bede
algemeen=Ten tijde der oude Graven en Heeren in de gewesten , waar er zulke waren , wist men van geene altoos durende schattingen en be lastingen , levende de Graven en Landsheeren van hunne eigene goederen en inkomsten ; en hadden zij , ten dienste van den Lande , of wel bij bijzondere gelegenheden , tot hun bijzonder gebruik , meer der penningen noodig , dan verzochten zij die , bij wijze van beden , van de Staten . Deze laatsten kwamen ongaarne tot het inwilligen van een altoosdurende belasting [Aa, Aard1, blz. Alg. Overzicht, blz. 121]
=De beden, oudtijds door de Graven ingevorderd, werden census, tallia, schot, lot, morghengeld genoemd [Navorscher1853, blz. 105]
=De politieke invloed, die zij (de Kabeljauwse regeringen, LA) ten tijde van Philips de Goede hadden uitgeoefend, was herwonnen: in de steden door afwending van het steeds dreigende gevaar van invoering van nieuwe "regimenten", een gevaar dat men in 1476 slechts voor drie jaren met een extra-bede van de steden had afgekocht; in het gewest door onderscheiden artikelen, waaronder hier in het bijzonder de verplichting genoemd mag worden, die aan de landsheer opgelegd werd, de bede weder persoonlijk of door zijn oir en binnen het gewest te vragen; de Staten onttrokken zich daarmede niet alleen aan de pressie die door consenten van volgzame gewesten in de Staten-Generaal uitgeoefend kon worden, maar kregen ook weder betere gelegenheid door het stellen van voorwaarden onmiddellijke invloed op de wetgeving en het bestuur in het gewest uit te oefenen [Meilink, Dagvaarten].
=If the estates controlled taxation, the government would lose its credit on the money market and would no longer be able to raise loans on its own authority. The States General, even if it showed good will, would be so slow about raising money on credit that, if there was a rebellion or an invasion, the enemy would have captured half the country before the government could raise any troops and, within a short time, both the country and the Catholic religion would be lost. Orange and Berghes were in league with Straelen and even with some of the associates of Schetz, the king's financial agent in the Netherlands. They wanted to change the constitution so that they could command the state, and the regent, or even the king himself if he came, would have no further say. But in spite of all these dire predictions Granvelle still raised doubts about the succes of Orange's and Berghes' policy with the estates. Would the estates really want to pay for the garrisons and service the king's enormous debts, just because the great lords called the tune? Much of the fault lay with the prelates and their refusal to consent to the aides because of the plans to incorporate their abbeys in the new bishopries.
=Zodra die middelen van de landsheer tekortschoten en door de onderdanen aangevuld moesten worden, veranderde de onderlinge verhouding. Immers geen vrij man was verplicht zijn vorst geld op te brengen, tenzij hij daarin door zijn wettige vertegenwoordigers had toegestemd. En die vertegenwoordigers, door de vorst bijeengeroepen om over zijn bede te beraadslagen, konden bij die gelegenheid over wanregering en misbruiken klagen en het verbeteren daarvan tot voorwaarde van hun inwilliging stellen. Zo kregen zij invloed op de gang der regering. En bij het klimmende geldgebrek van de vorsten nam die invloed gestadig toe. Elke Nederlandscbe provincie had zich met der tijd zulke Staten verworven; toen zij zich allen onder éénen landsheer vereenigde kwamen nu en dan van allen de afgevaardigden bijeen, en werden dan Staten-Generaal genoemd. Men had dus twee staatsmachten naast elkander: de landsheer omringd door eigen gekozen raadslieden, en de volksvertegenwoordiging, door de afzonderlijke gewesten, volgens de standen, samengesteld [Fruin, Tien, blz. 31-32; Hardenberg, Ontstaan, blz.. 106]
=De ketterplakkaten werden op bevel Philips II voor heel Brabant ingetrokken omdat hij voornemens was een grote som, bij wijze van bede of belasting, van de Nederlanders te verkrijgen. Hij wilde de in de Nederlanden aanwezige troepen voltallig houden, drie regimenten voetvolk en diverse escadrons ruiterij. Voor hun onderhoud was geld nodig, terwijl de schuld aan hen al 2.7 miljoen gulden was. Daarnaast moesten 3000 Nederlandse ruiters, die sedert Karel V onafgebroken in dienst waren gehouden, worden betaald, vestingwerken voltooid worden en de bezetting in grensplaatsen versterkt. Voor dit alles was 18 ton goud nodig. De gezamenlijke schulden van de Nederlanden bedroegen 3,3 miljoen gulden. Voor de financiering hiervan vroeg Philips in maart 1556 in Brussel een 100e penning van alle onroerend goed en een 50e penning van alle koopwaar [Corvin, blz. 18-19]. Brabant en Vlaanderen verklaarden zich tegen deze heffingen en boden Philips eenmalig een matige som. Holland en de overige gewesten sloten zich daarbij aan. Holland bood f 330.000 met het aandeel van Willem van Oranje, Egmond en Hoorne was het f 400.000. Willem’s echtgenote, de gravin van Buren, genoot vrijdom. Philips ging accoord [Corvin1, blz. 19-20]
