangesteld voor 10.000 gulden “alde solde” Zolang die som niet was terugbetaald kon Gijsbert niet uit de functie worden gezet [Alberts, Heerlijkheid, blz. 91]bede=In het begin van de landsheerlijke periode was de landsheer slechts zelden aangewezen op de bede, Ze had nauwelijks betekenis. Het adagium "The king must live of his own"" was werkelijkheid [Alberts, Heerlijkheid, blz 69]=in 1389 moesten de inwoners van het Gelders gebied een bede opbrengen om hun landsheer uit de gevangenis vrij te kopen [Alberts, Heerlijkheid, blz 93]=De onwil om heffingen toe te staan en inkomsten af te staan aan de generaliteit voor het voeren van een gecoördineerde strijd in de hele Nederlanden is .. een euvel waaraan niet alleen Vlaanderen of Holland, maar ook alle andere gewesten zich schuldig maken. ... Volgens de taxatie, vastgesteld door de Staten-Generaal op 29 april 1579, moet Vlaanderen ..voor ruim een derde van alle lasten instaan, namelijk 34%, Holland en Zeeland dienen 15% op te brengen, Brabant 12% Gelderland 12% en Friesland 5%, de andere gewesten tussen 1-2,5%. Vlaanderen is wat de financiën betreft de grootste contribuant. [Decavele, Mislukking, blz. 648]. bieraccijnsIn 1501 liet Karel van Egmond, hertog van Gelre, een accijns op de bieren verpachten en bepaalde daarbij onder anderen , dat dit in het openbaar en bij de brandende kaars moest plaats hebben. Het schijnt toen reeds een on gewone zaak geweest te zijn [Navorscher 1852, blz. 203]controleur van de Waarborg=In 1820 is A.A. Pasteur uit Arnhem controleur van de Waarborg over de provincie Gelderland [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XXIII]generale middelen=Uit een rapport van de stad Antwerpen van 7 november 1578 volgt dat, ziende naar de generaliteitsmiddelen over de periode januari 1578 t/m oktober 1578, Gelderland 17.000 gl heeft opgebracht [Decavele, Mislukking, blz. 648-649]. =Crawford Lomas voert de Engelse gezant Fremyn op die op 24 februari 1584 aan sir Francis Walsingham schrijft: "But everyone wishes to command in his town and province, without taking his Excellency's advice,... every town and province wishes to manage the money destined for the war at their will, giving the principal offices to themselves and their relations, both of State and war...If the resources of this State designed for the war were well and faithfully administered, it would not be necessary to seek for help outside. There would have been enough to entertain 6.000 horse and 20.000 foot for ten years and more.." [Crawford Lomas, Calendar, blz. 353-354]haardstedenbelasting
Een door Maximiliaan opgelegde haardstedenbelasting leverde ook geen volledige betaling op, ondanks het bevel om zonder onderscheid des persoons te innen. Ter vervanging van deze belasting wordt een pondschatting ingevoerd [Alberts, Heerlijkheid, blz. 135-136]jodengeldOp 1 augustus 1385 neemt de hertog Mannus de Jood in bescherming voor 15 gulden per jaar. Op 4 november 1390 krijgt Nathan van Berke verlof om zeven jaar lang met zijn familie in Nijmegen te wonen tegen een jaarlijkse betaling van twintig gulden. Roermond werd verzocht Johel van Worms met zijn familie tien jaar toe te laten. Ook in Venlo werden Joden toegelaten[Alberts, Heerlijkheid, blz. 92]naturaVan handelsverkeer blijkt echter niets, zodat mag worden aangenomen, dat de agrarische productie ter plaatse in de consumptie werd opgenomen en allereerst diende om een grotere bevolking te voeden en voorts - voor een niet onbelangrijk deel - kon strekken tot het voldoen van hetgeen in natura aan wereldlijke en kerkelijke grondbezitters verschuldigd was, waarbij misschien een klein deel in geld betaald werd, al is het niet duidelijk, waar bij het ontbreken van handelsverkeer van enige betekenis, het geld vandaan kwam [Alberts, W. Jappe, Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978, blz. 157]ontvanger-generaal=Anthonie Frederik Robbert Evert, baron van Haersolte is ontvanger-generaal in Gelderland (WP8.276) =Everard van Heyden was ontvanger-generaal [Gens Nostra 1946, blz. 71]pondschatting
Een door Maximiliaan opgelegde pondschatting werd geen succes [Alberts, Heerlijkheid, blz. 136]In 1490 wordt een dubbele pondschatting geëist door stadhouder hertog Albrecht van Saksen. Er volgden onderhandelingen van de steden met de stadhouder maar er werd uiteindelijk betaald. Behalve door het Overkwartier waar Roermond en Venlo weinig meegaand waren [Alberts, Heerlijkheid, blz. 138]tollenIn 1222 wordt met koninklijke machtiging de Rijntol van Arnhem verplaatst naar Lobith. Dit was de belangrijkste tol in Gelre en de kurk waarop de landsheerlijke financiën dreven. De opbrengsten overtroffen die uit de domeinen en de overige inkomsten samen. Ook in Driel aan de Maas werd tol geheven. De tol van Zuilichem werd later verplaatst naar Zaltbommel. De tol van Zutphen werd verplaatst naar IJsseloord. De toenemende handel leidde tot hogere tolinkomsten. De graaf was daardoor in staat een krachtige expansie- en consolidatiepolitiek te voeren, zoals het aankopen van heerlijkheden, het panden van Nijmegen, het steunen van de rooms-koning, etc. [Alberts, Heerlijkheid, blz 69]Inzicht omtrent de omvang van het handelsverkeer geven ons de slechts voor een deel bewaard gebleven rekeningen van de Gelderse landsheerlijke rivierrollen, te Lobith, Nijmegen, Heerewaarden, Tiel, Zalt-Bommel, Ravestein, Mook, IJsseloord en Zutphen. 42 Daarin zijn b.v. de namen van een groot aantal personen genoemd, die met betrekking tot de cargo als koopman-eigenaar of als schipper-vervoerder beschouwd moeten worden, onder vermelding van de aard van de scheepsladingen. [Alberts, W. Jappe, Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978, blz. 176]verificateur der registratie en domeinenIn 1820 is T.J. van Talma uit Terborg verificateur der registratie en domeinen in de provincie Gelderland [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XXVI]vermogensbelastingIn 1485 worden door Maximiliaan opgelegd een twaalfde penning van alle bezittingen en een zesde penning van leengoederen. Ridderschap en steden weigerden eensgezind. in 1485-1487 vonden daarover diverse besprekingen en onderhandelingen plaats. Uiteindelijk vond slechts gedeeltelijke betaling plaats [Alberts, Heerlijkheid, blz. 135-136]verpachtingIn 1501 liet Karel van Egmond, hertog van Gelre, een accijns op de bieren verpachten en bepaalde daarbij onder anderen , dat dit in het openbaar en bij de brandende kaars moest plaats hebben. Het schijnt toen reeds een on gewone zaak geweest te zijn [Navorscher 1852, blz. 203]bestuuralgemeen=in 1826 is Arnhem de hoofdstad van de provincie en is de provincie verdeeld in 15 steden en 17 hoofdschoutambten. De steden zijn Nijmegen, Arnhem, Zutphen, Nijkerk, Harderwijk, Tiel, Kuilenburg, Bommel, Wageningen, Doesburg, Groenlo, Elburg, Hattum, Doetinchem en Lochem. De nog niet genoemde steden Zevenaar, Huissen en Buren zijn elk onderdeel van één van de hoofdschoutambten. De 17 hoofdschoutambten zijn Overveluwe (4), Middelveluwe (3), Nederveluwe (5), Veluwezoom (5), Lochem (6), Doetinchem (6), Borculo (4), Bredevoort (4), Doesburg (5), Zevenaar (5), Over-Betuwe (8), Rijk van Nijmegen (9), Neder-Betuwe (7), Maas en Waal (7), Tielerwaard (10), Bommelerwaard (12) en Buren en Kuilenburg (4). Achter de hoofdschoutambten staat het aantal schoutambten vermeld. In de steden wonen 68.336 inwoners en in de hoofdschoutambten binnen de 104 schoutambten 201.590 inwoners [Gosselin, blz. XXXIV-XXXV]buitencollegesStaten-Generaal=vanaf 1582 vertegenwoordigde Elbertus Leoninus Gelderland [Zwetheul, Grafzerk, blz. 186]=Rudolph van Ommeren [1620-1689] was afgevaardigde [Verwoert2, blz. 112]=Floris II van Palland, graaf van Kuilenburg, was lid namens de ridderschap [Verwoert2, blz. 126]commissaris van de koningLouis Gaspard Adrien, graaf van Limburg Stirum [1802-1884] was in de periode 1853-1881 commissaris van de koning in Gelderland [Ned. Leeuw 1884, blz. 84]gedeputeerde staten-Evert Frederik van Heeckeren [1755-1831] is lid van PS en GS [WP8.193]-mr. Rudolf Willem, graaf van Lynden [1809-1876] is lid van GS [Leeuw1885, blz. 8; Roelants, Gulden, blz. 59-60]-mr. Jan Frederik Hendrik baron van der Feltz lid van GS [1819-1883] [Leeuw1883, blz. 48]-Mr. Allard Philip Reinier Carel, baron van der Borch van Verwolde. is sinds 1894 lid GSgouverneur=Adolph, graaf van Meurs, Nieuwenaar, etc. wordt in 1585 gouverneur van Gelderland en Utrecht Hij overlijdt op 5 oktober 1589 [Kobus/Rivecourt1.14; Verwoert, Handwoordenboek 1, blz. 7]=Jean Conrad d’Aubremont is gouverneur van het [Spaanse] Overkwartier [NNBW 1911, blz. 192-193]=In 1820 is J.C.E. grave van Lijnden staatsraad en gouverneur van Gelderland [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XIX]=Willem Hendrik Alexander Carel van Heeckeren van Kell [1771-1847] is gouverneur van Gelderland van 1825 tot 1846 (WP8.192; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 287)Intermediair Administratief Bestuur van Gelderland=van 19 februari 1798 t/m 15 juni 1798 is N. Aalbers van Elst lid [Repertorium]=van 27 februari 1798 t/m 19 februari 1799 is dr Louis Barthold Wilhelmus Aberson [1739-1827] lid namens Doesburg [Repertorium]kanselier=Willem van der Meer [1493-1543] werd in 1543 beroepen tot kanselier maar stierf kort daarna [Verwoert2, blz. 60]=in 1546 werd Adrianus Nicolai [....-1568] tot kanselier benoemd [Verwoert2, blz. 97]=Adriaan Marius Everhardi is kanselier van Gelre en Zutphen [Verwoert, Handwoordenboek I. blz. 194]=in 1578-1588 is Elbert Leoninus [1519-1598] kanselier van Gelderland (Aa, Bio I, blz. 124; Verwoert1, blz. 228, 297] Zwetheul meent van 1581 tot 1598 [Verwoert2, blz. 15; Zwetheul, Grafzerk, blz. 183]=Tot 1607 was Gerard Voet kanselier. Hij werd opgevolgd door Gerlach van der Capellen [1543-1625] [Aa/vH/S, Bio3, blz. 140]=in 1610 Willem Criep [1535-1610] kanselier [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 139]=in 1616 wordt Gerlach van der Capellen [1543-1625] kanselier van Gelderland [Verwoert1, blz. 116] en stadhouder van de lenen van Gelderland en Zutphen [DDB] =in 1617 is Hendrik Ouwens of Uwens kanselier van Gelderland en Zutphen [ANF1888, blz. 32; Gens Nostra 1946, blz. 70]landrentmeester-generaal =Hij is vanaf de 16e eeuw de provinciale ontvanger van de domeingoederen en de beden. De rentmeesters in de ambten innen cijnzen, tienden, tollen e.d van de gebruikers van domeingoederen en dragen na aftrek van de kosten het surplus af aan de landrentmeester-generaal. Hij betaalt daarvan de salarissen van de leden van het Hof en van de Rekenkamer en materiële lasten. De ontvangst van de beden via allerlei ontvangers en de besteding daarvan vooral aan militaire uitgaven geschiedt door de landrentmeester-generaal. De Staten stemmen al dan niet in met de gevraagde beden. Na de splitsing rond 1590 in noord en zuid geschiedt de goedkeuring door de Staten van het Overkwartier. De beden en domeinopbrengsten worden afzonderlijk geadministreerd en er wordt afzonderlijk rekening van gedaan aan de Gelderse Rekenkamer. Vanaf 1601 int de landrentmeester-generaal ook de onraadspenningen. Die penningen worden geheven door de Staten van het Overkwartier en omgeslagen volgens hetzelfde systeem als gehanteerd bij de bede. De opbrengst wordt na mandaat van de Staten door de landrentmeester-generaal gebruikt ter dekking van de uitgaven van de