statenstaten van Holland [1572-1795]algemeen=Willem van Oranje zat in november 1572 de vergadering van de Staten voor [Wedgwood, blz. 131]=De afgevaardigden in de begintijd bijeen onder de naam van Staten, waren gewone burgers, meest onervaren, tenzij in het regeren van hun kleine stadjes , met enkele landedelen en grondbezitters, enige geleerden, enige rechtskundigen, mannen van middelmatige intelligentie en met sterke vooroordelen, die weinig wisten van de Europese diplomatie of van militaire problemen, en, behalve in een enge particuliere zin, evenmin van financiën. Ze waren verdeeld dor de gewone plaatselijke persoonlijke naijver, die altijd het kleine politieke leven beheerst, ze werden geïnspireerd door gevoelens van scherpe en dikwijls onstaatkundige wraakgierigheid, ze hadden er een handje van ieder van verraad te verdenken bij het minste meningsverschil, ze waren bekrompen, bevooroordeeld en nog vol verbittering door jaren van vreemde overheersing [Wedgwood, blz. 134]=De klem der regering was dus van de Raad van State, zo het heette, naar de Staten-Generaal, maar inderdaad naar de Staten van Holland overgebracht. In de Hollandse Statenvergadering werden de gewichtigste resoluties ontworpen, die vervolgens bij de Staten-Generaal door de overige provinciën werden goedgekeurd en vastgesteld. [...] Vroeger was de bevoegdheid der leden uitgebreider geweest, maar niet lang geleden was een verandering ingevoerd, die de Staten van souvereine machthebbers tot gemachtigden van souvereine stadsbesturen verlaagd had. In Prins Willem's tijd besloten de gedeputeerden nog zonder ruggespraak met hun committenten: de eed door hen afgelegd verplichtte ‘te adviseeren en helpen besluiten naar verstand en rechte conscientie, zonder gunst of ongunst tot eenige stad of particulier.’ Maar kort na's Prinsen dood werd de eed zoo gewijzigd, dat de afgevaardigden moesten ‘adviseeren en helpen besluiten naar zij door hun principalen zouden gelast zijn’ [Fruin, Tien, blz. 38]=Er waren 18 stemhebbende steden: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorinchem, Schiedam, Schoonhoven, Brielle, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam en Purmerend. En het platteland werd geacht te worden vertegenwoordigd door de ridderschap. Het bestond uit 's-Gravenhage, Haag-Ambacht en diverse baljuwschappen en heerlijkheden, het drostambt Terschelling, het schoutambt Vlieland en de vazallanden [de heerlijkheden IJsselstein, Vianen, Voorne, Putten, Strijen] [Wink, blz. 587]
gecommitteerde=in 1660 was mr. Johan de Witt gecommitteerde [Navorscher1853, blz. 122]=Adriaen Boogaert [1634-1708] wordt in 1672 en in 1684 afgevaardigde wegens Delft [NNBW 1911, blz. 404]=mr. Jacob van Assendelft [1692-....] was gecommitteerde raad van de Staten van Holland [Leeuw1885, blz. 3]=mr. Willem Fabricius, heer van Santhorst, Almkerk, Santwijk, Uppel en Doorn [1709-24 mei 1749] was raad en schepen te Haarlem en gecommitteerde raad in de Staten van Holland [Leeuw1885, blz. 78]=mr. Cornelis de Gijselaar [1751-1815] was pensionaris van de stad Dordrecht en gecommitteerd ter vergadering van de Staten van Holland [Leeuw1885, blz. 61]griffier=Simon van Beaumont [1641-1726] is vanaf 1673 griffier [NNBW 1911, blz. 265]=mr. Albert Fabricius [1676-1736] was heer van Almkerk, Santwijk, Uppel en Doorn, secretaris, pensionaris van Haarlem, hoogheemraad van Rijnland, griffier der Staten van Holland en West-Friesland [AaBio6, blz. 8; Leeuw1885, blz. 79]
raad=mr. Adriaensz is gecommitteerde raad in 1661-1663, 1667-1669 [Leeuw42]=Abraham van Almonde is lid van de Staten [Kobus/Rovecourt1.30]. Woont op kasteel Altena bij Delft.=mr. Jan Elias Huydecoper [1669-1744] was heer van Maarsseveen en Neerdijk, commissaris, schepen, raad en burgemeester in Amsterdam, gecommitteerde raad in de Staten van Holland [Leeuw1885, blz. 78]