=in 1558 wordt aan Philips een negenjarige bede toegestaan met de eis om de Spaanse troepen uit de Nederlanden te verwijderen en met de uitleg van de aloude constitutionele rechten [Wedgwood,C.V, Willem de Zwijger, 4e druk, Elsevier, Amsterdam/Brussel 1984, blz. 37]. In 1561 verlieten de Spaanse troepen het land [idem, blz. 44]. Jaarlijks ging het om 8 ton goud. Voorwaarde was dat de Staten het bestuur over de gelden zouden hebben en dat zij de soldij zouden betalen. Dit was zeer tegen de zin van Philips, maar hij ging accoord. Holland gaf daarnaast f 100.000 met koninklijke bezittingen als onderpand en enkele andere gewesten droegen ook extra bij [Corvin1, blz. 43]
=De Hertog van Anjou, zo wordt met hem in 1580 afgesproken , zal den krijg voeren met zijne eigen, of zijns broeders [Hendrik III, koning van Frankrijk] middelen , waarbij de Staaten Jaarlijks 24 tonnen schats zullen voegen, uit welke somme de nodige bezettingen en 't krijgsvolk van het Land, in de eerste plaats, zullen moeten worden betaald [Kok2, blz. 560]=De Hertog van Anjou zig nu tot de Regeering beginnende te schikken, had van den Prinse van Oranje, Espino en andere leden van den Raad van Staate, opening verzogt van den staat des Lands; waarop hem deeze Heeren bij geschrift vertoonden, „ hoe het hier haperde aan goede order in het Burgerlijke bestier, in de Rechtspleeging, en in de Krijgstugt, die niet te vinden was, zo men geen behoorlijken voorraad had van gereede penningen, om welke te bekoomen, zij verscheidene middelen aan de hand gaven. Voorts was hun raad, dat men 's Lands Troepen verzamelde, en om hier toe in staat te zijn, de Landfchappen noodzaakte, hunne aandeelen in de jongst ingewilligde lasten te doen opbrengen; ook oordeelden zij, dat men de Kriigslieden, die nog veele agterstallen te vorderen hadden, bij verdrag moest zien te paaijen. De leden van den Raad van Staate, die van den geheimen Raad, en van de Geldmiddelen, behoorde men , om misbruik voor te koomen jaarlijks hunne wedden te voldoen, uit de inkomsten der Geestelijke Goederen, of van elders, tot het minste nadeel der Gemeente; ten ware de Staaten besluiten wilden tot vermeerdering der Vorstelijke inkomsten, op dat men uit dezelve de Amptenaaren voldeed. Tot betere vordering der Rechtspieeging moest men de grootheid van Mechelen weder oprechten of het getal der leden van den Geheimen Raad vermeerderen." [Kok2, blz. 566].=Bij de terugkomst van Anjou, in 1582, was zijne belofte aan de Staaten grooter dan men verwacht had; maar deeze belofte werd gevolgd van eenen eisch van meer Geld: zo dat de Staaten, in plaats van de bij 't verdrag bepaalde vier en twintig tonnen Gouds Jaarlijks, hem eene verhooging tot veertig tonnen binnen 't Jaar moesten toestaan; onder beding dat hij deSoldaaten betaalen, de onkosten van het Geschut, den Voorraad, en al wat tot het voeren van den Oorlog behoorde, voldoen, en de besoldiging der Krijgsoversten en andere hooge Amptenaaren, uit zijne middelen verschaffen zou. Kort daarna werd de eisch van Geld vernieuwd; en vermids het Jaar reeds te verre verloopen was, zoude hij, in 't Voorjaar, zulk een magtig Leger te Veld brengen, dat hij een Veldslag wagen konde; tot welke onderneeming hem de Staaten der Provintien, in de volgende Maanden Maart, April, Maij en Junij, boven de 400.000 Guldens nog meer geld moesten toestaan. Men zoude hem dan nog 600,000, en 1600 Guldens daar boven, tot onderhoud van zijn Tafel ieder Jaar verschaffen, mids hij daar uit den Raad van Staate en de geheime Raaden betaalen zoude. Intusschen kwam uit Frankrijk in 't geheel geen Geld, noch uit 's Hertogs middelen, noch uit 's Konings Schatkist [Kok2, blz. 567]
bewijzen op de bedeDoorninck, Regesten III, blz. 388 (1545)Halma, Tooneel, blz. 126 (1269)Zuylen, Inventaris I, blz. 745gewone bede=ten tijde van de oude graven en heren in de gewesten wist men van geen altoos durende schattingen en belastingen; de graven en landslieden leefden van hun eigen goederen en inkomsten. Hadden de landsheren ten dienste van het land of wel bij bijzondere gelegenheden tot hun bijzonder gebruik meer penningen nodig dan verzochten zij die bij wijze van beden van de Staten [Aa, Aard1, blz. 121]. Jaarlijks wordt schot en bede gevorderd, lentebede, herfstbede; soms om de twee, drie of meer jaren (bottingen) [Engels blz. 28]=als de inkomsten uit het domein niet meer toereikte moest men van de ingezetenen bij wijze van beden medehulp hebben. In dien zin heet hij lantsheer, heer of erfheer van land [Engels blz. 11]
bijzondere bede=Amsterdam stemde in met een stadsaandeel in een bede van 150,000 gulden ten behoeve van het huwelijk van de graaf in 1529 [Aa, Aard1, blz. 233]
buitengewone bedeBede uitgaand boven de gewone bede.
