Na mijn dienst ging ik met mijn vrouw samenwonen. Langzaam werd de levenswijze gezonder en kwam er regelmaat in mijn leven. Geleidelijk ging ik de hoeveelheid shag afbouwen, als ik weinig rookte voelde ik me veel beter. Er waren wel eens uitspattingen waarbij ik mijn discipline vergat, maar over het algemeen lette ik goed op dat de buil niet te snel leeg raakte.
Ik ging vaker hardlopen, kweekte aan een ijzeren discipline, en de wil om met regelmaat te trainen werd sterker. Een gezonde geest in een gezond lichaam. Een andere wil was om de sigaret langzaam te laten verdwijnen. Het was tegenstrijdig: een gezonde sportman die anderzijds de opgebouwde conditie tenietdeed. Ik was helemaal niet het type waarvan je dacht: ‘die draagt een aansteker bij zich’. Eigenlijk paste die buil shag niet bij mijn karakter; het was een loden last, maar toch wist ik niet hoe te stoppen.
Tijdens een weekje in Zeeland had ik het nog eens geprobeerd. Een boekje over hoe te stoppen met roken moest me deze keer helpen het vol te houden. Iedere dag las ik er even in; het stimuleerde me om de dag goed te beginnen. Ik was clean, de gezonde zeelucht waaide mijn longen schoon, mijn geest nam de aard van het boekje over.
Als ik ontspannen in alle vroegte urenlang langs de vloedlijn liep, was ik in gedachte geen roker meer. Ik genoot onbevangen van de warme zon op mijn bast, de gezonde zeewind langs mijn haren, de met zuivere teugen circulerende ademhaling; kon het altijd maar zo blijven. In vrijheid kostte het weinig moeite om geen gasvormige rotzooi in te nemen, maar langer dan twee weken kon ik het niet volhouden.
De vakantie bleef niet voortduren en thuis of op het werk kwam er altijd een slecht moment. De laatste loodjes drukten dan te hevig op mijn gestel, het slechte moment deed de rest. Het lood was zo zwaar geworden dat ik door de knieën zakte. Het slechte moment op gang gebracht door de gedachte eraan, de gedachte die uitgroeide naar een dwanggedachte en alle andere gedachten verdreef. De dictator die niet volledig uitgeroeid was en verscholen onder mijn hersenpan een sterk heerser bleek te zijn. Als ik niet naar de nicotine kwam, kwam de nicotine wel naar mij.
Eén trekje, en alle gedane inspanningen bleken voor niets te zijn geweest. Het lood verdween en het werd licht in mijn hoofd. Het boekje had zijn daadkracht verloren. Eén zwak ogenblik en ik was niet meer te stoppen. Eén keer in de fout gaan en ik was weer verkocht. Eén misstap, één sigaretje en heel het mechanisme kwam opnieuw in werking. Als een programma van een wasmachine, waarbij de trommel niet meer te stoppen is als de startknop eenmaal is ingedrukt. Eén foutje in mij bleef telkens die startknop indrukken.
Ik bleef zelf programma’s ontwikkelen om te minderen. Beperkte vaak de inname tot vijf sigaretten per dag, een rantsoen waar ik de dag mee door moest komen. Een ander programma was dat ik alleen ’s avonds rookte of een keer een dag oversloeg. Op zondag, de rustdag die ik gebruikte om te hardlopen, raakte ik vaak helemaal geen sigaret aan. Ik bleef zoeken naar het juiste programma. Ik bleef lopen om die vijf sigaretjes uit te zweten. Mijn conditie begon ontzettend goed te worden.
Dat ik bij tijden minder rookte dan gebruikelijk betekende niet dat ik minder verslaafd was. Voor de buitenwacht leek het dat ik niet zo afhankelijk was van sigaretten, omdat ik er niet zoveel verbruikte. Het leek of ik vrij stabiel door het leven ging, als een fietser van een berg afgleed met de gelijkmatige snelheid van een slee, maar in feite hield ik voortdurend de handremmen dichtgeknepen om niet te hard te gaan, om niet voortijdig in het ravijn te storten.
Mijn fiets was niet geschikt voor grote snelheden. Mijn ketting had ook olie nodig, de nicotine, net zoals de fiets van een kettingroker die onafgebroken gesmeerd en soepel door het leven gaat. Ik oliede te weinig, het wiel dreigde vast te lopen, onvoldoende vet vermengd met modder liet de ketting kraken, de schokdempers waren uit hun evenwicht gebracht. De remblokjes begonnen meer en meer te piepen en er was veel kracht nodig om niet teveel te roken.
Bij die lage snelheid raakten de remblokjes oververhit en moest ik ze nu en dan loslaten waarna ik hard van de berg demarreerde. De hoge snelheid op de rammelende fiets liet me het gevaar zien; ik zag afgeknapte takken en overstekende eendjes in gedachten op mijn weg verschijnen. Paniekerig kneep ik in de handgrepen om een roekeloze manoeuvre te voorkomen en pas bij lage snelheid opkijkend, de fiets onder controle, zag ik voor me uit, de steile weg bergopwaarts opduiken. Een nieuwe zwaar te nemen hindernis waarbij het beter was geweest hem met meer snelheid te lijf te gaan in plaats van af te remmen.
