Het was een grote omwenteling in mijn leven, toen ik op mezelf ging wonen op een kamertje. Terug naar de wortels van mijn bestaan. Voor het eerst stond ik op eigen benen om me een weg naar de toekomst te banen. Ik kreeg een kantoorbaantje, leerde zelf een potje te koken, maar vaak was het eten een simpel frietje.
Ik genoot van mijn vader, die ik nu vaak zag. Een energieke man waar ik weer mee kon voetballen, en het café dat hij uitbaatte was een en al gezelligheid. Vanzelfsprekend was er genoeg te drinken en ook de sigaretten ontbraken niet. Mijn vader had altijd veel gerookt en als vanzelfsprekend ging ik meedoen. Ik deed het om me een houding te geven, om erbij te horen in deze nieuwe wereld. Ik leek er meer zelfverzekerd door, dacht ik. Ik moest me tenslotte staande zien te houden tussen die vreemde mensen. Het was best stoer als ik in de spiegel keek met een sigaret tussen de lippen, het jonge gezicht leek wat meer volwassen. Op kantoor vond ik zulke zaken minder belangrijk, voor een uitzendbaantje hoefde ik me niet te bewijzen.
Op het werk bleven die slechte gewoontetrekjes voor anderen verborgen. Daar was ik nog een preutse niet-roker. Het was ook niet aan mij besteed om de hele dag te paffen, ik moest weer op adem zien te komen. Maar als ik ’s avonds op stap ging, veranderde ik, stak de een na de andere op en leerde ondertussen de techniek om een shagje te draaien. In de praktijk was ik met de vloeitjes nog onhandig en allerlei misvormde creaties ontsproten uit mijn vingers. Ook al stond het rollen van zulke peuken niet zo intelligent, het was een stuk goedkoper dan filtersigaretten.
Na weken van hard werken, flink stappen en weinig vitaminerijk eten kreeg ik een flinke griep. Twee weken lang had ik het zwaar te pakken, lag verzwakt in bed en viel tot tweemaal toe flauw in de badkamer. Niets voor mij. Griep duurde bij mij nooit langer dan een paar dagen, hoogstens een week.
Was het nu te wijten aan het roken? Die twee weken liet ik het in ieder geval achterwege, een mooie gelegenheid om er definitief mee te stoppen. Maar toen ik beter was pakte ik al snel de draad weer op. Het was mijn eerste serieuze, maar mislukte stoppoging.
Ik ging ook weer, na lange tijd, bij een voetbalclub trainen. Fanatiek, want ik wilde proberen een oude jeugddroom te realiseren: voetballen in het eerste elftal. Twee keer in de week trainde ik, in het weekend de wedstrijd en daartussendoor deed ik ook nog eens conditietraining op een sportschool. Ik was nu zo gezond bezig dat ik het roken moeiteloos een paar maanden opzij zette. Ik was er dus nog niet zo verslaafd aan geraakt. Die filtersigaretten en de door mij te strak of te los gedraaide shagjes waren al snel weer vergeten.
De eerste wedstrijden speelde ik met veel plezier in het lagere elftal, maar doordeweeks oefende ik gedisciplineerd met het hogere elftal mee. De intensieve arbeid moest mijn verborgen talent naar de oppervlakte kunnen brengen.
Op het veld waren de krijtstrepen al uitgezet en in het groeiende gras werd een stijgende lijn zichtbaar. De trainingen kon ik voortaan qua uithoudingsvermogen moeiteloos afwerken, maar de techniek moest nog bijgeschaafd worden. Ik had tenslotte al jaren niet meer in clubverband gevoetbald. De bal bleef nog niet altijd aan mijn voeten plakken en vaak rende ik tevergeefs de vrije ruimte in.
Onvermoeibaar zwoegde ik over de velden, met de longen van een paard had ik wel een ijzersterke conditie opgebouwd. In de oefenwedstrijdjes op een half veld daarentegen kon ik me technisch beter ontplooien, want daar had ik meer balbezit. Vooral in de partijtjes van zes tegen zes groeide ik in mijn eigendunk uit tot een spelbepalende speler, die de balbehandeling onder controle had en het overzicht om een slimme steekpass te geven. Ik was een goede verdediger, maar verkoos liever de aanval en pikte zo nu en dan een goaltje mee.