invordering"Dat wi hen in hoeren persoenen oft goeden, met beeden , assisen oft met dreighingen oft met anderen afpersyngen en bedwange ... nyet bedwyngen en soelen. Lat. tekst : per alias extorsiones. Doude Booth. 10 v°. 17 juni 1290" [Stallaert1, blz. 56] Onvermogen om die ordinaris middelen op te brengen, deed zich voor overal waar de Fransche troepen gelegerd waren, en remissiën moesten worden toegestaan op de quoten der grensdistricten...Holland alleen, in de dienst over het jaar 1795, had nog een achterstal op de provinciale quote te voldoen van 9 millioen [Sickenga blz. 7] Volgens Tractaat van 18 mei 1795 moest Holland 100 miljoen aan Frankrijk betalen. Aflossingsregeling [Sickenga blz. 8] Zeeland heft later nog eens een anticipatie op de gewone grondlasten, ter voorkoming der reeds dreigende executie (1797) wegens de quote [Sickenga blz. 10]
organisatieVlaanderen=uit het toekennen van de bede aan de vorst ontwikkelde zich in de eerste helft van de 16e eeuw een eigen financiewezen van de Staten van Vlaanderen. Dit gebeurde trapsgewijze: in 1527 kregen zij de controle over het gebruik van de gelden; in 1537 kwam het deel van de opbrengst der belastingen boven het bedrag van de bede de Staten ten goede; in 1538 beheerden de Vier Leden de opbrengst door tussenkomst van eigen ontvangers [BGN 1950].
quote=behalve de verdeling van de gewone bede was er nog een andere verdeling, die plaatsvond bij de bijzondere beden en geschiedde op een enigszins andere wijze. Iedere provincie bracht tot elke honderd guldens van deze buitengewone beden het navolgende op: [Aa, Aard1, blz. 122]=De quoten bleven voorloopig bestaan, behoudens verhooging of verlaging naar gelang der behoeften; alleen, de Nationale Vergadering zou eindelijk het regt hebben ter executie dier kwoten, bij verzuim in de voldoening, ten laste regtstreeks der ingezetenen der provincie [Sickenga blz. 6]=Uit de bijeengebrachte quoten der provinciën bad de Generaliteit tot nog toe de oorlogskosten bestreden: door haar werd al het krijgsvolk van de staat bezoldigd. Aanvullen tekorten kwam vaak op Holland neer. Er werd besloten de betaling der soldaten tot een provinciale zaak te maken; elke provincie zou voortaan weten hoeveel troepen zij voor haar rekening had; zij zou die zelf bezoldigen, en de dus uitgegeven som bij het voldoen van haar quote in rekening mogen brengen. Zodoende zou ieder alleen van zijn eigen kwade betaling te lijden hebben. Allengs begonnen de betaalsheren, zoals zij zich noemden, de troepen ‘staande op hun repartitie’, voor hun eigen krijgsvolk, niet voor dat der Unie aan te zien [Fruin, Tien, blz. 51]. Het was gebruik dat niet de staat, maar de oversten hun compagnieën aanwierven en bezoldigden; aan hen stelde de regering de gezamenlijke soldij, ter verdere uitbetaling, in handen. Dus hoe onvoltalliger een compagnie was, des te meer soldij hield de overste voor zich zelven; geen wonder dat, bij onnauwlettend toezicht, de compagnieën grotendeels alleen op de monsterrol bestonden. De oversten hadden maar te zorgen, dat bij de driemaandelijkse monstering de ontbrekende manschap door het nodige getal als soldaten verklede personen werd aangevuld. Zo ver ging hun bedrog, dat het herhaaldelijk uitkwam, dat nauwelijks de helft van het op de monsterrol geplaatste volk werkelijk in dienst was [Fruin, Tien, blz. 52]. Geen wonder dus, dat de Staten dit stelsel van verkwisting verlieten; zij dankten af wat zij uit hun gewone inkomsten niet onderhouden konden, en zij droegen zorg dat de in dienst blijvende manschap op haar tijd en voluit werd betaald, maar dat er dan ook geen manschap op de monsterrol voorkwam, die niet werkelijk onder de wapenen was [Fruin, Tien, blz. 52-53]. De stadhouders, in naam aan de Raad van State ondergeschikt, inderdaad slechts tot raadpleging met dezen verplicht, bleven de bevelhebbers van de contingenten hunner gewesten [Fruin, Tien, blz. 53]. Aan de oorlogsbelasting betaalden slechts vier provincies, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland; want Gelderland en Overijsel hadden zoveel van de oorlog, door brandschatting, plundering en verwoesting, te lijden, dat zij niet in staat waren om bovendien nog iets van belang in de schatkist bij te dragen [Fruin, Tien, blz. 55]
Het bedrag van hetgeen iedere provincie ten behoeve van het gemeene land en de kas van de Algemeene Rekenkamer storten moest, was, naar het vermogen van elk gewest, over de provincies omgeslagen zijnde dit in het jaar 1612, op een vaste voet gebracht en deswege bepaald, dat van elke honderd gulden betaald worden door :Gelderland f 5 : 11 : 2.Holland f 57: 14 : 8. Zeeland f 8 : 1 :10.Utrecht f 5 :15 : 5.Friesland f 11 :10 : 11.Overijssel f 3 :10 : 8.Stad en Lande f 5: 15 : 6.Drenthe. f 0; 19 : 10. ______________ f 100: 00 : 00. Doch behalve deze verdeling van de gewone, was er nog een andere, die plaats had bij buitengewone beden en op een enigszins andere wijze geschiedde. Iedere provincie bracht voor elke honderd gulden van deze buitengewone beden het navolgende op : Gelderland f 5: 12 : 13.Holland f 58: 6 : 4¼.Zeeland f 9: 3 : 8.Utrecht f 5: 16 : 7½. Friesland f 11: 13 : 2¾. Overijssel f 3: 11; 5Stad en Lande f 5: 16 : 7½ ______________ f 100: 00 : 00 [Aa, Aard1, Alg. O verzicht, blz. 122
tijdelijke bijdrageDe Staten van de gewesten kwamen ongaarne tot het inwilligen van een altoosdurende belasting [Aa, Aard1, blz. 121]. Keizer Karel V kon zelfs, hoe zeer hij er ook op aandrong, niet eens een stuiver van iedere morgen land als vaste schatting bekomen en zijn zoon Filips II verkreeg niet dan met veel moeite een negenjarige bede om de oorlog tegen Frankrijk te kunnen voeren [Aa, Aard1, blz. 121].