Staten. Van het beheer van de onraadsgelden werd een afzonderlijke rekening opgemaakt, die door de Staten van Overkwartier werd gecontroleerd. =Paul van Arnhem is landrentmeester-generaal [NNBW 1911, blz. 174]=Ido Gramaije was raad en landrentmeester-generaal [Gens Nostra 2025.1, blz. 57=Zeger van Arnhem [1602-1665] bezet vanaf 22 december 1621 die functie [NNBW 1911, blz. 174]=Frans Jan van Heeckeren (1692-1767) is landrentmeester-generaal (WP8.192)maarschalkArnald van Alphen was maarschalk van Gelderland, blijkens een brief van 24 februari 1410 van hertog Reinald IV [Kok2, blz. 681]ontvanger-generaal=Pieter van Aefferden is ontvanger-generaal van Karel van Gelre [Adel1925, blz. 1]=Gijsbert van der Heyden was ontvanger-generaal van Gelderland [Gens Nostra 1946, blz. 72]overste rentmeesterIn 1426 is Evert van Balveren overste rentmeester [Adel1925, blz. 7-8]raad van het vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen=in 1619 is Martynus Gregorij eerste raad [Navorscher 1852, blz. 259]=in 1753 is mr. Johan van Harn raadsheer [Groot Charterboek deel 1 blz. 34]=Gosen Geurt Bentinck [1710-1786] werd in 1769 benoemd tot raad en rekenmeester van Gelderland [NNBW 1911, blz. 298]rekenmeester=Wilt Gerrit Jan van Broeckhuisen was eerste raad en rekenmeester van Gelderlamd [Werner, blz. 46]=Gosen Geurt Bentinck [1710-1786] werd in 1769 benoemd tot raad en rekenmeester van Gelderland [NNBW 1911, blz. 298]rentmeester der domeinen=Jan van Grootvelt was rentmeester [Gens Nostra 1946, blz. 71]ridderschap=Rudolph van Ommeren [1620-1689] was lid van de ridderschap [Verwoert2, blz. 112]-Jacob van Brienen is lid van de ridderschap [Leeuw1883, blz. 34]=Floris II van Palland, graaf van Kuilenburg, was lid van de ridderschap [Verwoert2, blz. 126]-In 1814 wordt mr. Allard Philip Reinier Carel van der Borch benoemd in de ridderschap [Adel1925, blz. 25]. Voorts Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell, Dirk Louis van Brakell tot Brakell en Vredestein, Jacob Adriaan van Brakell tot Geldermalsen en Gijsbert van Brakell en Maarten Adriaan Jacob van Brakell [Adel1925, blz. 30]. Vervolgens Frederik Carel Wolter van Broeckhuysen [Adel1925, blz. 33; ANF1888, blz. 69] Otto Anne van Bylandt, Otto Willem Hendrik van Bylandt en Frederik Sigismund van Bylandt [Adel1925, blz. 36] Frederik Robert Godert Cornelis van der Capellen tot den Dam, Robert Lieve Jasper van der Capellen, Frederik Johan Benjamin van der Capellen tot Rijsselt, Frederik Benjamin Alexander Philip van der Capellen [Adel1925, blz. 39] mr. Jan Arend Godert van Dedem [Adel1925, blz. 49], Jan Hendrik van Delen en Johan Casper Ferdinand van Delen [Adel 1925, blz. 50], Reinier Engelbert van Dorth tot Medler [Adel1925, blz. 56]. Evert Jan Benjamin van Goltstein en zoon Hendrik Rudolf Willem van Goltstein [Adel1925, blz. 77], mr. Olivier Gerrit Willem Joseph Hacfort tot ter Horst [Adel1925, blz. 82], Anthony Frederik Robert Evert van Haersolte [Adel1925, blz. 83-84], Evert Christiaan Carel Willem van Heeckeren van Nettelhorst, Frederik Jan Willem Robbert van Heeckerlatenen tot Overlaer,Evert Frederik van Heeckeren tot Enghuysen, Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese, Adolf Jacob Hendrik Christiaan Carel van Heeckeren tot Oldoolde, Willem Robert Jan Walraven van Heeckeren tot Marhulsen, Evert Willem van Heeckeren van Molecaten, Willem Hendrik Alexander Karel van Heeckeren van Roderlo en Kell. Walraven Robert Evert van Heeckeren van Waliën en Ludolf van Heeckeren van de Wierse, Maurits Carel George Willem van Heeckeren van de Heest, mr. Evert Ludolf van Heeckeren van Walën, Robert August Adolf Carel Maurits van Heeckeren van Molecaten [Adel1925, blz. 89], Arnoldus Joannes Antonius Hövell tot Westerflier en Wezeveld [Adel1925, blz. 98], Godefridus Franciscus Antonius van Hugenpoth tot Aerdt [Adel1925, blz. 103], Frederik Carolus Theodorus van Isendoorn à Blois en Reinierus Albertus Ludovicus van Isendoorn à Blois [Adel1925, blz. 108], Derk Jan Carel Sebastiaan van Keppel tot Oldoolde en Adolf Jacob Rabo Willem Keppel tot Woonbeek [Adel1925, blz. 113], Jan Hendrik van Kinsbergen [Adel1925, blz. 114], Gerrit Willem Joseph van Lamsweerde [Adel1925, blz. 118], Samuel John graaf van Limburg Stirum [Adel1925, blz. 125], Willem Hendrik Karel van Lynden tot Oldenaller en de Snor, Frans Godert van Lynden tot Hemmen, Frans Godert Willem van Lynden en Dirk Rijnhard Johan van Lynden [Adel1925, blz. 129; Verwoert2, blz. 38], Christien Jacques Adrien baron van Nagell [Leeuw1883, blz. 87], Anne Willem Carel van Nagell en Jacques Alvert Louis Frederik Carel van Nagell, Jan Herman Sigismund Maurits van Nagell, Jacques Adriaan Christiaan van Nagell [Adel1925, blz. 143] Frederik Willem van Neukirchen genaamd Nijvenheim en Jan Gijsbert Ludolf Adriaan van Neukirchen genaamd Nijvenheim [Adel1925, blz. 145], Hermannus Carolus Casparus Bartholomaeus van Nispen van Pannerden en mr. Lodewijk Carel Jacob Christiaan Frans van Nispen tot Velde [Adel1925, blz. 146]. Frederik Willem Floris Theodorus van Pallandt tot Keppel en Jan van Pallandt tot Walfort [Adel1925, blz. 151], Otto von Quadt-Wickeradt [Adel1925, blz. 163], Godard Adriaan van Randwijck en Reindert van Randwijck [Adel1925, blz. 167], Jacob Hendrik van Rechteren tot Appeltern [Adel1925, blz. 171], Willem Frederik van Reede, Willem Gustaaf Frederik van Reede tot Middachten, Jan Pieter Christiaan van Reede van ter Aa tot den Parkelaer [Adel1925, blz. 172], Jan Pieter Hendrik Leonard van Renesse van Wilp tot Kamperbroek [Adel1925, blz. 174], Wilt Gerrit Jan van Rhemen tot Rhemenshuizen [Adel1925, blz. 177], Hendrik Adriaan Willem van Rouwenoort [Adel1925, blz. 182], Willem Anne Schimmelpenninck van de Oye en Gerrit Dithmar Schimmelpenninck van der Oye [Adel1925, blz. 189], Albert Carel Snouckaert van Schauburg [Adel1925, blz. 204], mr. Willem Anne van Spaen la Lecq, Gerrit Carel van Spaen, Johan Frederik Willem van Spaen en Frederik Adolf van Spaen [Adel1925, blz. 205], Theodorus Johannes Albertus Ferdinandus Josephus Speyart van Woerden [Adel1925, blz. 206], Jacob Dirk Lodewijk Sweerts de Landas [Adel1925, blz. 215], Josephus Johannes Matheus van Voorst tot Voorst en Schadewijck [Adel1925, blz. 232], Jasper Hendrik van Zuylen van Nievelt en Coenraad Jan van Zuylen van Nievelt [Adel1925, blz. 248]-In 1815 wordt Govert Johan Adolf van Hardenbroek benoemd in de ridderschap [Adel1925, blz. 86], Judocus Henricus Antonius Adrianus Josephus Joannes van der Heyden [Adel 1925, blz. 96], Johan Rabo van Keppel tot de Woolbeek [Adel1925, blz. 113], Johan Maurits van Pabst van Bingerden [Adel1925, blz. 150]-In 1816 worden Johan Albert van Dedem van Vosbergen en zijn zoon Frederik Gijsbert Arnold Willem van Dedem van Vosbergen [Adel1925, blz. 49-50], Hendrik Jacob Carel Jan van Heeckeren van Beurse [Adel1925, blz. 89]-In 1825 wordt Roelof Wolter Herman baron van Broeckhuisen [1774-1833] lid van de ridderschap [ANF1888, blz. 69; Werner, blz. 628]=In 1883 is Bernard Friederich baron van Verschuer [1803-1883] lid van de ridderschap [Leeuw1883, blz. 16]=in 1883 is Jacob van Brienen, ridder heer van de Lathmer en lid van de Gelderse ridderschap (Leeuw1883, blz. 34)=Lodewijk Evert baron van Heeckeren [1830-1883], heer van Enghuizen, Beverweerd en Odijk, is lid van de ridderschap van Gelderland [Leeuw1883, blz. 64]=mr. Antonie Frederik baron Sloet van Zwanenburg [1809-1884] is toegelaten in de ridderschap van Gelderland, oud-rijksontvanger te Twello en te Apeldoorn, oud-lid der provinciale staten van Gelderland [Leeuw1884, blz. 16], =Jhr. mr. Carel Jan Christiaan Hendrik van Nispen tot Sevenaer [1824-.....] werd toegelaten in de ridderschap van Gelderland [Leeuw1884, blz. 50]=mr. Rudolf Willem graaf van Lijnden [1809-1876] is toegelaten tot de ridderschap van Gelderland [Leeuw1885, blz.8] =Joan Jacob Alexander Adolf baron van Pallandt was lid der ridderschap van de Staten van Gelderland [Leeuw1885, blz. 15]=Samuel Francois Anne baron van Pallandt van Oud-Beyerland [1808-.....] was lid van de ridderschap van Gelderland. en van Provinciale Staten van die provincie [Leeuw1885, blz. 68]=Fréderic Carsile baron van Pallandt van Walfort, [1810-1869] was lid van de ridderschap van Gelderland [Leeuw1885, blz. 99]=Maurits Carel Georg Willem van Heeckeren, heer tot de Heest [1752-1827] was ontvanger-generaal van het graafschap Zutphen tot 1795, later lid van de ridderschap van Gelderland [Leeuw1886, blz. 77]stadhouder-van 1489-1492 is Adolph van Nassau stadhouder van Gelre en Zutphen voor Maximiliaan van Oostenrijk [Verwoert1, blz. 7; NNBW 1911, blz. 25]. Ook Adolf III graaf van Nassau-Wiesbaden-Idstein [1444-1511] -Hendrik van Nassau, Vianden, Dietz en Catzenellebogen [1485-1538] is stadhouder van Gelderland en heer van Breda [WP8.277; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 298]-in 1543 werd Philips graaf van Lalaing, heer van Hoogstraten, stadhouder; hij volgde René van Chalons op [Verwoert2, blz. 3]-in 1555 wordt Philips van Montmorency, graaf van Hoorn is stadhouder [Verwoert1, blz. 324]-Carel van Brimeu, graaf van Megen [Kobus, blz. 260] en vrijheer van Humbercourt en van 1559-1572 stadhouder van Gelderland [Navorscher 1851, blz. 290; Navorscher 1852, blz. 140; Verwoert2, blz. 63]=Jan van Nassau [1535-1606] werd in 1578 stadhouder [Verwoert2 blz. 92]-Gillis van Barlaymont is stadhouder [Kobus/Rivecourt1.97]-Joan van Hasselt (1668-1739) wordt in 1711 stadhouder van het vorstendom (WP8.152)voogd=Megengoor of Mengoos,, de in 1011 overleden vijfde voogd van Gelder [Verwoert2, blz. 64]domein=Adam van Aefferden was ontvanger der domeinen in het ambt Gelder [NNBW 1911, blz. 35]=In 1598 ontvangt Everhard van Rheydt 450 ponden voor het maken van het leenregister en zoon Joost van Rheydt krijgt in 1599 300 ponden voor het "in het reyn" schrijven van de indices van de leenboeken [Sloet, Register, blz. V]=De provinciale domeinen werden van tijd tot tijd gedeeltelijk in verkoop gebragt, o.a. door Holland, Gelderland, Overijssel en Drenthe [Sickenga, blz. 11]financiënacademieIn het jaar 1651 begonnen de Staten van het Kwartier van Nijmegen zwarigheid te maken m.b.t. betalen van hun aandeel in het onderhoud van de Academie. Van tijd tot tijd werden deze zwarigheden groter. Het gevolg hiervan was, dat de Staten van de provincie op 24 april 1675, het besluit namen, de professoren te laten uitsterven en de Academie op te heffen. Onder stadhouder Willem III opent de provinciale academie weer op 16 juni 1692. [Kok1, blz. 163]rekenkamer der domeinen en rekeningen=er zijn rekeningen van de hofhouding van de hertog van Gelre uit 1424-1426 [Navorscher 1851, blz. 194]=Gerard van Hasselt wordt in 1779 adjunct-secretaris en vanaf 1783 secretaris (WP8.152)=Jacob Dirk van Heeckeren (1665-1748) wordt in 1691 rekenmeester van G. (WP8.192)=Adam van Aefferden was rekenmeester in de Roermondse kamer [NNBW 1911, blz. 35]geestelijkheidTussen 1100-1200 waren in Gelderland de volgende abdijen: Abdinkhof, Bethlem of Bielhem, Elten en Marienweerd ]Kok1, blz. 143]graafschapHet verhaal van de oude graven zou zijn begonnen in het Overkwartier. Volgens een bron uit 1001 zou ene Megingos vele bezittingen in Gelre hebben gehad. Hij zou daar hebben geregeerd namens de keizer. =Gelre heeft zgn voogden: de eerste is Wichard van Pont, diens zoon Gerlach I [....