ridderschapVoorheen was de Hollandse adel het invloedrijkste lid der Staten geweest: hij vertegenwoordigde, behalve zijn eigen stand, het platte land en al de steden, uitgezonderd de zes grote, die zelf ieder een stem uitbrachten. Yan de zeven stemmen had dus de ridderschap er toen reeds maar één, maar die ene had meer te zeggen dan al de overige tezamen; want zij sprak voor meer dan de helft van het graafschap. Willigde de ridderschap's graven bede in, dan was de grootste helft der gevorderde som verzekerd; de zes steden tezamen beschikten over minder dan zij alleen [Fruin, Tien, blz. 39]. Maar de omwenteling keerde ook deze verhouding om. Vele edelen kwamen op het slagveld of op het schavot om het leven, andere werden als aanhangers van Spanje uit het land gebannen. Daarentegen namen de steden in welvaart en aanzien toe. Bij de zes grote werden nog twaalf kleinere, vroeger door de ridderschap vertegenwoordigd, ter Staten-vergadering toegelaten. Zoo werd de ridderschap één tegen achttien; in plaats van te leiden had zij voortaan te volgen [Fruin, Tien, blz. 39]secretaris=Adriaan Duyk is secretaris van de staten van Holland en West-Friesland Adriaan Duijck (...-1621) was heer van Oudkarspel [Kok13, blz. 61]=Herbert van Beaumont is secretaris van de Staten [Kobus/Rivecourt1.112]==Simon van Beaumont is vanaf 1673 secretaris van de Staten van Holland [Chalmot2, 185]=Cornelis Boeij [1686-1759] wordt in 1736 secretaris van de Staten van Holland etc [NNBW 1911, blz. 383=Adriaan Huygens [1748-1817] was ambtenaar ter secretarie van de Staten van Holland en West Friesland [Leeuw1886, blz. 82vroedschappen=de vroedschappen zijn de souvereinen, de koningen van het republikeinse Holland. Niemand hebben zij boven zich, en naar de burgerij behoeven zij niet om te zien. Van haar gaat de macht der regering uit, eerst naar de vergadering der Staten van Holland, dan naar die der Staten-Generaal. Gesloten corporaties van zelden meer dan veertig personen, houden zij zichzelf voltallig, kiezen de burgemeesters die het bewind voeren, en de schepenen die recht spreken [Fruin, Tien, blz. 41]. Jeannin, de toenmalige gezant van Frankrijk bij de Republiek, schrijft aan zijn regering, dat de burgerijen in Holland zich met het staatsbestuur niet bemoeien, maar het onvoorwaardelijk aan de vroedschappen toevertrouwen; hetgeen, meent hij, ten waarborg strekt voor de duurzaamheid van den bestaande regeringsvorm [Fruin, Tien, blz. 43-44]. Een andere eigenaardigheid, die het Nederlandsche volk van dien tijd niet minder kenmerkt, is de afkeer van ambtsbejag. Niet alleen dat het aan zijn regenten de staatszaken overlaat, het heeft ook geen lust in het regentenambt. Het beschouwt de regeering nog meer als een last- dan als een eerepost. Dat wisten de Staten van Holland bij ondervinding; en zij verklaren dan ook, in hun bekende deductie van 1587, niet te vreezen, dat zich iemand uit eergierigheid in de regering zou willen indringen, ‘want de natuur des volks een afkeer heeft van alle ambitie’ . En een twintigtal jaren later schrift De Groot nog stelliger: ‘Is er één volk, dat zich door geen ijdel eerbejag laat vervoeren, dan zijn het de Hollanders. Immers niemand jaagt er naar eereposten of begeert er zelfs naar [Fruin, Tien, blz. 44]. Op deze wijs werd het regeren allengs het werk van enkele geslachten1) . Toch heeft het nog lang geduurd eer zich een regenten-stand, afgezonderd van den handelsstand, gevormd heeft. Eerst een halve eeuw later vinden wij dien in wezen. Temple, die na 1672 zijne Opmerkingen over de Vereenigde Provinciën heeft uitgegeven, beschrijft het onderscheid tusschen beide standen alsin het oog loopend, in opvoeding, in leefwijs, in middelen van bestaan. En reeds vroeger, in 1652, horen wij den handelsstand van Amsterdam klagen, dat de heeren regenten geen kooplieden zijn, en geen belang bij den handel hebben, maar van de opbrengst hunner huizen, landen en renten bestaan [Fruin, Tien, blz. 45]
provinciaal Bestuur van Holland [maart 1796-januari 1798]=D. Hzn van Aken is lid van maart 1796 t/m maart 1797 [Repertorium]
staten van Holland [1814-1840]=van 19 september 1814 t/m 1 juli 1817 is Johan Daniël Cornelis Carel Willem baron d'Ablaing van Giessenburg lid van PS in de ridderschap [Repertorium]=Jhr. mr. Paulus Gevaerts [1763-1836] is lid van de Staten en heer van Geervliet, Simonshaven en Biert [Epen, Geslacht, blz. 37]=jhr mr. Pieter van Akerlaken [1792-1862] is lid van 3 juli 1827 t/m 16 oktober 1838 namens Blokker [Repertorium]=In 1839 is jkhr mr. F.L.H.J. Bosch van Drakensteyn lid van de ridderschap van Holland. Hij woont aan de Vuursche. (Aa, Aard 1, blz. XIX). =In 1839 is Teding van Berkhout lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Hij woont in Haarlem (Aa, Aard 1, blz. XXX)