vrijdomgeestelijkheid="De Beden, dus genoemd en geheven, sedert de geschenken, oudtijds jaarlijks aan de koningen opgebragt buiten gebruik [blz. 28] waren geraakt, komen ook voor onder den naam van Stur zoo beval de Roomsche Koning Adolï in 1293 dat alle goederen die stur of bede gewoon zijn te geven dezelve zullen blijven betalen al kwamen die in handen der geestelijken waaruit tevens blijkt dat de geestelijkheid al zeer vroeg mede schatting heeft moeten opbrengen." [Engels blz. 29] Hugo van Haarlem, die in het jaar 1326 tot 23e abt van Egmond werd verkozen en in 1348 overleden is, gaf voor, dat allen, die op de landen van de abdij van Egmond op Achthoeven in Papswoude woonden, vrij waren van des Graven bede en heervaart, maar aangezien hij geen brieven van die vrijheid vertonen kon, wees Willem III (de Goede), graaf van Holland, bij open brieven , gegeven te Geertruidenberg vrijdags vóór Allerheiligen van het jaar 1333, dat, zo lang de Abt van Egmond zodanig voorrecht niet kon bewijzen met verlijbrieven van de graaf of zijn voorzaten, of met betere bescheiden dan de graaf tot die tijd toe vertoond waren, die van Papswoude, degenen die geen welgeboren lieden waren des Graven bede en heervaart met zijn lieden van den hove van Delft gelden zouden , evenals zij dit voormaals gedaan hadden in de tijd van de voorgaande graven [Aa, Aard1, blz. 43-44]
stedenDe meeste steden hadden hare bijzondere voorrecten van de hertogen, graven en heeren ontvangen, die deze voorrechte, hetzij voor gedane diensten , hetzij voor vergunde beden of grote geldsommen hadden toegestaan , verder uitgebreid of bevestigd [Aa, Aard1, blz. 14]
Over vrijdom steden van beden [Engels blz. 34]. Zoo schonk Graaf Willem in 1252 aan die van Dordrecht vrijheid van alle beden [Engels blz. 34] en verleende Graaf Floris de V in 1266 op dergelijke voorwaarden als boven genoemd, aan die van Leyden vrijheid van alle schattingen (caligias) uitgezonderd die, welke men bottingen noemt [Engels blz. 34]
welgeborenen=Alle nu die door hunnen ouden stam en door het bezit van leengoederen onder de Edelen konden gesteld werden, als mede de Welgeborenen, betaalden geene bede en waren schotvrij, als onder anderen blijkt uit eenen brief van Hertog Albert in 1359, waarbij hij zijnen deurwaarder Claes Walichszoon en zijne nakomelingen, schot en bedevrij verklaart "gheliken onzen welgheboren luden in onsen landen", en gaf zulks met er tijd aanleiding tot veel moeijelijkheden, daar men ten gevolge van huwelijken van Edelen met onedelen er niet alleen aantrof die half edel waren maar ook die voor een kwart, een achtste, ja zelfs somtijds, ofschoon zeldzaam voor een zestiende adel waren en in evenredigheid hiervan vermeenden te moeten opbrengen en schotbaar te zijn [Engels, blz. 32]=over vrijdom platteland (Ouderkerk, Peijndrecht, Oostkapelle, Rijnsburg). Floris V maakte veel huisluiden tot ridders en daarmee schotvrij [blz. 33].