-937] [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 230]. Wichard III wordt in 1061 opgevolgd door dochter Adelheide [..-1085]. Ze trouwt met Otto, graaf van Nassau [....-1107]. Deze was eerder getrouwd met Sophia van Zutfen en had met haar een zoon, Gerlak. Gerlak sneuvelt op 37-jarige leeftijd en laat het graafschap Zutphen na aan zijn vader [Winkler Prins, Geïllustreerde 1884, blz. 176]Aan het Overkwartier zijn later toegevoegd het graafschap Kessel, Wachtendonk en Montfoort. Losgemaakt daarvan werden Goch, Erckelem en Wassenberg. Het Rijk van Nijmegen is door de keizer aan de graven verpand. Het land van Maas en Waal behoort in 1203 ertoe [Spaen, Historie, deel 1, blz. 10-12]In de eerste helft van de 11e eeuw deed de Duitse koning schenkingen en verleende ambten en lenen aan de broers Gerardus en Rutgerus, geen Lotharingse groten, maar wel van aanzienlijke afkomst. Ze vestigen zich in de streken tussen Rijn en Maas. Gerardus, de stamvader van de graven van Gelre vestigde zich in Wassenberg [Alberts, Heerlijkheid, blz. 46-47]HUIS WASSENBERGGerard I Flamens [1021-1042]Ook Gerard de Vlaming, Gerard van Antoing of Gerard I v.an Wassenberg genoemd. Geboren in 987. In 1021 verkrijgt hij van keizer Hendrik II de burcht en het land Wassenberg, ten zuidoosten van Roermond, als allodiaal bezit. Hij wordt als de stamvader van de graven van Gelre gezien. Een oorkonde van Koenraad II uit 1033 vermeldt hem. Hij is dan gevlucht uit Vlaanderen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 47; Wikiwand]. Hij was gehuwd met een dochter van graaf Diederik van Hamaland. Zijn broer was Rutger I van Kleef [Wikiwand]. Gerard I komt nog voor in een oorkonde van 1053. Alberts trekt daaruit kennelijk de conclusie dat Gerard II en III dezelfde persoon als Gerard I zijn[Alberts, Heerlijkheid, blz. 47]. Gerard II Flamens [1042-1052]Geboren rond het jaar 1000Gerard III Flamens [1052-1058]Geboren rond het jaar 1025. Een oorkonde van 23 maart 1053 noemt een graaf Gerard in het graafschap Teisterbant, dat is de Betuwe in leen van de bisschop van Utrecht [Alberts, Heerlijkheid, blz. 47-49]Diederik Flamens [1058-1082]De zoon van Gerard III. genaamd Gerard IV, was in 1058 nog minderjarig. Oom Diederik, in 1076 graaf op de Veluwe, springt dan in. Ook Dirk van Heinsberg [Wikiwand]. In 1075 werd de villa Echt in leen ontvangen van de graaf van Namen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 49]HUIS GELRE [WASSENBERG]Gerard I [1082-1129]Ook Gerard IV van Wassenberg of Gerardus Flaminius. Bijnaam "de Lange" Geboren in het jaar 1060. In een oorkonde van keizer Hendrik IV uit 1085 wordt Gerardus van de burcht Wassenberg en zijn oom Goswinus van de burcht Heinsberge opgedragen om de abt Luipo van Sint Truiden die door de monniken van de abdij niet erkend wordt met geweld in zijn gezag te herstellen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 48]. In 1096 wordt hij in een oorkonde als "Gerardus comes de Gelre" vermeld. In 1101 wordt hij gerekend tot de "fideles curiae regis". Noemt zich in 1104 graaf van Gelre [Alberts, Heerlijkheid, blz. 47]. Hij heeft twee dochters. Dochter Yolanda trouwt rond 1107 met Boudewijn III van Henegouwen [1087-1120]; dochter Jutta in 1110 met Walram II van Limburg [1085-1139] [Alberts, Heerlijkheid, blz. 48; Genealogieonline]Gerard II [1129-1131/3]Ook Gerhard en Gerard V van Wassenberg. Hij trouwt in 1130 met Ermgard of Irmingard van Zutphen, erfdochter van het graafschap Zutphen en brengt daarmee Zutphen aan het Gelderse huis [Fruin, Geschiedenis, blz. 11]. Ze krijgen kinderen: Adelheid, getrouwd met graaf Egbert van Tecklenburg; Hendrik I; een dochter getrouwd met graaf Hendrik I van Oldenburg-Wildeshausen [...-1162]. Geeraart van Nassau is graaf van Gelder en Zutphen [WP8.276]. Zie over de richtingenstrijd over de namen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 53-54]Hendrik I [1131/3-1182]Hendrik I volgt in 1131 zijn vader Geeraart van Nassau op als graaf van Gelder en Zutphen [WP8.276]. Na het overlijden van zijn moeder in 1138 tevens graaf van Zutphen [Wikiwand]. In 1156 is hij aanwezig bij de bisschopskeuze in Utrecht. De Veluwe verkregen als leen van Brabant [Wink, blz. 491]Otto I [1182-1207]Otto I graaf van Gelre en Zutphen heeft een dochter Aleid of Adelheid [1187-1218] die in 1197 trouwt met Willem I, de broer van Dirk VII, graaf van Holland en Zeeland (Aa, Bio I, blz. 64, 70; NNBW 1911, blz. 70-71; Kobus/RivecourtI.13]. In 1204 worden allodiale goederen tussen Roermond en Maastricht ten oosten van de Maas door Otto opgedragen aan Hugo de Pierrepont, bisschop van Luik, en van deze in leen terugontvangen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 50], Hij nam deel aan de derde kruistocht en bezocht de hofdagen van de Duitse koning Frederik I Barbarossa. Hij kwam in 1196 tegenover Holland met een eigen kandidaat, Arnold van Isenburg, voor de vacante bisschopszetel in Utrecht. In dat jaar verkreeg hij ook de Veluwe als leen van Brabant en achterleen van het Sticht. Hij had daar reeds bezit van enkele hoven. In het begin van de 13e eeuw verkreeg hij de novale tienden op de Veluwe [Alberts, Heerlijkheid, blz. 55]De enige kruistocht met een duidelijke Gelderse deelname is de derde kruistocht; graaf Otto van Gelre vergezelde toen keizer Frederik Barbarossa op zijn in 1190 ondernomen tocht naar het Heilige Land. In zijn gevolg gingen Gelderse edelen mede, maar omtrent hun aantal en hun persoon ontbreken gegevens. De latere kruistochten hebben het -voorzover is na te gaan- zonder Gelderse deelname moeten stellen [Alberts, W. Jappe, Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978, blz. 214]Hij voegde het land van Maas en Waal toe [Wink, blz. 491]Gerard III [1207-1229]Gerhard III is graaf van Gelre (Wikipedia). Gehuwd met Margaretha van Brabant [Alberts, Heerlijkheid, blz. 57]. In 1213-1214 verovert hij een groot deel van Geldern. In 1227 is Gerhard III, graaf van Gelre (Aa, Bio I, blz. 265). In 1226 verwerft hij Sint Odiliënberg [Alberts, Heerlijkheid, blz. 57]. De graaf had ook bemoeienis met moeilijkheden in Drenthe ontstaan vanwege de belastingpolitiek die de bisschop Otto II van Lippe daar voerde. De bevolkig kwam onder leiding van de burggraaf van Koevorden in verzet. Het leger van de bisschop met Hollandse, Kleefse, Bentheimse contingenten en Gelderse ridders wordt in 1227 bij Ane verslagen. De bisschop sneuvelt; de graaf raakt gewond [Alberts, Heerlijkheid, blz. 58]Otto II de Lamme [1229-1271]Otto II , bijnaam "de Lamme" is de zoon van Gerard III (ca 1214-1271).In 1234 wordt Born deel van het graafschap, in 1243 delen van de heerlijkheid Kriekenbeek [Alberts, Heerlijkheid, blz. 57]. Hij doet in 1255 grote schenkingen aan het door hem gestichte klooster ‘s-Gravendaal [Alberts, Heerlijkheid, blz. 51]. Tijdens zijn regeerperiode vindt het verlenen van stadsrechten plaats: Nijmegen 1230, Harderwijk 1231, Arnhem 1233, Emmerik 1233, Lochem 1233, Doesburg 1237, Wageningen 1263. Het jaar van verlenen van het stadsrecht aan Roermond, 1232, is dubieus. Een origineel ontbreekt. Het recht tot het verlenen daarvan berustte bij de vorst. Toch zien we ook Otto II en zijn opvolger Reinald I stadsrechten verlenen. Ze achtten zich gemachtigd door de oorkonde van november 1231 waarin Otto II wordt bevestigd in de rechten die vader Gerard bezeten had [Alberts, Heerlijkheid, blz. 62-63]. De toegekende rechten waren niet voor alle steden gelijk. De “Minderstätte”, kleine steden, hadden vaak minder bevoegdheden en moesten meer invloed van de landsheer dulden, bijvoorbeeld in het Overkwartier de steden Erkelenz, Nieuwstadt en Echt. Enkele steden fungeerden als moederstad voor dochtersteden. Zutphen was moederstad voor Doetinchem, Lochem, Emmerik, Arnhem, Harderwijk en Wageningen. Roermond was dat voor Venlo, Montfort, Kriekenbeek, Erkelenz, Nieuwstadt, Echt, Wachtendonk, Gennep en Geldern. Nijmegen had een relatie met Aken [Alberts, Heerlijkheid, blz. 65-66]. Rooms-koning Willem van Holland kreeg steun van Otto II bij het veroveren van de stad Aken. Otto kreeg in 1247 voor 16.000 mark zilver de palts en de stad Nijmegen in pand. Een pand dat nooit is ingelost. Sindsdien is het Gelders gebied [Alberts, Heerlijkheid, blz. 67]. Voorts verwierf hij de villa Groenlo, Hengelo, Zelhem, de woeste gronden op de Veluwe , de grafelijke rechten m.b.t. de Liemers en in 1265 de burcht Renooi met goederen tussen Lek en Linge [Alberts, Heerlijkheid, blz. 68]. Otto is een man van aanzien die bijvoorbeeld in Brabant, Holland en Zeeland optreedt als voogd voor minderjarige landsheren, Hij speelt een belangrijke rol bij de verkiezing van de bisschoppen te Utrecht en Luik en verwerft in Nederrijn goodwill door zijn hulp .aan Keulen c.s. in de strijd in 1267 bij Zulpich tegen de Keulse aartsbisschop Engelbert II [Alberts, Heerlijkheid, blz. 69-70]Hij werd in 1263 medevoogd over Floris V [Wink, blz. 491]Reinoud I de Strijdbare [1271-1318] Ook Reinald. Hij was getrouwd met Irmgard van Limburg, met wie hij Limburg regeerde tot haar dood in 1283. Irmgarde is een dochter van Walram van Limburg. In 1282 krijgt hij van koning Rudolf van Habsburg het levenslang vruchtgebruik van het hertogdom Limburg, een klein gebied met de burcht Limburg aan de Vesder als kern. Hij verkocht dit recht aan de graven Walram en Hendrik van Luxemburg [Wink, blz. 491]. In 1283-1288 vinden diverse schermutselingen plaats In de zogenoemde Limburgse successie-oorlog verliest hij op 5 juni 1288 bij Woeringen van de hertog van Brabant [Wink, blz. 491] Jan I c.s. Reinald wordt gevangen genomen. Het losgeld werd in arbitrage vastgesteld door de Franse koning Philips IV de Schone. Het werd betaald door Reinalds schoonvader Gwyde van Vlaanderen, die als zekerheid voor de terugbetaling de graafschappen Gelre en Zutphen in pand wilde. De Engelse koning Eduard I, op zoek naar bondgenoten in zijn conflict met Frankrijk bood aan een deel van de pandsom te betalen. Het pand is nadien met hulp van de Gelderse steden gelost. De graaf van Gulik zag in de verzwakte positie van Reinald zijn kans schoon. Hij verwierf in het begin van de 14e eeuw gebied ten oosten van de Maas met de heerlijkheid Tegelen. Daarmee kwam een scheiding tot stand tussen de beide delen van het Gelders Overkwartier. Reinald I verkreeg de Veluwe direct in leen van de Utrechtse bisschop. Een regeling met de Duitse koning legaliseerde zijn leenrechtelijke positie als graaf van Gelre en Zutphen. In 1310 krijgt hij het -. officieel- het recht om stadsrechten te verlenen. De eerder verleende en in 1310 ingetrokken stadsrechten worden door hem alsnog verleend. In 1317 wordt hij als rijksvorst erkend. Rond 1316 ontstaan problemen met zijn zoon. Vader zou redelijkerwijs niet meer in staat zijn om te besturen. Een mening die gedeeld werd door een aantal edelen en enkele stedelijke besturen, o.a. Zutphen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 70-74]. Vader wordt tot zijn dood gevangen gehouden [Wink, blz. 491]Reinoud II de Zwarte [1318-1343]=Ook Reinald. Bij arbitrale uitspraak van 3 september 1318 wordt een bestuursregeling getroffen, die gold zolang de schulden niet waren betaald. Samen met edelen, ministerialen en stedelijke vertegenwoordigers zou Willem III van Holland ambtenaren benoemen, die uitsluitend Gelders mogen zijn. Voorts werd de financiële positie van de grafelijke familie en de schulddelging geregeld. De