Wekelijks was er vooruitgang en ik promoveerde naar dat hogere elftal om de echte duels te gaan spelen. Meteen in de eerste wedstrijd scoorde ik, maar daarna ging het mis. Ik stond vaak reserve en zag jongens spelen die nooit kwamen trainen. Ik vond dat onrechtvaardig. Niet op de training dan ook niet de wedstrijd spelen, was mijn gedachte.
De trainer had hierover andere ideeën en liet mij steeds pas in de tweede helft invallen als we met 2-0 voorstonden. Dat gebeurde een aantal weken achterelkaar: met 2-0 voorsprong erin en dan toch verliezen met 2-3. Ik leed teveel balverlies of stond op de verkeerde plaats, in ieder geval was ik een zwakke schakel in het elftal.
De jongens die niet kwamen trainen, waren veel betere voetballers met meer ervaring. Ik had in de drukte niet de balsnelheid en het overzicht, het spelletje ging te snel voor mij. Hier golden andere, harde wetten. Het geschreeuw van de trainer langs de zijlijn, als ik een fout maakte of niet goed opgesteld stond, werkte op mijn zenuwen en gaf me niet het nodige zelfvertrouwen.
Na een paar maanden had ik er genoeg van, een voetbalheld zou ik nooit worden. Ik had teveel achterstand opgelopen door de jarenlange onderbreking. Ik was teleurgesteld, de ideeën van de trainer vond ik maar niks, de zin om verder te gaan was verdwenen. Ik stopte ermee en begon opnieuw te roken.
Een jaar later moest ik in dienst en daar in het leger werd het vuurtje pas echt aangestookt. Soldatenjongens onder elkaar, puberaal gedrag, stoer doen; het leger was een echte kweekvijver waar het aantal sigaretten vermeerderden als kuit, geschoten door een stel opgefokte vissen. Een rivier waar je normaal af en toe een visje in ziet en dáár zag je een hele school. Ik was zo’n exemplaar in de school van het leger. Een zalm die de onbekende rivier opzwom tegen de stroom in. Mijn jonge vlees gevangen in de nutteloze discipline van de krijgsmacht tussen de andere onvolgroeide eitjes om samen op bevel het eigen vlees te roken. Gerookte zalm, gerookt vlees, gerookte ingewanden; het gaat langer mee, zeggen ze, bederft niet zo snel. Ingeblikt dan, als noodrantsoen!
Eén oefening zit nog vers in het geheugen: een lange uitputtende mars op die hoge legerkistjes en met zware bepakking. Schuttersputjes graven, camoufleren, bivakkeren, noodrantsoen, geweer presenteren; het zat er allemaal bij, het leek wel oorlogstijd. Voordat de zware tocht begon, na een dropping, waren we al helemaal paraat. De meesten hadden een hekel aan die marsen, maar ik vond het wel spannend en avontuurlijk.
We vertrokken gedreven, in de maat, met ferme pas. Af en toe een stoppauze om de kaart te lezen, in het noodpakket dat we meezeulden ontbraken geen sigaretten. Kilometers extra hebben we gelopen, omdat de minuten opgingen aan het roken en we daardoor tijd tekort kwamen om de route fatsoenlijk te bestuderen. We gingen verder, maakten vuur in een zelf gegraven kuil, warmden eten uit blik op en staken daarna een laatste peukje aan. Want het was al haast donker en dan mocht er geen vuur meer gemaakt worden, de vijand uit het Oosten zou ons van verre kunnen zien. Een vlammetje van een aansteker zag je ‘s nacht reeds van grote afstand en daarbij zou ook het gemaakte geluid goed te horen zijn.
Zonder te dampen nu liepen we met de steeds zwaarder wordende lasten verder door het zwarte bos. Zweetdruppels gleden langs de bandjes van de met takken versierde helmen, over zwartgemaakte getergde gezichten. De riempjes van de zware rugzakken klemden zenuwen en bloedvaten af. Eindeloos ging de tocht in de nacht door, zonder slaap. We verlangden naar een sigaret maar dat mocht niet, het gevaar loerde op onzichtbare plaatsen. De vijand liet zich niet zien. Het is onvoorstelbaar hoe lang een mens wel niet kan lopen. Het begon weer licht te worden.