vrijstelling=Toen in de nacht van 23 op 24 Mei 1452 brand ontstaan was en bijna de halve stad in de as was gelegd, verkreeg Amsterdam ter vergoeding van de hierdoor veroorzaakte schade vrijverklaring van haar aandeel in de tienjarige bede [Aa,, Aard1, blz. 226].=Omdat de inwoners van Sint Annaland en Hannevosdijk financieel niet in staat waren de dijken met goed materiaal op hoogte te brengen verleende Karel V hen voor een periode van 25 jaar vrijheid van schot en bede, mits jaarlijks betaald zou worden een cijns van 4 groten per gemet. Toen de jaren , waarover deze vrijdom verleend was , bijna verstreken waren stond hij hun toe voortaan alleen te betalen half schot in alle beden , die voortaan door de Staten van Zeeland aan hem mochten worden toegestaan , terwijl hij hun bovendien voor den tijd van zes jaren kwijtschold al hetgeen deze helft der schotten meer bedragen mocht dan zes groten op het gemet. [Aa. Aard1, blz. 277]
BRONNENgeraadpleegde bronnenAard1; BMHG; DDB; Navorscher 1-literatuurAa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek, deel 1, Gorinchem 1839, blz. 1-420Aerts, Inhoud, pp. 167 (15e e), 170-171 (14e-15e e), 177 (15e e), 190 (1433)Alberts, Geschiedenis, pp. 59 (m.e.), 99 (1432), 102 (1442)Alberts, Rekening, pp. 125-126, 141-142Alberts/Jansen, Welvaart, p. 99Alexandre, Conseil, p. 304 (16e e)Altmeyer, Marguérite, pp. 74 (1525), 89 e.v. (1526), 103 e.v. (1529), 120 e.v. (16e e), 124 e.v. (id), 223-228 (1526-1528)Andreae, Hoge, p. 23 (15e-16e e)ANF 1885, p. 300 (1607)Arnould, Empereur, p. 267 (1509)Avis, Directe (12e-16e e)Bachiene, Vaderlandsche, blz. 202-203, 256Baelde, Collaterale, p. 52 (1533)Baelde, Domeingoederen, pp. 52-53 (155-1560), 164 (1551)Baelde, Financiële (1530-1560)Bakhuizen van den Brink, Eerste, p. 34 (1572)Beermann, Victor Antonius Maria, Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1648, Een episode uit het laatste stadium van den tachtigjarigen oorlog, Dekker & Van de Vegt 1940Bergh, Handboek, p. 223 (1269)Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, deel 5 (1950), blz. 267Blécourt, Begrip, p. 27 (m.e.)Blécourt, Welgeborenen, pp. 315 e.v. (m.e.), 322 e.v. (id)Blécourt/Japikse, Klein, pp. 1 (1375), 3 (1428), 30Blécourt/Meijers, Memorialen, pp. 28-31 (1429), 41-42, 63, 70, 181, 221, 234, 290 (1438), 310-311 (1435),313-314 (1435)Blink, Geschiedenis I, pp. 168 (1398), 236 e.v. (m.e.)Blockmans, Vroegste, p. 162Blockmans/Prevenier, Armoede, p. 520 (1440-1506)Blok, Financiën (14e-16e e)Blok, Geschiedenis I, pp. 70 (9e e), 80 (id), 201-202 (13e e), 292-293 (1312), 318 (14e e), 329 (14e-15e e),363-364 (1428), 401 (1402), 409 (1393), 427 (15e e), 506 (id), 551-552 (16e e), 560 e.v. (14e-16e e)Blok, Holl stad Bourg., pp. 29-31, 36-43, 48, 57, 64-65, 81, 161, 280-284Blok, Rekeningen, p. XIXBoeles, Bezoek, pp. 215-221Boeles, Heerschappij, pp. 100-102Boeles, Verdugo, pp. 14 e.v. (1590)Boer, Rekeningen, pp. 7 (1394), 18 (1394-1395)Bort, Alle (Voorreden), par. 20; par. 54Braure, Etude (15e e-16e e)Brill, Rapport, p. 77 (1616)Busch, Zegels, p. 65 (13e e)Caan, Schets, pp. 12-18, 21, 31-33, 36, 75, 83-85, 97, 102-03Cerutti, Jaarbede, pp. 144-147 (15e-18e e)Coopmans, Meierij, pp. 83 (16e e), 88 (1495), 90 (1533)Coornaert, l'État, pp. 192 (1552), 196 (1473; 1476), 204 (1465-1466), 205 (16e e)Cosemans, Antoon, pp. 626-654 (1555-1567)Craeybeckx, Moeizame, pp. 63 e.v. (1572-1574)David, Geschiedenis, p. 458 (1301)Defoort, Particularisme (18e e)Diepeveen, Vervening, p. 119 (1561)Dierickx, Hertog, pp. 182-184 (1569)Doorninck, Geldersche, p. 122 (16e e)Doorninck, Goch, pp. 321 (1328), 328 e.v. (1370)Doorninck, Regesten, delen i, II en IIIDoorninck/Uitterdijk, Bijdragen II, p. 259 (1346); IV, pp. 8 (1532), 229 (1362); VII. pp. 247 (13e e), 252 e.v. (13e e)Eigenbrodt, K. C.: Ueber die Natur der Bede-Abgaben in Bezug auf die Frage, ob die Bedepflichtigen von diesen Lasten unentgeltlich zu befreien sind. Historisch-rechtliche