landsheer mocht geen rechten of onroerende goederen verkopen, belasten of wegschenken op een zodanige manier dat het Gelders gebied. verminderd zou worden. Opvallend is ook dat hier medezeggenschap van ingezetenen aan de orde is [Alberts, Heerlijkheid, blz. 75-76]=Van 1318-1326 regeerde hij onder voogdij; sinds 1339 als hertog van Gelre. Hij huwde met Sophia Berthout van Mechelen, die in 1331 overleed. Hij trouwt in 1331 met Alianora van Engeland, zuster van de Koning van Engeland. Er worden heerlijkheden aangekocht, zoals Kessel en Kriekenbeek in 1326, voorts Hoevelaken en delen van het Rijswoud. Hij vermeerderde het aantal burchten ["open huizen"]=Er worden land- en dijkrechten uitgevaardigd voor Over- en Neder-Betuwe [1327], het Overkwartier [1328], het Land van Maas en Waal [1321, 1328], het nieuw ontgonnen Nijbroek [1328] en de Bommeler- en Tielerwaard [1325, 1327 en 1335] [Alberts, Heerlijkheid, blz. 76]=Op 19 maart 1339 wordt het graafschap Gelre door keizer Lodewijk verheven tot hertogdom en de graaf tot rijksvorst [Alberts, Heerlijkheid, blz. 70, 79; ANF1888, blz. 67; Doorninck, Schatting, blz. ; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 224; Wink, blz. 491]. Zutphen bleef een graafschap. Hij breekt z'n nek door een val van zijn stoel en overlijdt. Hij heeft twee zoons, Reinoud III en Eduard [Kok13, blz. 104]=op 3 september 1339 verbinden hertog Reinoud en een aantal steden zich tot het betalen van een levenslang “Pension” aan Willem, de zoon van Willem van Kleef en Elisabeth, de dochter van Walter Leonii i.v.m een door hem verstrekte lening [DDB]. Na het overlijden van Reinald II ontstaan opvolgingskwesties [Alberts, Heerlijkheid, blz. 75]=In 1339 is de verwerving van Tiel, Zandwijk en Heerewaarden definitief, ten k oste van de relatie met Brabant, De verkrijging van de heerlijkheid Bredevoort leidde tot een conflict met de bisschop van Munster. Bisschop Jan van Diest moet het Oversticht aan de graaf van Gelre in pand geven. De bisschop had bij Reinald II grote sommen geld opgenomen. Reinald overleed op 12 oktober 1343. Er zijn drie dochters en twee zonen, Reinald uit 1333 en Eduard uit 1336 [Alberts, Heerlijkheid, blz. 79]De 14de eeuw bracht aan Gelre twee Karthuizerkloosters. Vooreerst een stichting van Reinald Il, die in 1342 de fondsen daartoe beschikbaar stelde. Dit klooster, Monnikhuizen, bij Arnhem, werd door de Gelderse landsheren zeer begunstigd; het was een centrum voor het religieuze leven in Gelderland en het ontleent bovendien betekenis aan het feit, dat enige beroemde mannen hier prior waren, namelijk Hendrik van Calcar (1)68-1373) en Hendrik van Coesfeld (1373-1378)[Alberts, W. Jappe, Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978, blz. 217]Reinoud III de Dikke [1343-1361] Hij leefde van 13 mei 1333 tot 4 december 1371. Hij volgt zijn vader als 10-jarige op. Zijn moeder Eleonora en oom Dirk IV van Valkenburg treden op als voogden. Enekele edelen en ministerialen staan hen bij, In de herfst van 1344 gaat hij zelfstandig handelen. Er ontstaat onrust onder de ridderschap en een conflict met broer Eduard. Hij trouwt op 1 juli 1347 met Maria, de derde dochter van Jan III van Brabant Ze krijgen het land van Turnhout als bruidsschat. In zijn raad zijn vertegenwoordigers van de steden Nijmegen, Zutphen en Arnhem opgenomen ; voorts Jan van Wietfliet, heer van Blaarsvelt, een natuurlijke zoon van Jan II van Brabant [Alberts, Heerlijkheid, blz. 79-82]. De invloed op het bestuur groeit daarmee. In 1347 wordt het pand Oversticht gelost door bisschop Jan van Arkel. Reinald neemt in de strijd tussen Holland en Utrecht deel aan de Hollandse kant. Het eindigt in 1349. In Roermond zijn in 1350 reeds Lombarden gevestigd. Tijdens zijn bewind ontstaan problemen tussen de Heekerens en de Bronkhorsten. Reinoud liet een opvallende voorkeur blijken voor de Heekerens. De verongelijkte Bronkhorsten hitsten Eduard op tegen z'n broer. Dit leidt uiteindelijk tot de Gelderse broedertwist van 1350-1361. In april 1350 beginnen vijandelijkheden; Eduard voegde zich bij de van Heeckerens [Wink, blz. 491]. In 1352 komt er een regeling. Eduard krijgt het land van Kessel en na het overlijden van de hertogin het vruchtgebruik van de Veluwe. In 1353 begint de strijd opnieuw. Eduard dwingt Reinald om 7 jaar lang de landvoogdij aan hem op te dragen. Eduard verwoestte in 1354 met de Nijmegenaren het kasteel te Lent en andere burchten. Reinald riep de hulp in van zijn zwager de graaf van Kleef, die daarvoor Emmerik en de Liemers in pand kreeg. Na het overlijden van Alianora in april 1355 eigende Reinald zich de Veluwe toe. In juli 1358 doen arbiters [Jan van Meurs, Arent van Arkel, leden van de landsheerlijke raad en de steden Roermond, Nijmegen, Zutphen en Arnhem] uitspraak: Eduard blijft tot Kerstmis 1360 landvoogd, Reinald behoudt de Veluwe, acht leden van de ridderschap staan de broers bij, de raad en de arbiters beheren de geldmiddelen [Alberts, Heerlijkheid, blz. 83]. Begin 1361 is de termijn van 7 jaar voorbij en aanvaardt Reinoud weer de regering. Eduard hield slechts de heerlijkheid Montfort over en was daarmee niet content. Hij verzekert zich van de steun van de steden Nijmegen en Tiel. Reinald belegert Tiel. Op 25 mei 1361 raken de legers van Eduard en Reinoud met elkaar slaags bij Tiel. Eduard komt als winnaar uit de strijd [Wikipedia; Kok13, blz. 104-105; Wink, blz. 491]. De geheimraad van Reinoud is Menso Alting [Winkler Prins, Geïllustreerde 1884, blz. 472]Eduard [1361-1371]Hij leefde van 12 maart 1336 tot 24 augustus 1371. Hij trouwt met Catharina van Beijeren. In mei 1361 neemt Eduard zijn broer gevangen tijdens een slag bij Tiel. Reinoud III wordt 10 jaar lang opgesloten in resp. de kastelen Rosendael en de Nijenbeek. Eduard had een goede relatie met bisschop Jan van Arkel en met de ruwaard van Holland en Zeeland Albrecht van Beieren. Eduard hielp de bisschop tegen Sweder van Voorst, van de partij van de Heekerens. Deze bedreigde niet alleen Oversticht maar ook het kwartier van Zutphen. In april 1364 komt de vrede met Kleef tot stand. De financiering van de oorlogen geschiedt vooral door leningen bij leden van de ridderschap. De eigen inkomsten van de ridderschap kunnen niet de grote sommen aan leningen verklaren. Aannemelijk is dat oorlogsbuit, losgeld voor gevangen tegenstanders en delen van de soldij hebben bijgedragen tot niet geringe vermogensvorming, voorts de inkomsten van de in pand genomen ambten, goederen en rechten. Ook voor hulp buitenslands is geld ontvangen. Vaststaat ook dat ze bij Lombarden leenden [Alberts, Heerlijkheid, blz. 84-85]. De echtgenote van Reinald, hertogin Maria, ontbeerde tijdens de gevangenschap van haar man inkomsten. Haar zus Johanna, hertogin van Brabant, zal waarschijnlijk een rol hebben gespeeld in het conflict dat met Brabant ontstond. Brabant veroverde in februari 1366 Zaltbommel dat daarna weer werd heroverd. De grensschermutselingen duurden voort tot dat in 1368 vrede werd gesloten [Alberts, Heerlijkheid, blz. 86]. Na het einde van de Engels-Franse oorlog zwierven in het gebied tussen Rijn en Maas rovende soldaten rond. Hertog Willem van Gulik beschermde hen en vertoonde met steun van Eduard een vijandige houding naar Brabant. Wenceslaus van Brabant viel daarop het Gulikse binnen. Gelre won, maar op 22 augustus 1371 wordt Eduard gewond in de slag bij Baesweiler. Enkele dagen later overlijdt hij [Wikipedia; Kok13, blz. 104-109]Reinoud III [1371]Korte tijd herleeft zijn bewind. In 1371 overlijden kort na elkaar de hertogen Eduard [augustus] en [december] Reinoud III [Nijhoff, Gedenk, blz. III]. Ze zijn zoons uit het tweede huwelijk van Reinald II. Ze overlijden zonder echte kinderen. Reinoud heeft een bastaardzoon Johan, genaamd Jan van Hattem. Het huis Wassenberg is dan in de mannelijke lijn uitgestorven.Gelderse Successie-oorlog [1371-1379]Drie overgebleven dochters van Reinald II uit zijn eerste huwelijk kunnen aanspraak maken op het hertogdom Gelre: Mechteld (een kinderloze weduwe van graaf Jan van Kleef), Elisabeth en Maria. Elisabeth is abdis in 's Gravendaal. Maria heeft uit haar huwelik met Willem, de tweede hertog van Gulik, een zoon, Willem, in 1371 zeven jaar oud [Nijhof, Gedenk, blz. IV]. De heren van Bronckhorst steunden de kandidatuur van Willem; de Heekerens met als voorman de heer van Voorst en Keppel schaarden zich achter Mechteld. Willem werd in 1377 veertien jaar, trouwde Catharina van Beieren, de weduwe van zijn oom Eduard. De strijd wordt beslist als de Duitse koning Karel IV in ruil voor de vrijlating van zijn broer Wenceslaus bereid is Willem van Gulik met Gelre en Zutphen te belenen. De jonge Willem wordt landsheer en hertog van Gelre, zijn vader, de hertog van Gulik, vervult de taak van voogd gedurende de minderjarigheid van de hertog. Nog in 1377 wordt hij in diverse steden gehuldigd. Achtentwintig mannen beloofden hulde en trouw, waaronder Willem, heer van Bronkhorst, en Dirk van Bronkhorst. Met de graaf van Kleef sloot hij in 1378 vrede en boekte succes tegen de Heekerens. In 1379 bezette hij het tolhuis in Tiel waarna Mechteld definitief afzag van haar aanspraken [Alberts, Heerlijkheid, blz. 88-89; Nijhoff, Gedenk, blz. VI].HUIS GULIKWillem I [1379-1402]Ook Willem III, hertog van Gulik [Wikiwand]. Er zijn weinig voorbeelden te vinden waarin Willem met zijn landsheerlijke raad gebruik maakt van adviezen van de ridderschap en de steden. Met de steden bestond een goede verstandhouding. In Roermond kregen de Lombarden privileges, in Nijmegen en Roermond werden de joden beschermd, diverse steden kregen tolprivileges en de veiligheid van het handelsverkeer werd bevorderd. Hij sloot in 1381 met Arnold van Horn, bisschop van Luik, een overeenkomst en kwam in dat jaar-in overleg met de steden- met een muntregeling. De munt was eerst in Arnhem. daarna kort in Nijmegen en tenslotte in Harderwijk. De steden hebben toezicht op de muntmeester. Op 27 oktober 1380 vergunde Willem I met zijn vader Willem VI van Gulik aan vier Lombarden waaronder de broers van Montefya om te verhuizen van Erkelenz naar Roermond om zich daar voor een periode van 20 jaar te vestigen. De broers betaalden de hertog voor deze vergunning 3000 gulden. Ook in Arnhem zijn dan Lombarden met een dergelijke vergunning. Op 1 augustus 1385 neemt de hertog Mannus de Jood in bescherming voor 15 gulden per jaar [Alberts, Heerlijkheid, blz. 90- 92]In 1386 komt Willem in conflict met Brabant. Het gaat om het bezit van de stad Grave en om de aan de rechteroever van de Maas gelegen plaatsen Millen, Gangelt en Waldfeucht. Johanna van Braant ziet in 1386 geen kans Grave terug te veroveren. Als zij vervolgens een bondje sluit met Frankrijk en Bourgondië zoekt Willem in oktober 1387 een verbond met Engeland. De Brabanders vallen het Overkwartier binnen en verwoesten in 1387 de stad Szaelen en slaan in 1388 het beleg voor Grave. Willem verslaat hen bij Niftrik en in juni wordt het beleg opgeheven. Het Gelderse leger dringt Brabant binnen en richt er verwoestingen aan. In de herfst van 1388 trekt een Frans-Bourgondische legermacht op tegen Willem en tegen zijn vader, de hertog van Gulik. Vader legde het hoofd in de schoot en bracht zijn zoon ertoe een overeenkomst te sluiten. Via arbitrage kwam in 1390 een vrede tot stand. Grave, Gangelt, Millen en Waldfeucht gingen voor Willem verloren. Willem bezoekt