Juni 2005
De stad met haar vervuilde verkeersaders doet me verlangen naar de groene longen. Ik snoer de veters vast en wandel richting hardloopdomein, een ritueel dat een vast wekelijks schema begint te vormen.
Het lichaam heeft wat beweging nodig om fit te blijven en om de spieren te versterken zijn de terugkerende trainingen met een rustige opbouw ideaal om denkbeeldige, niet voor mogelijk gehouden grenzen te verleggen. Nog nooit was ik zo gedreven, zo consequent, zo wilskrachtig in de loopsport.
De afstanden worden geleidelijk groter, de voorbereiding op de halve marathon begint vorm te krijgen. Het lichaam laat dat ook toe nu de loden last - alweer 16 maanden - verdwenen is. De vervuiling van de rook had destijds een behoorlijk belemmerende werking waardoor het schema zomaar in duigen kon vallen. Het is nu een opgave die minder energie kost, omdat de longen al zuiver bij de start zijn. Het bloed is ook zuiver en inmiddels op temperatuur gekomen, het hart kan nu wel een extra peut gas verdragen.
De warming-up wordt intensiever en met volle kracht loop ik verder naar ‘het hek’, de grens van stad en bos, van uitlaatgassen en gezuiverde lucht, de symbolische scheiding tussen roken en niet-roken. De plaatsing van het hek dwars over het oorspronkelijke toegangspad noodzaakte een oplossing voor het ontstane probleem, de doorgang was immers afgesloten en de provisorisch aangelegde omweg verdoezelde de ware feiten. Door rechtstreeks op het doel af te gaan is langs de afrastering een ander bospad ontstaan, een nieuwe weg naar het hardloopterrein. De omleiding is opgeheven, door een positieve verandering is een poort opengegaan om zodoende via een directe weg het bos te kunnen bereiken.
De natuur moest echter een offer brengen, een dichtbegroeid stukje oerwoud heeft moeten wijken. Langs de afzetting werden gewassen weggehaald, dwarsliggende bomen gekapt, heide vertrapt, de bodem werd grondig gelijkgemaakt en door telkens hetzelfde spoor te nemen is er een nieuw pad ontstaan.
Naarmate de maanden vorderden is het zand verhard, de weg egaler en beter begaanbaar geworden. Zoals ook het niet-roken de nicotine heeft weggesleten, de bloedvaten heeft verbreed en een ander patroon in de hersenen heeft aangelegd, zo heeft het hek het oude bospad afgesloten en in de nieuwe situatie een andere weg gevonden. Het pad is als het ware verplaatst naar een ander spoor, het oude is afgesloten. Zoals een niet onderhouden railweg die niet meer toegankelijk is voor de trein, zo zijn mijn bloedvaten en hersenen niet meer geschikt om nicotine te vervoeren. De rook boven het oude pad is opgelost.
Het hek heeft feitelijk het rookgebied omsingeld en ik sta aan de buitenkant mijn benen te strekken. Het hobbelig weggetje door het rookgebied was toch maar een kronkelig laantje vol met verdekte valkuilen en verscholen onder het gebladerte, boomwortels waar ik over struikelde. Via omwegen en hindernissen moest ik het einddoel maar zien te bereiken.
Eigenlijk voldoet het nieuwe pad veel beter, het is duidelijk zichtbaar, rechtlijnig, aangepast aan deze tijd en minder hard veert de vlakke ondergrond als een goed onderhouden sintelbaan. Goed dat het hek er gekomen is, ik had het er zelf moeten neerzetten, maar ik was niet slim of vakkundig genoeg. Gelukkig was onverwachts het noodlot tussenbeide gekomen en werd het terrein afgesloten.
Nu ik langs het gaas loop is het rookgebied op korte afstand. De afrastering heeft het terrein grondig afgesloten, een opgeworpen hoge aarden wal achter het hekwerk is een extra verdedigingslinie en verhindert enige inkijk. Het enige wat ontbreekt is prikkeldraad, het zou de gevangenis compleet maken. De behoefte om het te betreden is verdwenen, geen haar op mijn hoofd denkt er aan over het hek te klimmen; zoals het roken afgesloten is, zo heeft het hek in een recent verleden een terrein afgesloten.
Wat geeft het, ik mis het oude pad niet, de weg is gewoon wat verschoven en het leven is beter geworden. Toch is er enige inkijk. Door de met sloten omhangen toegangspoort zie ik het voormalig rookgebied van een korte afstand. Interessant is het niet te noemen, het wekt zelfs geen heimwee op. Door de mazen van het gaas zie ik door het onkruid zelfs het oude pad niet meer.
Met ferme pas loop ik door en raak verder verwijderd van het rookgebied, zoals vorige hardloopoefeningen hier langs het hek, nadat ik gestopt was, de herinnering aan de sigaret steeds verder hebben weggevaagd. Het uithoudingsvermogen is lange tijd niet zo goed meer geweest. Met volle teugen geniet ik van het groen gebladerte, ik voel de zuurstof die langs stevige elastische longblaasjes glijdt. Op volle kracht trek ik een sprintje, zwaai wild en speels met de armen en doe nog wat gekke bokkensprongen.
Ik passeer het symbolische beginpunt van de hardlooproute en soepel spring ik over de hoogopstaande putdeksels, controleer of de sluitingen goed gesloten zijn en herdenk even dat ik uit die put ontsnapt ben. Het startschot klinkt, de lange duurloop kan beginnen.
De hemel is helder, er is geen wolkje aan de lucht te bekennen. De omgeving is van een natuurlijke schoonheid, een weids vergezicht; een meertje dat schittert in het zonlicht, de goudgele halmen van de hoge grassen, in de verte de bosrand. Het lijkt wel een paradijs, een vredig oord waarbij je zou wensen dat het leven altijd zo kon blijven voortduren.
Een dof geluid onderbreekt mijn gedachtegang. Op het moment dat ik een oude alleenstaande boom passeer, verlaat traag een grote buizerd zijn schuilplaats. Vlak boven me aanschouw ik de bruine tinten, de enorme spanwijdte van de rustig op en neer gaande vleugels. Deze roofvogel is zo groot, het is vast de koning van het buizerdrijk. Hij heeft geen kwade bedoelingen, merk ik opgelucht, hij vliegt van me weg. De roep klinkt nog een keer in mijn hoofd. Het is alsof hij op mij heeft gewacht totdat ik langs zou komen, een laatste afscheidsgroet, een missie is volbracht, de rook is uit mijn hoofd verdwenen.
Roerloos blijf ik staan en volg met mijn blik het stijgen van het gevederte dat de hoogte in wervelt. Klimmend op de luchtlagen gaat hij hoger en hoger naar de opperste luchtlagen en verder weg de ruimte in. Het stipje wordt kleiner en kleiner totdat het van mijn netvlies is verdwenen. De rook is verdwenen zonder een leeg gevoel achter te laten. Een blad uit de boom dwarrelt naar beneden, daar waar de buizerd heeft gezeten. Een blad uit mijn geschrift, volgeschreven met rookervaringen, als herinnering voor later.
Einde