Erörterungen nebst Chrestomathie. Bd. 1. Giessen: Heyer 1826 Engels, Geschiedenis, pp. 5 (vrijwillige bede), 11, 28-29, 32 (1359) 33-68, 70-73Enklaar, Ministerialiteit, pp. 461 (1499), 468 (m.e.), 473 e.v. (1422)Evers, Van, pp. 10 (1452), 14 (1505)Eversen, Kroniek, p. 48 (1401)Faber, Drie I, p. 336 (1537)Feith, Opdragt, pp. 145-146Formsma, Ommelander, pp. 15-18, 65 (1571), 67 (1572), 83-84 (1577), 96 (1578), 101 e.v. (id), 112 (1579), 114 e.v. (1580)Formsma, Wording, pp. 75-78Fredericq, Proza, pp. 133 (1558), 195-196 (1584)Fruin, Informacie, blz. VI (1486), XI-XII, XV-XVI (1495); XX (1514); XXIX-XXX (1542); 2 (1514), 9 (1514), 21 (id), 27 (id), 28-29 (id), 31-32 (id), 34 (id), 37 (id), 39(id), 41 (id), 43 (id), 47 (id), 49-50 (id), 52-53 (id), 56 (id), 58 (id), 60-62 (id), 64 (id), 66-67(id), 69 (id), 71 (id), 76 (id), 83 (id), 101 (id)Fruin, R., De rekeningen en andere stukken in 1607 uit de Hollandsche rekenkamer naar de Zeeuwsche overgebracht, Het Bourgondisch-Oostenrijksche tijdvak 1433-1584, Nijhoff 1909Fruin, R., Het archief van prelaat en edelen van Zeeland, Rijks Archief-Depôt in de provincie Zeeland (Middelburg), Nijhoff 1904Fruin, Oudste II, p. 65 (13e e)Fruin, Rechterlijke, pp. 10, 15-20, 25, 39-40, 86-87, 105Fruin, Zeventien, pp. 17-23, 28Fruin/Colenbrander, Geschiedenis, pp. 39 e.v. (m.e.), 44 (id), 49 e.v.(14e e)Fruin/Pols, Rechtsboek, pp. 24 (15e e), 29 e.v. (id)Gachard, Lettres, pp. 283 (1480), 305 (1483), 320 (1485), 323 (1486)Gachet, Rapport, pp. 54 e.v. (15e e), 71 e.v. (id)Gallé, Beveiligd, pp. 31 (1361), 34, 101, 146 (14e-15e e)Gelder, Nederlandse, p. 50 (16e e)Goede, Nederlandse, p. 155 (m.e.)Goede, Swannotsrecht I, pp. 28 e.v. (14e e), 79 e.v. (1396), 87 e.v. (1400), 153 (1429), 156 (1431), 159 (1436), 161 e.v. (1450), 163 (1426), 172 (1445)Goede, Westfriesche, pp. 644 e.v. (1396)Goes, Register, delen I t/m VIGonnet, C.J./Baart de la Faille, R.D., Inventaris van het archief der stad Hoorn, De erven Loosjes 1918Goor, Beschrijving, pp. 17 (1252), 27 (1403), 139 (1490), 141 (1556), 200, 356, 375, 420 (1252), 463, 490-495Gosses, Friesland, p. 455 (16e e)Gosses, Organisatie, pp. 134 (13e e), 141 (16e-17e e), 151 (16e e), 174 (1447), 181 (1640), 205 (1564), 227 (m.e.), 229 (1498-1499), 230 (1545), 248 (1505)Gosses, Welgeborenen (11e-16e e)Gosses/Japikse, Handboek, pp. 117, 148-150, 169, 184, 193, 222, 227, 232, 257-258, 268, 270, 278, 290, 300-302, 311, 314, 319, 328, 333, 338Goudhoeven, van, deel 1 blz. 465aGouw, Ambacht, pp. 45 (m.e.), 55 (1400), 58 (1427), 70 (1525)Groot, Zweder, pp. 71 (1420), 77 (1429), 87 (1456)Hall, Stedelijke, pp. 559 (13e e), 578 (1340), 588 (1342)Halma, Tooneel I, pp. 4, 62 (1452), 127 (1269), 178, 365 (1554), 423; II, pp. 43, 234, 271, 297, 372Hamaker, Iets (m.e.)Hardenberg, H., Het ontstaan van de Staten van Holland, in: Driekwart eeuw historisch leven in Den Haag, Historische opstellen uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Historisch Gezelschap te ‘s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage 1975, blz. 104-120 Heeringa, K., De rekeningen en andere stukken in 1607 uit de Hollandsche rekenkamer naar de Zeeuwsche overgebracht, Het Henegouwsch-Beiersche tijdvak, 1319-1432, Nijhoff 1913Heeringa, Oorlogslasten, p. 126Henne, Histoire, delen I t/m XHeringa, Tijnsen, p. 50 (1430)Heyden/Hermesdorf, Aantekeningen, pp. 82, 118, 134, 166, 168Hoefer, Aantekeningen, P. 118; Bijlagen XLIXHoefer, Verdrag, pp. 141 e.v. (1432)Hommerich, Charactère, pp. 67-71Hommerich, Ontstaan, p. 249 (m.e.)Houtzager, Hollands, pp. 27, 41, 51, 112-113, 115, 119, 122, 124, 130Jansen, Middeleeuwse, pp. 100, 139-140, 149-150, 226, 238-240, 245, 247Jansma, Raad, pp. 45 (1404, 137 (1440), 143 (1436), 169 (1441), 206 (1428)Japikse, Resolutiën I, blz. XLX (1463-1555); LIV (1576), LVI (id), LVIII (id), LXIX (id)Jong, Hellevoeterland, pp. 45 (1565), 47 (id), 53 (id)Juste, Charles, pp. 18 (1505), 36 (1507), 47 (1509), 71 