in 1390 het Engelse hof. Hij nam deel in een actie tegen Barbarijse roofstaten in Noord-Afrika. In het voorjaar van 1393 overlijdt de bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinkhoven. De door Willem voorgedragen kandidaat, Frederik van Blankenheim, wordt bisschop. Willems vader koverlijdt in 1393. Willem wordt tevens hertog van Guli [Alberts. Heerlijkheid, blz. 93-94]. In 1397 is er een gewapend conflict met Brabant na een vechtpartij van Geldersen in Den Bosch. Een vechtpartij met verschillende Gelderse doden. Er zijn verwoestingen op het platteland van Gulik , in het Overkwartier en in Brabant. In 1399 wordt vrede geslotenDe heerlijkheid Oyen wordt Gelders bezit. De tijdens Willem koopt in 1400 uit eigen middelen de heerlijkheden Born, Sittard en Susteren [Alberts. Heerlijkheid, blz. 95-96]de oorlog veroverde stad Grave wordt met het noorden van het Land van Kuik in december 1400 door Johanna van Kuik aan Willem afgestaan; het zuidelijk deel behield ze als leen van Gelre. In 1401 gaat hij een verbond aan met Frankrijk. Catharina overlijdt in 1400; Willem overlijdt in 1402 in Arnhem [Alberts, Heerlijkheid, blz. 96] Reinoud IV [1402-1423]Willem heeft geen kinderen met Catharina. Broer Reinald volgt Willem op. Reinald trouwt met Maria van Harcourt, bloedverwante van de hertog van Orléans. Reinald trad regelmatig op als arbiter en regelde zijn leenrechtelijke situatie tot de Duitse koning. In november 1402 draagt hij Emmerik over aan graaf Adolf van Kleef en Mark. In april 1407 schiet hij Willem van Arkel te hulp na de bezetting van Gorinchem door de graaf van Holland. De stad werd terugveroverd. In 1408 is er een bestand, verlengd tot 1412. Daarna barst de strijd weer los Nog in dat jaar wordt weer vrede gesloten. Reinald komt tijdens zijn regeerperiode met een muntregeling, een vernieuwing van de land- en dijkrechten en verleent stadsrechten o.a. aan Nijkerk in 1413 [Alberts, Heerlijkheid, blz. 99-100]. De aan Gijsbert van Bronkhorst toebehorende heerlijkheid Batenburg was op onregelmatige manier pandbezit van de hertog van Brabant geworden, In september 1413 werd het in pand overgedragen aan Reinald. De grens met Holland en Utrecht wordt versterkt bij Acquoy en Ravenswaay. In de periode 1405-1418 zijn er herhaaldelijk bijeenkomsten van afgevaardigden van de hoofdsteden Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem over de munt, privileges, financiële hulp aan de landsheer, handel, relatie tot de overige gebieden. Soms werd vergaderd met de landsheer en zijn raad. Een enkele keer waren ook leden van de ridderschap aanwezig. In februari 1410 was er zo’n vergadering met de landsheer. In 3 mei 1418 wordt een verbond gesloten tussen ridders, knapen en steden. Ze spreken af zonder voorafgaande uitnodiging van de landsheer bijeen te komen, gemeenschappelijk op te treden tegen de landsheer en zijn raad, de ondeelbaarheid van het land te bewaken en te werken met het meerderheidsbeginsel en een kwartierindeling. Vana g 1419 is er een zekere samenwerking tussen landsheer en ingezetenen In 1423 overlijdt Reinald IV in Terlet op een reis van Hattem naar Roozendaal. Hij is kinderloos [Alberts, Heerlijkheid, blz. 103-105] HUIS EGMONTArnold van Egmont [1423-1465]=Aarnout van Egmond, hertog van Gelre en graaf van Zutphen, komt dan aan het bewind, 14 jaar oud. Ook Arend van Gelre. Zijn voogd is vader Jan van Egmond (Aa, Bio I, blz. 17). Moeder is Maria van Arkel=Ook Arnoud, Arnald, Aarnout. 1410-23 februari 1473. Getrouwd in 1423 met Katharina van Kleef, de 10-jarige dochter van hertog Adolf van Kleef [NNBW 1911, blz. 174-176]=Aarnout belooft voortaan niets te zullen doen, buiten kennis der zestien Raden, door de vier kwartieren te benoemen; geen huwelijk aan te gaan, noch raadsvrienden aan te nemen, of steden, burgten, renten, tollen of eenige andere, zoo tegenwoordige als toekomende, goederen te verzetten, verkoopen of anderzins weerloos te maken, dan met toestemming der ridderschap en vier hoofdsteden; alsmede geen ambten te zullen vergeven dan aan inboorlingen of inwoners van Gelre, of die in het vorstendom of graafschap gegoed waren, en andere bepalingen die zijne macht beperkten. Hij bevestigt onder de zelfde beloften de stedelijke voorrechten van Arnhem, Zutphen en van de overige kleine steden van Gelderland (Aa, Bio I, blz. 18; Alberts, Heerlijkheid, blz. 105-107). Na 1423 wordt de personele unie tussen Gelre en Gulik verbroken. De heerlijkheden Born, Sittard en Susteren worden dan Guliks gebied onder de hertog van Berg [Alberts. Heerlijkheid, blz. 95]In oktober 1423 overlijdt bisschop Frederik van Blankenheim. Kandidaat is Rudolf van Diepholt. De paus benoemt Zweder van Culemborg. Er ontstaat oorlog [Alberts, Heerlijkheid, blz. 107]Adolf, graaf van den Bergh, weet door grote geschenken keizer Sigismund in 1425 te bewegen hem te belenen met het hertogdom Gelre. Op 26 mei 1425 worden de ingezetenen van Gelre en Zutphen onder bedreiging van de Rijksban gedwongen Adolf als heer te erkennen. Dit hielp niet, ook niet de door de hertog van Berg extra tol geheven van Gelderse goederenAangezien Aarnout van Egmond reeds twee jaren in het ongestoord bezit van het hertogdom is, verzet hij zich tegen de aanmatiging van Adolf, voert met Adolf hardnekkige oorlogen, die grote ellende veroorzaken, en hem diep in schulden steken, om welke te dekken hij zijn onderdanen ongehoorde belastingen oplegt. Dit had ten gevolge, dat vele ingezetenen zijner landen, in de uiterste armoede werden gedompeld (Aa, Bio I, blz. 70). Gelder en Zutphen blijven in handen van Arnoud; Gulik kiest de zijde van Adolph [Verwoert, Handwoordenboek 1, blz. 7; Kok1, blz. 313-315]Arnoud verwerft de heerlijkheid Ter Leede met Leerdam en Schoonderwoerd uit de erfenis van Jan van Arkel. In de zomer van 1426 wordt Gelre in de strijd om de bisschopszetel betrokken. Gelre steunt Zweder. Eind 1426 beschikt Rudolf over bijna het hele bisdom. In 1427 duren de plundertochten en verwoestingen voort. In 1428 staakt Holland de strijd, sluit vrede met Rudolf en laat Gelre alleen achter. In 1429 komen Arnold en Rudolf overeen elkaar te erkennen; afgesproken wordt een bestand voor vier jaar. Financieel was Arnoud gebroken. Hij moest eigen en domeingoed verkopen en verpanden. Hij gaat buitengewone beden vragen en heffen. Ridderschap en steden stellen voorwaarden voordat betaald wordt. Rond 1430 werden Arnoud, de ridderschap en steden voor het rijksgerecht gedaagd omdat ze weigerden Adolf van Berg als landsheer te erkennen. Er werd nog geprobeerd om Sigismund met een geldbedrag te verleiden tot het belenen van hertog Arnold. In juli 1431 werd de Rijksban uitgesproken. In de binnenlandse kwesties staan Arnold en ridderschap en steden tegenover elkaar [Alberts, Heerlijkheid, blz. 108-109]Ridderschap en steden wilden dat zonder overleg gedane verpandingen ongedaan werden gemaakt en dat aan andere voorwaarden zou worden voldaan. In 1432 komt er een compromis. Een bede wordt toegestaan, maar niet betaald. Wachtendonk en Erkelenz worden versterkt. Arnod verwerft Wachtendonk in een overeenkomst met Willem van Wachtendonk. Na het aflopen van het bestand met Berg in 1433 begint Arnoud met een aanval op Guliks gebied. Adolf van Berg wordt gesteund door de stad Keulen. Het komt alleen tot wederzijdse strooptochten die de landlieden veel schade berokkende. Arnold verovert in 1435 de stad en heerlijkheid Buren, nadat de heer van Buren de zijde van Adolf had gekozen. De goede verhouding met Arnouds schoonvader, de hertog van Kleef, bekoelde. Arnoud, financieel niet geholpen door ridderschap en steden, gaat door met verpanden en met eigenmachtige invorderingen. De rijksban leidde tot moeilijkheden in het verkeer op de Rijn [Alberts, Heerlijkheid, blz. 109-110]In december 1435 besluiten de hoofdsteden, in overleg met de ridderschap en de kleine steden een aantal eisen aan Arnoud te stellen: handhaven van het leenrecht, stadrecht, landrecht en dijkrecht, een juiste rechtspraak, nakomen beloften over verpandingen en vervreemdingen van domeingoed. Arnoud ging op de meeste eisen niet in. De interne spanningen duren voort. In 1436 komt er een nieuw verbond voortbouwend op die 1418 en 1423. [Wink, blz. 491] De verbondenen komen overeen de landsheer niet ten dienste te zijn zolang aan de bezwaren niet is tegemoet gekomen. In 1436-1441 zijn er bijeenkomsten met de hertog. In 1441 komt er een regeling met de landsheer tot stand; hij stemde deels in met het verbond. er wordt een bede toegestaan. Door tegenwerking werd daarvan slechts een gering deel betaald. Met Roermond ontstaan in 1442-1443 geschillen en met de Veluwse steden over beslag op goederen van hun burgers [Alberts, Heerlijkheid, blz. 110-112]Men is ontevreden over zijn optreden in de Dordtse handelsoorlog [1442-1445]. De Gelderse steden hadden bezwaar tegen een nieuwe heffing op wijn door Dordrecht. Er brak een oorlog uit. Er bestond breed ongenoegen. In 1444 breekt de oorlog met Berg en Gulik weer uit. Arnold trekt vanuit Erkelenz Gulik binnen. Hij wordt bij Linnich verslagen. De oorlog wordt voortgezet. Ook Zutphense burgers gaan in 1445 op oorlogspad naar Gulik. In november komt door bemiddeling van Johan van Kleef een 10-jarig bestand tot stand, door de hoofdsteden van Gelre en Zutphen en de kleine steden van het Overkwartier: Geldern, Venlo, Goch, Erkelenz en Nieuwstad meebezegeld. De schatkist is leeg. Arnold verpandt Duffel aan de hertog van Kleef.De inwoners van Driel hadden een conflict met de hertog omdat zij een waterkerende dijk van buren hadden doorgraven. De rechter gaf de buren gelijk, maar de Drielenaren trokken zich van de uitspraak niets aan. De hertog bestrafte hen. Daarop steunde in 1447 Nijmegen de Drielenaren gewapenderhand. Deze ruzie mondde uit in een gezamenlijke actie van ridderschap en steden tegen een geld behoevende landsheer. De bisschop van Utrecht, Walraven van Meurs was raad van hertog Arnold. Hij ziet af van zijn aanspraken op het bisdom en schenkt aandacht aan de Gelderse problemen. In de “Nye Ordonnancie” van 1448 wordt de invloed v an ridderschap en steden op het bestuur uitgebreid. Er komt een dagelijkse en een grote raad; bepaalde zaken zijn voorbehouden aan ridderschap en steden. De hertog verzette zich hiertegen, maar moest in juli 1449 toegeven. Hij zou een aantal bepalingen naleven. Ridderschap en steden bleven ontevredenArnold deelt in een brief van 7 augustus 1450 aan de hertog van Kleef zijn zorgen over deze ontwikkeling. Van begin 1451 tot februari 1452 was Arnold in het heilige land. De hertogin bestuurde met bisschop Rudolf van Diepholt en hertog Johan van Kleef als adviseurs. [Alberts, Heerlijkheid, blz. 112-116]De steden, vooral Nijmegen, onderhielden contacten met hertog Philips van Bourgondië en waren niet geheel afkerig van een ruwaardschap van Adolf van Gelre. In maart 1455 belegert Arnold het stadje Vreden. De steden Nijmegen, Venlo en Arnhem steunen hem daarin. Philips aceepteert niet dat Gijsbrecht van Brederode tot bisschop van Utrecht is gekozen. In de zomer van 1456 valt hij het Nedersticht binnen, daarna het Oversticht, belegert Deventer en dwingt af dat David van Bourgondië als bisschop wordt erkend. Arnold komt vrijwel alleen te staan. Zijn vrouw Catharina van Kleef en zoon Adolf, geboren in 1438,heulden met Bourgondië; zijn zwager, de hertog van Kleef, was een bondgenoot van