‘Nog één kilometer’, schreeuwde de korporaal om ons aan te moedigen. De vijand had schijnbaar geen oren. Nog één kilometer en we konden in onze slaapzakken duiken. We liepen door over zanderige paden, het kon niet lang meer duren of het eindpunt was bereikt.
‘Nog één kilometer’, klonk het nogmaals, alweer een paar kilometer verder. In de verte zag ik in de met dauw omgeven weilanden een stel legertenten oprijzen. Blij, vermoeid, daar was het eindpunt, gelukkig. Eindelijk een einde aan die lange mars, maar toen ik dichterbij kwam, bleken de tenten struiken te zijn. Hoe kon ik daar tenten in gezien hebben? Een vermoeide, misleidende geest? Hield ik mezelf voor de gek? Een fata morgana of waren het ontwenningsverschijnselen van een nacht niet roken?
‘Nog één kilometer’, schreeuwde de korporaal voor de laatste keer.
Het begin van de diensttijd stond in het teken van de koppen drillen in een tempo waarbij de scherpte ontbrak; de vijand had tenslotte al zolang niet meer van zich laten horen. De lessen werden veelvuldig onderbroken door een ‘peukenpauze’, dan was er even ‘tiet veur un pafke’. De sigaret leek in dienst een goed middel om de verveling te verdrijven, om de slaapmakende stof uit de bollen te blazen.
Het verdere verloop in dienst werd met de dag saaier en hoe meer de verveling toesloeg, hoe meer tijd er voor een peuk was. De een stak de ander aan, haast iedereen rookte zoals haast iedereen een baret op had.
Later kwam ik bij de geneeskundige troepen en leerde wat te doen met een gewonde soldaat.
‘Stel hem gerust, kalmeer hem, geef hem een sigaret’, stond in het handboek. Vervolgens gingen we met vier personen een pseudo-gewonde soldaat op een brancard vervoeren over het hele traject van de stormbaan. Ook ik kwam aan de beurt om slachtoffer te spelen. Machteloos lag ik met riemen aan het draagbaar vastgebonden, vertrouwend op mijn maten die me onder het laag gespannen prikkeldraad, door buizen, steil omhoog langs moeilijke klimwanden en over gladde bemoste ronde balkjes op hoogtevreesniveau vervoerde. Overgeleverd en hopend niet gewond te geraken. Waanzin! Hadden ze niets beters te doen.
Ik speelde voortaan geregeld om het uur met mijn aansteker; ik was ingeburgerd. De shagjes kon ik perfect rollen, er was genoeg tijd geweest om dat te leren. Wachtlopen, voor de tiende keer de viertonner schilderen: het was allemaal zo zinloos en vervelend. Het was wachten op het weekend. Alhoewel, ’s avonds was het best leuk. Een bioscoopje pikken of biljarten, beneden in de bar een biertje drinken of met een stel maten een stukje hardlopen. Het ging moeizaam, de conditie had heel wat te lijden gehad.
Veel goeds heeft de diensttijd me dus niet gebracht. Het was een noodzakelijk kwaad voor mijn ontwikkeling, een fase in het leven die ik uit moest zitten. Gelukkig brak er geen oorlog uit en zwaaide ik na veertien maanden gewoon af.
Door de levenswijze in het leger was de rookverslaving nog dieper in mijn hersens gegrift dan voorheen. Ongewild was ik meegegaan in de massa zonder vrije wil. Ik had het niet verder kunnen brengen dan tot de rang van soldaat en door die rookopleiding daar mocht ik nu als burger de staatskas blijven spekken. De regering zou nog jaren van mij kunnen profiteren via de belastingaccijnzen op tabak.
Achteraf gezien waren het twee gevangenissen. Die van de kazerne met bevelen, plichten en onvrijheden. De ander was de rookverslaving die de eerste gevangenis nog verergerde, de verveling groter maakte en het wachten langer liet duren.
Ja, roken, dat was pas oorlog, daarvoor moest ik in dienst.