e.v. (1514)Kemper, Nederlandsch, p. 33 (1428-1441)Kerckhoffs-de Hey, Grote, p. 12 (1531); Grote/Bio, pp. 18 (1477), 22 (1473), 27 (1530), 42 (1508), 52 (1510), 60 (1508), 71 (1480), 134 (1497), 163 (1480)Kieft, Staten-Generaal, pp. 4, 9 (1465), 10 (1473), 11 (1476), 18 (1503), 19 (1508), 20 (1514), 23-24 (1534)Kobus/de Rivecourt, Biographisch, blz. 306Joris de Bije (Bie reisde in 1617 met Vervou naar Zeeland om de geschillen bij te leggen die over de quota waren ontstaanKoenigsberger, Orange, blz. 582-583Kooperberg, Margaretha, pp. 87-88 (1493), 116 (1500), 117-119 (id), 136 (1504), 137 (1502), 185 (1506), 253 (1507), 255 (id), 299 (1508), 316 e.v. (id)Korteweg, Stadrecht, pp. 37 (m.e.), 51 (id), 56 (id)Kronenberg, Inventaris, pp. 12 e.v. (16e e), 15 e.v. (17e e), 43 (1642-1797)Kruisheer, Oorkonden, pp. 296 (1255), 299 (1256), 306 (1261), 318 (1271), 330 (1276), 333 (id), 345 (1281), 378 (1291), 383 (1292)Kuile, Heerlijkheid, pp. 401 (1363, 1367, 1521), 402 (1530)Kuile, Landbrief, pp. 448 e.v. (1455-1457)Kuyk, Levend, p. 280 (m.e.)Lanz, Correspondenz I, pp. 70 e.v. (1522), 204 (1526), 207 (id), 278 e.v. (1528), 287 e.v. (id), 307 (1529), 381 (1530), II. pp. 383 (1543), 657 e.v. (1536), 660 (id), 663 (id), 665 (id)Lemmink, Staten, pp. 23-24 (13e e), 30 (id), 48 (1332-1333), 49 (1323, 1338)Lieftinck, Ridderboec, pp. 17-29 (1400)Linden, Recht, pp. 10-14, 28, 39 (1252)Lousse, Brabantse, pp. 219, 222Maasgouw 1879-1881, pp. 3 (1526), 166 (1594), 272 (1547), 472-473 (1637); 1896, pp. 72 (1274), 87 (1279); 1898, p. 75 (1632)Maddens, Hoe (16e e)Maeckl, Einige, p. 256 (1377)Maris, Bespr. Droege, pp. 141-142 (15e e)Meerkamp van Embden, Goudsche (1525-1560)Meester, Geschiedenis I, pp. 14 (m.e.), 24 (id), 66 (15e e), 75 (id), 82 e.v. (1441-1442), 88 (15e e), 95 e.v. (id), 99 e.v. (id), 118 (1518), 119 (1520, 124 (1532, 125 (1537), 128 (1539), 130 e.v. (1540), 133 e.v. (1543), 137 (1555), 140 (1558), 148 e.v. (1570)Meilink, P.A., Archieven van de Staten van Holland en de hen opgevolgde gewestelijke besturen, Algemeene Landsdrukkerij 1929Meilink, P.A., Dagvaarten van de Staten-Generaal, 1427-1477, in: BGN deel 5 (1950), blz. 210-211Meilink, Notulen (1557 e.v.)Meilink, Rapporten, pp. 1, 6 (1528)Merkus, Schets, pp. 17-28, 32-33, 39, 42-44, 48Meulleners, Gratie, pp. 678 e.v. (1531)Meyroos, Onze, p. 15Mieris, Handvesten, p. 68 (1493)Moll, Rechten, pp. 102-109 (13e-17e e)MontéVerloren, Hoofdlijnen, pp. 110-112Muller, Fragment, p. 337 (16e e)Muller, Staat, pp. 43-46 (16e e), 49 (1572), 53 (id), 57 (id), 72 (1573), 123-124 (1574), 226 (1579), 232-233 (1580), 235 (1579), 251 (1580), 272-273 (1581), 275 (id), 278 (1582), 283-284 (id), 293-294 (1583), 312 (id), 318-319 (id), 354 (1585), 366 (1586)Muller, P.L., Stukken betreffende de onderhandelingen tusschen de Staten van Utrecht en de Hooge Regeering, over het aandeel van Utrecht in de buitengewone bede, 1574-1576, in BMHG 1887, blz. 64-145 Muller, Verandering, pp. 151 e.v. (1576)Nagge, Historie I, pp. 205-206, 346; II, pp. 37-38, 70Navorscher 2, blz. 73 [1447] ; III, pp. 73 (1447), 374 (m.e.); V. p. 340 (1553); VII, pp. 159 (18e e), 287 (id); XII, pp. 106 e.v. (1528)Neve, Rijkskamergerecht, pp. 183 (1513), 220 (16e e), 304 (1559), 332 e.v. (16e e)Niermeyer, Honderd, p. 87 (1410)Nip, Bengaert, p. 7Nijhoff, Archief, pp. 19 (1492-1499), 30 (1571-1574)Nijhoff, Oud, pp. 33 (1423), 64 (1528), 67 1532), 78 (1547), 103 (1569), 105 (1570), 109 (1571), 111 (1572), 112 (1574), 133 (1617)Pélerin, Beschrijvinge, pp. 22-28 (1600-1628), 31 (1633), 33-45 (1625-1749), 67 (1602-1714)Pirenne, Anciennes, pp. 283-287 (1539)Pirenne, Histoire III, pp. 68 (1506), 75 (1508), 109-110 (1536), 133 (16e e), 197 (id), 205-212 (15e-16e e), 369 (1556)Pirenne, Invasions, pp. 106 (11e e), 300-302 (14e e)Poel, Compositie, pp. 60-64 (m.e.)Poel, Sijmen, blz. 45-56Pols, Westfriesche II, pp. 150-151 (16e e), 220 (15e e)Prevenier, Financiën, p. 471 (14e