Philips, de steden waren hem niet gunstig gezind In 1456 is Adolf op bedevaart naar Jeruzalem. Als hij terugkeert richt hij zich tegen zijn vader. Adolf verkrijgt van zijn moeder Catharina van Kleef de inkomsten van de tol te Lobith. Arnold doet aanspraak op de aan Vincentius van Meurs verpande Born, Sittard en Susteren binnen Gulik [Alberts, Heerlijkheid, blz. 117-120]In 1458 is er een reeks vergaderingen van ridderschap en steden over de geschillen met de landsheer. In februari 1459 is er een ontwerp voor een bestuursregeling, gemaakt door de vroegere bisschop van Luik, Jan van Heinsberg. Tot een definitieve regeling kwam het nietAdolf vestigt zich in 1459 in Venlo en bracht de burgers van Roermond en Goch schade toe; steden die zeer op de hand van zijn vader waren. Een verzoeningspoging tussen vader en zoon gehouden op 24 augustus 1459 op de weg van Straelen naar Venlo mislukte. Arnold trad vervolgens op gesteund door Stralen en Roermond. In oktober 1459 wordt in Batenburg een regeling getroffen. Zoon Adolf zal Nijmegen en het Rijk van Nijmegen en in de Duffel het bestuur voeren. Er wordt Arnold een bede toegezegd op voorwaarde dat de door ridderschap en steden gewenste reorganisatie van het bestuur zal worden doorgevoerd. Toezicht op de aanwending van de bedegelden zal geschieden door vertegenwoordigers van ridderschap en steden. In 1461 staat Venlo weer op tegen de landsheer. De overeenkomst van Batenburg werd door beide partijen niet nagekomen. In 1463 verenigen Nijmegen, Arnhem en Zutphen zich in de oppositie op een gemeenschappelijke gedragslijn. Roermond, de kleine steden en de ridderschap doen niet mee [Alberts, Heerlijkheid, blz. 120-121]Adolf van Egmont [1465-1471]Adolf [1438-1477] is de enige zoon van Arnold van Egmont [NNBW 1911,, blz. 23]. Arnold wordt gevangen gezet op 9 januari 1465 in het versterkte tolhuis in Lobith, op het slot te Grave en daarna naar het slot in Buren overgebracht. Adolf laat zich daarna door enkele steden huldigen [Kok1, blz. 306]In 1466 bezet Willem van Egmond Arnhem en bedreigde de Veluwe met Kleefse hulp. Arnhem wordt later ook actief tegen Adolf. Adolf verkrijgt op Roermond en het Overkwartier. Op 31 december 1467 werd Doesburg bezet. In juni 1468 verslaat Adolf hertog Johan van Kleef bij Straelen. In 1469 wordt vrede overeengekomen. Arnhem en Wachtendonk komen weer in handen van Adolf [Kok1, blz. 307]Adolf gaat in oktober 1470 naar het Bourgondische hof om het geschil met zijn vader te verduidelijken. Karel van Bourgondië dringt aan op vrijlating. Arnold zit dan 6 jaar vast. Gedreven door kritiek op zijn handelen laat hij zijn vader in februari 1471 vrij (Aa, Bio I, blz. 20, 72-75; Alberts, Heerlijkheid, blz. 124-125; Kok1, blz. 307-311). Adolf wordt gevangen genomen door Karel de Stoute [Kobus/Rivecourt1.14] Arnold van Egmont [1471-1473]Arnold trok in het voorjaar van 1471 Grave binnen en bezette het. De steden weigerden hem als landsheer te erkennen. Arnhem bezette de aan Egmond behorende burcht Vrienenstein en belegerde de burcht Baar. Op 27 juli 1471 komt een verbond tot stand tussen Nijmegen, Zutphen en Arnhem en de ridderschap van de kwartieren. Ze beloven elkaar hulp bij rechtsschendingen door de landsheer. Tijdelijk plaatsvervanger van de gevangen genomen Adolf werd Willem van Sombreff. Arnold, slechts in bezit van Grave, bood Karel de Stoute het beschermheerschap en de voogdij over Gelre en Zutphen aan. De ingezetenen van Gelre namen tegenmaatregelen. Sombreff werd vervangen door Vincentius van Meurs. Hij moest als “Hoifttman van den lande van Gelre” het land het land beschermen en bewaren voor Adolf. Hertog Arnold verpandde op 7 december 1472 Gelre en Zutphen aan Karel van Bourgondië [Alberts, Heerlijkheid, blz. 125-127].Op 30 december 1472 doet Arnold voor 300.000 gouden Rijnse guldens afstand van Gelre en Zutphen aan Karel van Bourgondië. Adolf wordt in 1473 in Valenciennes door de vergadering van Ridders van Gulden Vlies tot levenslang veroordeeld. Kort daarna overlijdt Arnold op 28 februari 1473 in Grave (Aa, Bio I, blz. 20; NNBW 1911, blz. 176). HUIS VALOISKarel de Stoute [1473-1477]In de zomer van 1473 die de aanspraken van de hertog van Gulik op Gelre en Zutphen had afgekocht trok Karel, hertog van Bourgondië met steun van de hertog van Kleef het Gelders gebied binnen. Roermond. Geldern, Goch en Wachtendonk werden bezet, Venlo tot overgave gedwongen, het graafschap, Nijmegen viel na drie weken. De beide kinderen van Adolf, Karel en Philippa vielen in handen van Karel. Er werd een oorlogsschatting opgelegd, te betalen in termijnen. Het Nijmeegs kwartier moest 80.000 Rijnse guldens betalen; Zutphen 40.000; Arnhem en Veluwe 90.000. Te betalen in vier jaar. De steden moesten hun privileges inleveren. Er kwamen garnizoenen waarvan de ingezetenen de kosten moesten betalen. Voorts moest materiaal en mankracht worden geleverd voor de oorlogsinspanningen van Karel, bijvoorbeeld voor het beleg van Neuss in 1474. Gelre raakte gebied kwijt: de hertog van Kleef kreeg Goch en Wachtendonk, de Duffel en een stuk van de Liemers. Er kwam een nieuw ambtelijk apparaat. Er kwamen kamers van justitie in Arnhem, Nijmegen, Roermond, Venlo en Zutphen, ressorterend onder het Hof van Justitie in Mechelen. Willem van Egmond werd stadhouder-generaal in Gelre en Zutphen. Financiën en rechtspraak stonden onder controle van de Bourgondische instellingen. Dit alles stuit op verzet van de ingezetenen. Op eigen gezag bijeenkomen van vertegenwoordigers van de ingezetenen was voortaan uitgesloten. De tegenwerking bij het betalen van de schatting en de requisities was groot. Arnhem en Venlo waren financieel nauwelijks in staat om iets bij te dragen. Arnhem moest eens tegen 24% rente geld lenen. In augustus 1474 waren schansgravers, schippers, timmerlieden en schepen nodig bij Neuss; in maart 1475 werd van de Veluwe geëist dat men 100 paarden leverde. Veluwe kocht dit af voor 1000 Rijnse guldens. Schutters van de steden werden opgeroepen. In het najaar van 1476 was er hevig verzet tegen de schatting in het Zutphense kwartier en in het Land van Kessel [Alberts, Heerlijkheid, blz. 127-129]Twee keer woonden vertegenwoordigers van Gelre de vergaderingen van de Staten-Generaal bij, op 26 april-1 mei 1476 en op 24 mei 1476. Gelre weigerde toe te stemmen in nieuwe schattingen.De vorige schatting was eind 1476 nog niet geheel betaald en het is ook niet meer gebeurd. Op 5 januari 1477 sneuvelt Karel de Stoute bij Nancy [Alberts, Heerlijkheid, blz. 130]HUIS EGMONTAdolf van Egmont [1477]Direct na het overlijden van Karel verdwenen de organen van rechtspraak en bestuur en de administratie van de domeinen. In 1477 verkiezen de Geldersen Adolf tot hertog. De Vlamingen ontslaan hem dan uit de gevangenis. De Bourgondische ambtenaren verlieten het land. De steden confereerden weer met elkaar. In de periode 1477-1481 was het landsbestuur vooral in handen van ridderschap en steden. Op 16 april 1477 kwamen de steden en ridderschap bijeen om Adolf als landsheer te erkennen en zijn zus Catharina te verzoeken waar te nemen gedurende de afwezigheid van de in Gent gevangen Adolf. Adolf kwam spoedig vrij maar bleef in Vlaanderen om Maria van Bourgondië te steunen tegen de Franse koning Lodewijk XI. Gelre wilde zich meer en meer tegen Bourgondië verzetten, steun zoekend bij Lodewijk XI. In juni 1477 sneuvelt Adolf in de strijd tegen de Fransen bij Kortrijk (Aa, Bio I, blz. 75-76; Alberts, Heerlijkheid, blz. 130-131)Catharina van Gelre [1477-1492] Zuster van Adolf, dochter van Arnold. Werd door de Gelderse Staten aangesteld als regentes zolang er geen hertog was. Adolfs zoon Karel werd aan het Bourgondische hof opgevoed. Maximiliaan wilde hem en zijn zus niet naar huis sturen. In maart 1478 bezette Willem van Egmond Arnhem. Hij eiste het bestuur over Gelre op en de voogdij over Adolfs kinderen. Willem deed vergeefs aanvallen op Wageningen, Grave en Nijmegen. Twee zonen van Willem worden opgepakt. Roermond en het Overkwartier sloten een verdrag met Maximiliaan. In september 1478 had“de bestuurlijk w=zwakke Frederik van Brunswijk zich opgeworpen als "voorstander van het land van Gelre”. Hij verdween al weer in 1479. Bisschop Hendrik van Munster had in 1474 het graafschap Zutphen als pand verworven. Ridderschap en steden van het Zutphens kwartier erkenden dit. Catharina sloot in augustus 1479 een verdrag met de bisschop waarbij deze beschermer van Gelre en voogd over de kinderen werd. In 1480 ging de Veluwe verloren; Bourgondische troepen bezetten Wageningen, Harderwijk, Elburg en Hattem. Maximiliaan veroverde ook Tiel en Zaltbommel. Nijmegen hield stand tot mei 1481, Zutphen tot ju;i 1481 en Venlo tot september 1481 [Alberts, Heerlijkheid, blz. 133-134]Maximiliaan betwist de rechten van Catharina. Hij benoemt in 1481 Adolf van Nassau[...-1504], graaf van Wiesbaden en Idstein, tot stadhouder-generaal in Gelderland [Kobus/Rivecourt1.14]Hendrik van Gemen is zijn plaatsvervanger en tevens landdrost van Zutphen. Maximiliaan kon nog niet zijn macht laten gelden in Gelre. Hij was nog in oorlog met de Lodewijk XI en had zorgen over Utrecht. Bovendien handhaafde de hertog van Kleef zijn macht in Arnhem en op de Veluwe. Arnhemse burgers bezetten in september 1482 het slot Rosendaal, één van zijn laatste steunpunten op de Veluwe. In september 1483 geeft Utrecht zich over aan Maximiliaan. Hij komt met de Kleefse hertog overeen dat de Kleefse troepen Arnhem en de Veluwe ontruimen. Van de oorlogsschatting uit 1481 kwam weinig terecht. Zutphen voldeed de eerste termijn eerst in december 1484. Daarna zijn geen betalingen meer bekend. Een in 1485 opgelegde schatting werd geen succes [Alberts, Heerlijkheid, blz. 134-135]. In juli 1487 wordt het leger van Maximiliaan bij Béthune door de Fransen verslagen. Karel van Egmond, Adolfs zoon, werd daar gevangen genomen. In februari 1488 komt Vlaanderen tegen Maximiliaan in opstand. Philips de Schone roept de Staten-Genraal in Mechelen bijeen, maar de Gelderse steden weigerden te komen. Men was wel bereid om de gevraagde krijgsdienst af te kopen; bedragen die langzaam beschikbaar kwamen. In 1488 beginnen ridderschap en steden van Gelre en Zutphen zich te roeren tegen de stadhouder over de onveiligheid in het Overkwartier, de munt. In oktober 1488 vraagt de door Frankrijk gevangen gehouden Karel van Egmond aan Oswald van Bergh hulp voor zijn vrijlating. De Franse koning wilde hem voor losgeld vrijlaten. Veel correspondentie en vergaderingen van de steden leidden tot niets. In 1490 treedt Adolf van Nassau op tegen Bernt van Wisch die rooftochten in het Zutphense kwartier hield. Ook tegen het niet loyaal bevonden Wageningen wordt opgetreden. Floris van Egmond bezet de stadVincentius van Meurs voert in 1490 onderhandelingen over de vrijlating van Karel; de losprijs werd verminderd naar 80.000 gouden guldens. In januari 1491 vergaderden de steden. Het losgeld wordt gedeeltelijk betaald. Voor het restant stelde Vincentius zijn kleinzoon als gijzelaar [Alberts, Heerlijkheid, blz 136-139Karel van Gelre [1492-1538]Zoon van Adolf van Egmont. Hij wordt in 1492 gehuldigd (Aa, Bio I, blz. 76-77). Karel ontslaat bij terugkeer uit Franse gevangenschap stadhouder Adolf van Nassau [Kobus/Rivecourt1.14]. In 1528 kwam het hertogdom Gelre onder het Oostenrijkse huis en Zutphen in 1543 [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 224; Wink, blz. 491]=In het Provinciaal Archief van Gelderland plachten te berusten veertien boeken, bevattende de handelingen van Karel van Egmond, Hertog van Gelder, over de jaren 1492 tot 1537. Het Primus en het Duodecimus Liber werden gemist. Het eerste is teruggevonden; het tweede, over de periode 1525-1529 mist [Navorscher1853, blz. 69]HUIS VAN DER MARKWillem van der Mark [1538-1543]In 1538 wordt een verdrag gesloten tussen hertog Karel van Gelre en hertog Jan van Kleef [Verwoet, Handwoordenboek I, blz. 25]. Vanaf 1539 ook hertog van Gulik, Kleef en Berg [Wikiwand]. Op 7 september 1543 gaf Willem zijn aanspraken op Gelderland en Zutphen op ten behoeve van Karel de Vijfde [Fruin, Geschiedenis, blz. 8]hertogdom Keizer Lodewijk V verheft Gelre in 1339 op de Rijksdag te Frankfort tot een hertogdom [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 302]. Guillaume Bette [....