e)Prevenier, Vorstenspiegel, p. 291Racer, Gedenkstukken, deel 2, p. 151-152 (16e e), 156-157 (16e e)Rees, Geschiedenis, pp. 80-81 (1547), 86, 107 (1526), 112 (16e e), 114 (id), 116 (id)Reitsma, Willem, p. 290 (1521)Resandt, Bundels, pp. 117 (1539-1577), 118 (1670-1702)Reuter, Hermann, Die ordentliche Bede der Graffschaft Holstein (bis zur Mitte des 14. Jahrhunderts [DDB]Rompaey, Rechtsbronnen, pp. 200 (1365), 245Sassen, Oorkonden, p. 28 (1296)Schaap, Philips, p. 51 (1511)Schadee, Sententiën, pp. 375-376 (1447), 387-388 (1448)Schepper, Grote, p. 183 (16e e)Schevichaven, Huis, p. 400 (16e e)Schevichaven, Krijgstoerustingen, pp. 158 (1538), 160 (1540), 182 e.v. (1542)Schevichaven, Memorien, pp. 284 (1317), 285 (16e e)Schevichaven, Organisatie, pp. 1(1340), 2 e.v. (1501, 1547), 39 (17e e)Schevichaven, Rijk, pp. 63 (1422), 71 (m.e.)Schevichaven, Vraagstukken, pp. 77 (1230), 82 (id), 84 (1369)Schöffer, Consolidatie, pp. 71-72Scholliers, Vrije, , p. 310Siccama, Rechterlijke, pp. 58 (1342), 64 (m.e.)Sickenga, Omwenteling, blz. 6-8 (1795), 10 [1797]Slicher van Bath, Vrijheid, p. 172 (1325)Sloet, Brieven, p. 317 (1386)Slootmans, Wijnvaart, p. 172 (1537)Smidt/Rompaey, Chronologische III, pp. 114 (1534), 327 (1538), 393 (1539), 398 (id), 425 (id)Smidt/Strubee, Chronologische I, pp. 16 (1470), 21 (1471), 68 (1473), 81 (1474), 85 (id), 127 (1476), 215 (1485), 219 (1486), 229 (1490), 230 (id), 248 (1491), 340 (1499), 355 (1501), 371 (1502), 403 (1468-1469), 407 (1471-1472), 409 (1473), 411 (1474), 412 (1474-1475), 417 (1476), 420 (1479), 425 (1486), 429 (1488), 431 (1489), 435 (1492), 438 (1488-1493), 439 (1493), 446 (1495), 448 (1493-1496), 450 (1496), 452 (1497), 454 (id), 455 (1498), 456 e.v. (1499), 463 (1494-1501), 469 (1502), 473 (1496-1504), 476 (1504)Smidt/Strubbe/Rompaey, Chronologische II, pp. 139 (1514), 170 (1516)Smitskamp, Lotwissel, pp. 31 (1556), 32 (1557), 36-38 (1569)Stallaert, Glossarium I, pp. 130, 132, 211, 215, 296, 302, 393, 478Sterck, Opkomst, pp. 161 (1345), 162 (1344)Stratingh, Precarie (14e-16e e)Taxandria II, P. 148 (16e e); IV, p. 38 (m.e.); VI, pp. 161 e.v. (1530); VII, p. 156 (1528)T.G.O 1838, pp. 204 e.v. (16e e)Theissen, Regeering, pp. 19, 57-59, 64, 70, 192-193 (1536), 199 (16e e), 207-209Thoelke, Arnold, Die Bede in Kurpfalz von ihren Anfängen bis ins 16. Jahrhundert, in: Neue Heidelberger Jahrbücher, deel 17, 1913 [DDB]T.S. Overijssel I, pp. 127-128 (1432), 162 (16e e), 180-181 (1525); II, pp. 1 e.v.(m.e.), 33 (1336), 305 e.v. (m.e.), 308 e.v. (1510-1528), 314-315 (1530), 316 (1550)T.S. Stad en Lande, pp. 90, 151, 182-185, 194-195, 198, 205, 240-244, 248, 286-287, 316, 322-323, 325, 328, 331, 367T.S. Zeeland I, p. 57 (1543); II, pp. 18 (1569), 74 (1500), 75 (1520), 104 (1477), 336 (1478)Uytven, Standenprivileges (1290-1293)Uytven, Vorst, pp. 97 e.v. (14e e), 116 (1526; 1599)Venne, Belastingconflicten, pp. 333-337 (16e e)Venner, Inventaris, pp. 17 (15e-16e e), 22 (17e e), 23-32 (id), 102 e.v. (1498-1703), 118 e.v. (16e-18e e), 166 e.v. (18e e), 177 (1702), 178 (1698), 180 (1689-1691), 182 ?(1777-1787)Verhees, Niederländische, pp. 197 e.v. (16e e)Verhofstad, Karel Jan Willem, De regering der Nederlanden in de jaren 1555-1559, Berkhout 1937, pp. 50-66 (16e e), 68 (1563), 70 (16e e), 72 (id), 73 (1556), 74-182 (1556-1559)Verseput Ontstaan, p. 75 (1415)Waas, VogteiWagenaar, Jan, Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland [...]. Vyfde deel, beginnende in't jaar 1529, en eindigende met de overdragt der landen, door keizer Karel den Vyfden, aan zynen zoon, Filips, in't jaar 1555, 1791, Allart, Johannes Amsterdam, 1773-1811 Woltjer, Hervorming, pp. 5, 7, 11, 14-17, 19-22, 32-35, 38-40, 49-50, 53-54, 134, 202-205, 230-237, 246-248, 251-255, 258, 273, 275-278, 280, 297-298, 300, 304Woude, Staten, p. 80 (1581-1585)Zijp, Strijd, pp. 6, 8, (1543), 15 (1558),27 (1544), 48 (1547; 1558), 50-52, 56, 58, 62, 86Zuylen, Inventaris, delen I en II (1399-1800)