-1658] wordt op 5 januari 1640 benoemd tot stadhouder van het hertogdom Gelder [NNBW/ 1911, blz. 326]leenkamerUit het leenstelsel vloeien allerlei verplichtingen voort. De vervulling daarvan moet in akten worden opgenomen die moeten worden ingeschreven. In de tweede helft van de 16e eeuw zijn er vanaf de aanvang in 1377 al meerdere delen. Voor de leengriffier is het moeilijk om de personen te achterhalen die verzuimen aan hun verplichting te voldoen om akten ter leenkamer te doen opmaken en het daarvoor verschuldigde te betalen. Deze omstandigheid doet Everhard van Reidt, die van 1578 tot 1595 leengriffier was, besluiten tot het vervaardigen van een naar geografische orde ingerichte index, waarin aan ieder leen een hoofd gegeven werd, teneinde met een oogopslag te kunnen zien, hoe het ermee gesteld was. Hij leest daartoe de aktenboeken door en tekent voor ieder leen op een afzonderlijk blad de korten inhoud op van de akten, die hij aantrof, met een verwijzing naar de vindplaats. Zijn zoon Joost, van 1595 tot 1626 leengriffier, vermeldt deze aantekeningen in vijf delen, die de lenen in de vier Gelderse kwartieren en die buiten het toenmalige gewest Gelderland bevatten [Sloet, Register, blz. V].oorlogDe Staten van Gelderland klagen, in 1589, ‘dat onze eigene krijgslieden zich aanstelden alsof het land hun tot een roof gegeven was, en zij de soldij trokken om het land te verwoesten, de onderdanen te kwellen, en alles in de uiterste ruïne te brengen, erger dan de vijand zelf [Fruin, Tien, blz. 90-91]rechtspraakHof van Gelderland en Zutphen=In 1543 wordt het Hof van Gelderland in Arnhem gevestigd [Aa, Aard1, blz. 337] in 1544 [Witkamp1, blz. 59]=in 1545 werd Adrianus Nicolai tot lid van het Hof benoemd [Verwoert2, blz. 97]-Willem van Haersolte (......) is buitengewoon raadsheer in het Hof van Gelderland (WP8.22)-In .....wordt Alexander Bentink [1548-1581]raadsheer in het Hof =Frederik van Boeymer is raad [NNBW 1911, blz. 124]=Amelis Amstel van Mijnden [1531-1593] werd in oktober 1563 extra-ordinaris raad en was van 28 maart 1564- september 1578 ordinaris raad [NNBW 1911, blz. 124]=Jacob van Heeckeren (1532-1579) wordt in 1579 raadsheer in het Hof (WP8.191)=Alexander Bentinck [1548-1582] werd op 26 oktober 1579 raadsheer in het Hof [NNBW 1911, blz. 296]=Frederik van den Sande [1577-1617] was raadsheer en fiscaal in het Hof [Aa, Aard1, blz. 336]=Karel Bentinck [1580-1646] werd in 1618 raad in het Hof van Gelderland [NNBW 1911, blz. 300-301]=Gerhard Casyn van der Hell [1598-1681] voorzitter in het Hof [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 294]=Johan van den Sande [....-1638] was raadsheer in het Hof [Aa, Aard1, blz. 336]=Hendrik van Essen is raad in het Hof van Gelderland [Kok14 blz. 401; Verwoert, Handwoordenboek I. blz. 193]=George Ripperda [1630-1702] was sinds 1687 heer van Verwolde en voorzitter van het Hof van Gelre en Zutphen [Zwetheul, blz. 75]-Evert van Heeckeren wordt in 1653 benoemd tot buitengewoon raadsheer in het Hof (WP8.191)-Casyn van der Hell [1644-1732] raad in het Hof [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 294]-Joan van Hasselt (1668-1739) wordt in 1711 raad en daarna voorzitter van het Hof (WP8.152)-Joan Coenraad Copes van Hasselt (1709-....) wordt raadsheer in het Hof (WP8.152)=Frederik Robert Evert van der Capellen [1710-1755] was in 1742 raad in het Hof van Gelderland. [Aa/vH/S, Bio3, blz. 146-147; Adel 1925, blz. 39]-in 1749 is mr. W.R. Brantsen raadsheer [Hildebrand, Reglement, blz. 46]-F.R.E. van der Capelle toten Boedelhoff en Rijsselt is ordinaris raad (Hildebrand,Reglement, blz. 1-Jacob Derk Carel van Heeckeren (1730-1795) is buitengewoon raadsheer in het Hof (WP8.192)-August Robbert van Heeckeren (1763-1811) wordt buitengewoon raadsheer (WP8.192)-Coenraad Jacob Gerbrand Copes van Hasselt (1777-1860) wordt raadheer in 1806 (WP8.153)-in 1795 wordt Johan Pieter Kleijn benoemd tot raadsheer [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 372]-J. Dijckmeester is in 1839 advocaat-generaal in het hof [Aa, Aard1, blz. XXI]-Leopold Udo de Haes is raadsheer in het Provinciaal Gerechtshof [ECG Achterhoek en Liemers]=mr Johan Weerts wordt in 1802 raadsheer bij het Hof van Gelderland [Meurs, Gemeentebestuur, blz. 96]=in 1804 is mr. J.P. Kleijn raadsheer. Hij overlijdt op 20 februari 1805, slechts 40 jaar oud. In 1784 is hij getrouwd met Antoinette Okkerse. Hij is naast zijn raadsheerschap een dichter met een omvangrijk oeuvre. In 1797 schrijft hij “Vrijmoedige gedachten over den pligt eens regters” [Algemeene konst- en letterbode, voor het jaar 1804, no 3, 20-01-1804, blz. 37; 1806, no 10, 07-03-1806, blz. 147-149] gerechtshofadvocaat-generaal=Johannes Dijckmeester [....-1850] was in 1839 advocaat-generaal bij het Provinciaal Gerechtshof te Arnhem [Aa, Aard1, blz. XXI; Aa, Bio, deel 4, blz. 457]=mr. Jan Matthijs Smit [1826-1884] was substituut-griffier bij de rechtbank te Arnhem in 1853, substituut-griffier bij het gerechtshof van Gelderland in 1855, substituut-officier bij de rechtbank te Arnhem in 1856, advocaat-generaal bij het hof van Gelderland, en laatstelijk. bij de Hoge Raad der Nederlanden in 1868 [Leeuw1884, blz. 100]raadsheer=Jhr. mr. Carel Jan Christiaan Hendrik van Nispen tot Sevenaer [1824-......] was raadsheer in het gerechtshof te Arnhem [Leeuw1884, blz. 50]=Jan Glimmer of Glummer is raadsheer [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 236]=op 28 juli 1882 werd Pieter van Bemmelen raadsheer in het hof [NNBW 1911, blz. 283]statenprovinciale statenalgemeen=er waren 62 leden waaronder 6 gedeputeerden; zes leden voor de Eerste Kamer en 12 voor de Tweede Kamer [Wink, blz. 491]personen-Evert Christiaan Carel Willem van Heeckeren [1744-1816] is lid van PS [WP8.193]-Evert Frederik van Heeckeren [1755-1831] is lid van PS en GS [WP8.193]-Roelof Wolter Herman baron van Broeckhuisen [1774-1833] is lid van PS [ANF1888, blz. 69; Werner, blz. 62]-Pieter Reinhardt Johan Wildt van Heeckeren [1785-1835], heer van Marhulsen, is lid van PS [WP8.193]=Samuel Francois Anne baron van Pallandt van Oud-Beyerland [1808-.....] was lid van de ridderschap van Gelderland. en van Provinciale Staten van die provincie [Leeuw1885, blz. 68]=In 1820 is A.A. Gaijmans uit Arnhem lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XIII]=In 1820 is C.A. Baron Mackaij lid van Provinciale Staten van Gelderland [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XX]=In 1820 is P. Baron Straalman, Heer van Duijten, De Haar en Zevenhuizen, Lid der Provinciale Staten van Gelderland, Burgemeester en Raad der Stad Nijmegen [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz.XXVI]-Mr. Godert Willem baron van Dedem [1840] is van 1889-1895 lid van PS-J.H.A.A.J. baron van der Heyden is in 1839 lid van PS [Aa, Aard1, blz. 2]=Dirk Rijnhard Johan, baron van Lynden [1779-1837] was lid van PS van Gelderland [Verwoert2, blz. 38]-Johan Daniel Cornelis Carel Wilhelm de Mol [1800-1875] is lid van PS [ANF1888, blz. 70]-mr. Jan Frederik Hendrik baron van der Feltz griffier van PS [1819-1883] [Leeuw1883, blz. 48]=In 1820 is P.J. Swaving lid van Provinciale Staten van Gelderland en burgemeester te Zutphen [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz. XXVI]=In 1820 is H.W.A. Vermeer uit Zevenaar gedeputeerde van het Ambt Liemers en plaatsvervangend vrederechter [Nieuwenhuis, Algemeen, A-B, blz.XXVIII=in 1826 is mr. C.C. van Lidth de Jeude lid [Gosselin, Vervolg, blz. X]=Jhr. Constantijn Arnoud Ernest Adrien van Panhuys [17 september 1811 Den Haag-1887] was lid van de ridderschap en van Provinciale Staten van Gelderland [Leeuw1887, blz. 54]=mr. Willem baron van Lijnden [1806-1866] was rechter in de arrondissementsrechtbank te Nijmegen, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en van provinciale staten van Gelderland [Leeuw1886, blz. 34]=C. de Jongh van Polsbroek [1813-1878] was lid van provinciale staten van Gelderland [Leeuw1885, blz. 92]=mr. Gerrit Abraham de Meester van 's-Heerenlo [1817-1884] was burgemeester van Harderwijk, lid van de provinciale staten van Gelderland, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [Leeuw1884, blz. 28]=Jhr Franciscus Xaverius van Nispen was lid van Provinciale Staten van Gelderland [Leeuw1883, blz. 71]=Johannes Antonius van Basten Batenburg [1830-1887] was burgemeester van Arnhem en lid van Provinciale Staten van Gelderland [Leeuw1887, blz. 9]=mr . Antonie Frederik baron Sloet van Zwanenburg was lid van provinciale staten van Gelderland [Leeuw1884, blz. 16]=mr. E.M.C. Pels Rijcken [1817-....] was lid van Provinciale Staten van Gelderland en burgemeester van Arnhem [Leeuw 1884, blz. 99]=Andreas Johan van Asselt [1814-1885] was lid van provinciale staten [Leeuw 1885. blz. 100]=mr. L . Roelvink [1834-1886] was burgemeester van Aalten en lid van provinciale staten van Gelderland [Leeuw1886, blz. 40]=Johan Coenraad Louis Anthony Dijckmeester [1807-1836], lid van de raad te Tiel en van de Provinciale Staten van Gelderland [Leeuw1886, blz. 96]BRONNENgeraadpleegde bronnenNavorscher 1851-1852literatuurAa, A.J. van der, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, deel I, Haarlem 1852, blz. 17-20, 64, 70-77, 124, 265Akte van inbezitstelling, naar het Geldersche Leenregt, in: BVGO 1844, blz. 225-226ANF 1885, p. 256 (1515)Ablaing, Bannerheeren, pp. 13-14 (16e e), 16 (1578)Alberts, Beide, p. 79 (1294-95)Alberts, BetrekkingenAlberts, W.Jappe, Gelderland van 1543-1556, in: Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, Zutphen 1975Alberts, W.Jappe, Stukken betreffende de geschillen tussen hertog Arnold van Gelre en Nijmegen (1458-1459) Werken Hist. Gen. 3e serie nr 79, 1952Alberts, W.Jappe, De anti-Bourgondische politiek van hertog Arnold van Gelre in de jaren 1452-1456, in: BM Gelre deel 50 1950Alberts, W.Jappe, Studiën betreffende de geschiedenis van Oost-Nederland, Groningen 1953Alberts, W. Jappe, De Landbrief van 1375 in het licht van de interregionale ontwikkeling, in: Van Standen tot Staten, Utrecht 1975 Alberts, W. Jappe, De Arnhemse stadsrekening over het jaar 1447-1448, in: BMHG 1965, deel 79, blz. 334 e.v.Alberts, W. Jappe, De tolrekeningen van Lobith over de jaren 1404/05 en 1408/09, in: BMHG 1967Alberts, W, Jappe, De Staten van Gelre en Zutphen, deel I, Groningen 1950Alberts, W. Jappe., Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Maaslandse Monografieën nr. 24, Van Gorcum Assen 1978Alberts, Rekening, pp. 125 e.v., 141 e.v. (1447-1448) Anoniem, Overzicht (1795-1813)Avis, Directe, pp. 3 (13e e), 10 (1287), 12 (1293), 108 (m.e.)Bachiene, Vaderlandsche, blz. 275-392Baelde, Domeingoederen, pp. 47-52 (16e e), 62 (id), 148-153 (1551)Baelde, Financiële, pp. 21 (1531 -51)Bannier, Landgrenzen I, p. 234 (1471)Becht, Statistische, p. 115 (1580)Beernink, Nijkerk, p. 201 (1700)Bergh, Handboek, p. 143 (m.e.)Bergh, L.Ph.C. van den, Gelderland, in: BVGO 1854, blz. 63-64 Bergh, L.Ph.C. van den, Eene merkwaardige Geldersche oorkonde der elfde eeuw, in: BVGO 1868, blz. 49-51Bergh, L.Ph.C. van den, Over den oorsprong en de betekenis der plaatsnamen in Gelderland, in: BVGO 1847, blz. 233-275Blécourt, Heerlijkheden, p. 64 (1227)Blink, Geschiedenis I, p. 288 (17e e)Blok, Geschiedenis I, pp. 203 (1293), 496 e.v. (15e e) Boeles, Heerschappij, p. 102 (1551)Bolhuis, J.H. van, Welke waren de drijfveren van de aanbieding der Souvereiniteit van Gelderland aan Willem III in 1675? , in: BVGO 1842, blz. 197-213Brand, Over (13e e)Brill, Rapport, p. 47 (1620)Bunt, Aleid W. van de, Mechteld, hertogin van Gelre, in: Gelders Oudheidkundig Contactbericht 1967, nr. 33Chalmot, Biographisch, deel 2, blz. 281 [Bentink], 299 [Karel]Chijs, Munten, blz. 16 (m.e.)De Hoofdling Edzart Cirksena noodigt de Gelderschen, de markten te Emden, Norden, Ezems en Aurich te bezoeken, in: BVGO 1842 blz. 281-282Despretz-Casteele, Protectionisme, p. 314 (17e e) Dillen, Stukken, pp. 72 e.v. (1681)Dingemans, Inventaris, p. 56 (1755)Donker, Iets, pp. 88-96 (19e e)Doorninck, Bijdrage, p. 242 (1752)Doorninck, P.N. van, Geldersche kronieken (Gelre Werken, no. 1. Arnhem, Gouda Quint, 1904; no. 2, 1909Doorninck, P.N. van, Schatting van den landen van Gelre van het Overkwartier en de Betuwe van 1369. Haarlem , Van Brederode, 1903 Doorninck, P.N. van, Schatting van den landen van Gelre over de Veluwe van het begin der 14de eeuw. Haarlem, Brederode, 1905. Doorninck, P.N. van/Veen, J.S. van, De graven en hertogen van Gelre. Arnhem, Gouda Quint, 1904. ECG Achterhoek en Liemers, 0953 Familie Colenbrander ...etc, nr. 85Elias, Bijdrage, p. 32 (18e e)Engels, Geschiedenis, pp. 10 (1227), 62 (1551), 82-83 (1616; 1674), 85 (1748), 86 (1805), 175 (1842), 239 (1832), 240 (1835)Fruin, Zeventien, pp. 10 (1574), 12 (1569), 16 (16e e), 18(1571), 23(1577)G.S. Gelderland, KortGosselin, blz. XXXIV-XXXVGouda Quint, P., Grondslagen voor de bibliografie van Gelderland, Arnhem 1910Gregory, J.L.G., Martinus Gregorii of Goris, laatste kanselier van Gelderland, in: BVGO 1866, bz, 344-355Haak, Plooierijen, pp. 80 (18e e), 84 (1692-96), 109 (1700), 111 e.v. (18e e)Halma, Tooneel II, p. 236 (1547)Harkema, Betrekkingen, p. 10 (1472)Hasselt, W.J.C. van, Willem van Hasselt, veldoverste der vorsten van Gelre in de vijftiende eeuw, in: BVGO 1848, blz. 187-188 Henne, Histoire VIII, pp. 37 (1542), 270 (1545); IX, pp. 125-126(1551-52)Heringa, TijnsenHoeffer, Brieven, pp. 286-288 (1613), 311 (1620), 318 (1621), 328-329 (1623), 334-337 (id)Hoeffer, Uittreksel (1474-76)Hofman, J.H., Gelderland en de hertog van Anjou, in: BVGO 1872, blz. 294-306Hofman, H.J., Eed door graaf Jan van Nassau als Stadhouder van Gelderland afgelegd op maandag 2 juli 1578, in: BVGO 1888, blz. 227-228Horst, Derick van der, Verslag van een samenkomst van hertog Arnold van Gelre met zijn zoon Adolf (24 augustus 1459), in: BMHG 1897, nr. 18, blz. 333-341Hulshof, A., Oorkonden aangaande de betrekking der Gelderse vorsten tot Frankrijk, in: Werken Gelre nr. 9. Arnhem 1912Iterson, Confiscatie, p. 553 (1778)Jansen de Limpens, K.J. Th., Rechtsbronnen van het Gelderse Overkwartier van Roermond, Utrecht 1965Joosting, J.G.C., Historia Gelriae auctore anonymo, Arnhem, Gouda Quint, 1902 Kobus, J.C./jkhr W. de Rivecourt, Biographisch Handwoordenboek van Nederland, Zutphen 1870, deel 1 [A t/m H], blz. 13-14; 97Koekelkorn-Nijenhuis, J./Elbers, W.M., Mechteld, Hertogin Pretendente van Gelre, in: in: Gelders Oudheidkundig Contactbericht 1973, nr. 37Kok, Jacobus, Vaderlandsch woordenboek, Eerste deel [AA-AD], 2e druk, Amsterdam, Johannes Allart 1785, blz. 163Kosters, Oude, pp. 45-48 (11e-13e e), 68-69 (id)Lanz, Correspondenz I, p. 204 (1526)Lenting, L.Ed., Gelderland in betrekking tot de Unie van Utrecht, in: BVGO 1866, blz. 259-343Lynden van Hemmen, Besluit, p. 382 (1629)Maasgouw 1882-1885, pp. 1054(1800); 1895, p. 51(1472)Maris, A.J., De Raadkamers of Hoven van Karel de Stoute in Gelre en Zutphen 1473-1477 in: BM Gelre 1957, deel 56, blz. 45 e.v Martens van Sevenhoven, A.H., Eenige opmerkingen over de vorming van het Graafschap Gelre, in: Bijdragen en Mededelingen Gelre , deel 36, 1933, blz. 6 e.v.Meester, Geschiedenis I en IIMeester, Onderzoek, p. 61 (17e e)Meester, G.A. de, De Staten van Gelderland, onder het licht der Geschiedenis, besproken in: BVGO 1850, blz. 117-118Meihuizen, L.S., De rekening betreffende het Graafschap Gelre 1294/5, Groningen 1953Menalda, Behandeling, pp. 133-136Merkus, Schets, p. 78 (1748)Mey, Afgezanten, pp. 48-54 (1530)Meij, P.J., De verheffing vna de graaf van Gelre tot Rijksvorst, in: BM Gelre deel 61, 1962-1964, blz. 349 e.v.Meij, P.J., Gelderse Charters uit München teruggekeerd, Den Haag 1953Mooy, A.J. de, De Gelderse kroniek van Willem van Berchen, Werken Gelre nr. 24, Arnhem 1950Muller, Staat, pp. 273 (1581), 284 (1582), 545 (1594)Navorscher 1851, blz. 290; Navorscher 1852, blz. 124, 140, 203, 259 ; IV, pp. 278-279 (1543-44); V, p. 331 (1501); VII, p. 110 (1647); IX, pp. 117 (16e e), 215 (id); XV, p. 279 (15e e); XXIII, pp. 213 (1579), 371 (16e e), 633 (id); XLI, p. 30 (1659-70); XLVIII, p. 97 (16e e)Neve, Rijkskamergerecht, pp. 150-151 (1542), 138 (1548),140 (1422-1567), 158 (1548), 175e.v.(16e e), 184 (15e-16e e)Nieuwenhuis, G., Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen A-B, Thieme, Zutphen 1820. blz. XIII, XIX, XXIII, XXVINijenhuis, Bibliographie (Toevoegsel), pp. 25-36Nijhoff, Oud, p. 30 (1571-1574) Nijhoff, I.A., Het Geldersche Regeringsreglement van 1675 en 1750, in BVGO 1850, blz. 79-96Nijhoff, I.A., Het Loo, geen lusthuis der Geldersche Hertogen, in: BVGO 1842, blz. 214-220Nijhoff, I.A., Eerste Handelingen van Jan Graaf van Nassau-Katzenellenbogen als Stadhouder des Vorstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen, in: BVGO 1837, blz. 104-144Nijhoff, I.A., Aanstelling van Jan Graaf van Nassau-Katzenellenbogen, als Stadhouder des vorstendoms Gelre en graafschaps Zutphen, in: BVGO 1840, blz. 49-69Nijhoff, I.A., Jan Graaf van Nassau, het Stadhouderschap van Gelderland verlatende, in: BVGO 1840, blz. 161-191Nijhoff, Is. An., Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland, door onuitgegevene oorkonden opgehelderd en bevestigd, derde deel, Willem en Reinald IV, hertogen van Gelre uit het huis van Gelre, Arnhem 1839; vierde deel. Arnold van Egmond, hertog van Gelre, besproken in: BVGO 1848, blz. 80-84; vijfde deel, De Bourgondische heerschappij, Arnhem 1851, besproken in: BVGO 1852, blz. 97-99; 6e deel, 3e stuk, Karel van Egmond, Hertog van Gelre, Graaf van Zutphen [1529-1538], 's-Gravenhage 1875Nijhoff, I.A., Onuitgegeven Stukken, betrekkelijk de geschiedenis der Spaansche heerschappij en die van de opstand tegen Spanje, bijzonder in Gelderland, in: BVGO 1842, blz. 184-196; BVGO 1844, blz. 29-56; BVGO 1844, blz. 215-224; BVGO 1847, blz. 208-229; BVGO 1848, blz. 264-270; BVGO 1850, blz. 48-57; BVGO 1852, blz. 73-80; BVGO 1852, blz. 202-216; BVGO 1852, blz. 265-272; BVGO 1854, blz. 203-210Nijhoff, I.A., Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, 5e druk, Arnhem 1836Nijhoff, P, Bijdragen tot de geschiedenis van het voormalig Hof van Gelderland, opgemaakt uit zijn oud archief en andere onuitgegeven stukken, in: BVGO 1856, blz. 85-119Nijhoff, P., Iets over Wageningen en zijn oud archief, in: BVGO, blz. 356-363Ontwerp van overeenkomst tusschen Keizer Maximiliaan en Karel Hertog van Gelre, in: BVGO 1840, blz. 280-284Petri, Landschaftliche (1537-43)Pijnacker Hordijk, C., De oudste graven van Wassenberg-Gelre, in; BVGO 1902, 4e reeks deel 2, blz. 325 e.v. Pirenne, Hanse, pp. 162-163 (m.e.)Rees, Geschiedenis I, p. 47Riemsdijk, Th.H.F. van, Verslag aangaande het Oud Provinciaal Archief in Gelderland, gedurende het jaar 1877 Scheltema, Staatkundig, p. 34 (1492)Schevichaven, Memoriën, p. 282 (1462; 1552) Schevichaven, Organisatie (14e-18e e)Sickenga, Omwenteling, pp. 10-11, 13-14, 16 (1796), 77-78, 103Sivré, Gijzelaars (1668-70)Sloet, Toestand (1543)Sloet, Voorstellen (1500) Sloet, L.A.J.W. Baron, Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 Juni 1288, 1e gedeelte, tot den dood van graaf Gerard 12 October 1229. 2e gedeelte, tot het einde van het jaar 1277, 's-Gravenhage 1872-1873; 3e gedeelte 1278-1288, 's-Gravenhage 1875Sloet, L.A.J.W. Baron, Verbeteringen in Sloet's Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, deel I, in: BVGO 1880, blz. 119-125; deel II, in: BVGO 1885, blz. 285-311Sloet, J.J.S. Baron/Veen, J.S. van/Martens van Sevenhoven, Jhr Mr. A.H., Register van de Leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Nijmegen, Arnhem 1924, blz. 1-860Smit, E.J.Th.A.M.A., De oude Kleefse enklaves en hun overgang naar Gelderland, 1795-1817, Zutphen 1975Tadama, B.W., Maan- en Klaagbrief van Graaf Bernhard van Meurs tegen Karel van Egmond Hertog van Gelre (Met eene afbeelding), in: BVGO 1844, blz. 57-6Tegenwoordige Staat Overijssel I, p. 87 (1334-36); II, pp. 54 (1423), 56 (17e e), 183 (1578), 189 (16e e), 191(1581)Theissen, Regeering, p. 209 (1543)Veen, J.S. van, De laatste Regeringsjaren van hertog Arnold (1456-1465), in: Werken Gelre nr, 14 1920Veen, J.S. van, Bijdragen tot de geschiedenis van de jaren 1467 en 1468, in: BM Gelre 1929, deel 32, blz. 45 e.v.Veen, Ambt, pp. 212 (1683), 271-274 (1649)Veen, Uitwendige, p. 15(1730; 1737)Veen, J. S. van, Briefwisseling tussen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, Graaf van Megen, Stadhouder van Gelderland, 1560-1567. Werken, uitgegeven door Gelre, No. 11. Arnhem, S. Gouda Quint, 1914. Venner, Inventaris, p. 17 (15e e)Verwoert, Hermanus, Handwoordenboek der vaderlandsche geschiedenis volgens de nieuwste en beste bronnen bewerkt, deel 1 [A-K], Nijmegen 1851, blz. 6-7, 25Vloten, ..van, Oranje's krijgsbeweging in 't Overkwartier van Gelderland (1572), in: BVGO 1861, blz. 89-102Vries, Geschapen, p. 344 (Rep)Werner, H.M., De Geldersche Toren, in: Geldersche Volksalmanak 1881, blz. 37-57Westermann, J.C., De rekeningen van de landsheerlijke riviertollen in Gelderland 1394/5, in: Werken Gelre nr. 21, Arnhem 1939Westermann, Memorie, p. 74 (18e e)Weststrate, H.A., Gelderland in den patriottentijd. Arnhem , Gouda Quint, 1903. Weststrate, H.A., Een Geldersche heerlijkheid in de 18de eeuw, in: BVGO 1906, blz. 426-475Wie is dat, blz. 66 [1894], 118 [1889]Wijnpersse, Statistiek(1848-52; 1853; 1854)Winkler Prins, A. Geïllustreerde Encyclopedie (H-IYNX), deel 8, Amsterdam 1876, blz. 22, 152-153, 191-193, 276-277Zijp, A., De strijd tusschen de Staten van Gelderland en het Hof. 1543-1566. Verschenen als no. 10 van de werken, uitgegeven door de vereeniging Gelre (Arnhem, Gouda Quint 1913). Zwetheul, Pauline, De “verdwenen”grafzerk van Elbertus Leoninus , kanselier van Gelderland, in Arnhems Historisch Tijdschrift 2024/4, blz. 183-191Zwetheul, Pauline/Vermei, Wim, De Eusebius geeft een geheim prijs. De grafkelder van Georg Ripperda, in: Arnhems Historisch Tijdschrift 2022/2, blz. 73-81