We kregen binnen dertig maanden onze twee kinderen. Mijn vrouw stopte met roken tijdens de eerste zwangerschap, ogenschijnlijk moeiteloos, begon opnieuw en stopte definitief bij de tweede. Ik kon het niet, ook al had ik mijn best gedaan, ik was er blijkbaar niet klaar voor. Het werk vergde veel van me, ik had het ontzettend druk, studeerde er ook nog bij, moest werkverslagen maken, en het nieuwe gezin had aandacht nodig. Stress! Nee, nu kon ik mijn shagje nog niet missen. Wel probeerde ik het onder controle te houden, zodat ik er over een tijdje moeiteloos mee kon stoppen. Geheel zonder kon niet, dan werkte mijn hersenen niet in deze situatie. Eerst moest het maar rustiger worden. Ik was nog jong en had nergens last van, ik was kerngezond, kon urenlang hardlopen zonder moe te worden.
Niet alleen hardlopen bekoorde me, ook een fikse wandeling deed me goed. Vooral de langeafstandswandeling. De marsen in dienst hadden een deur geopend. Uren achter elkaar lopen vond ik een waar genot, maar dan wel op sportschoenen en niet op legerkistjes. Daarom wilde ik de Kennedymars lopen. De afstand was een uitdaging, een niet gemakkelijk te nemen hindernis. Ik wilde voelen wat het gevolg zou zijn van deze wandeling van tachtig kilometer.
Hoe zou ik emotioneel reageren op deze uitputtingsslag? Kon ik het aan en de hele rit uitzingen? Ik zou trots op mezelf zijn zo’n prestatie te leveren. In ieder geval moest ik het meemaken om het te ervaren. Ik had wel een aantal keer getraind, maar niet echt fanatiek omdat de conditie toch al goed was. Wandelen en hardlopen bleken achteraf twee verschillende sporten te zijn waarbij andere spieren gebruikt worden.
De Kennedymars startte om tien uur ‘s avonds ergens in de zomer van 1992. Een halve week ervoor had ik de shag opzij gezet, want ik zou veel zuurstof nodig hebben voor deze tocht. Zo herinnerde ik me een zanger uit mijn diensttijd die voor zijn optredens gewoon een paar weken niet rookte om zijn stem optimaal te laten klinken. En als hij gezongen had, kwam de shagbuil weer tevoorschijn. Schijnbaar moeiteloos een tijdje zonder, bij mij werkte dat zo niet. In gedachte was ik niet echt gestopt, het was een opoffering voor deze ultieme uitdaging. Wie weet, als ik de wil had de tocht succesvol te beëindigen, dan kon ik het alsnog voorgoed achter me laten.
Met een collega van mijn werk, de afdelingschef, begon ik aan de uitdaging. Het looptempo was direct hoog, maar het ging lekker. De eerste paar uur liepen we samen met ferme pas door de feestende dorpen. Na twintig kilometer wandelen werden de nachtelijke wegen rustiger en meer afgelegen. Er heerste een vrolijke sfeer onder de wandelaars, soms kwamen met gemak kwebbelende groepjes rokende mensen ons voorbij, schijnbaar zonder enige hinder van hun sigaretten te ondervinden. Jaloers dacht ik aan mijn eigen opgelegde beperkingen. Waarom deed ik dat? Kon ik dan nooit eens genieten?
Mijn blik richtte zich weer op oneindig, ik had een taak te volbrengen. Hulpposten op de route wakkerden het avontuurlijke karakter van de mars aan, het waren mijlpalen waarmee ik de tocht in stukken kon delen. Na dertig kilometer kon ik mijn collega niet meer bijbenen en besloot rustiger aan te doen, anders zou het gauw einde oefening betekenen. Nu alleen wandelend, zonder de gezellige gespreksafleiding, kwamen de gedachten aan sigaretten opnieuw in mijn hoofd spoken. Ik moest me niet laten afleiden, mijn eigen tempo blijven lopen, de ene voet na de andere, ik was nog niet eens op de helft. Ondertussen was de nacht al een flink eind gevorderd en de dwanggedachten nestelden zich in de kruin van mijn hoofd. Langs de boerenwegen waren fanatieke toeschouwers nog actief met aanmoedigingen, gezeten op campingstoeltjes met thermoskannen koffie, een biertje en een sigaretje in de hand. Dan passeerde ik weer een dorpskern met speciaal voor deze dag opgebouwde feesttenten met luide muziek en stromend bier en de geur van rook. Ondertussen liep ik maar voort, geen idee van de al afgelegde afstand, en balend van mijn onthoudingen. Een grote tent verscheen met het bordje veertig kilometer; hier kon ik eten, drinken en mijn voeten laten verzorgen. Ik had geen last van blaren, maar dat bordje viel tegen. Ik had het idee dat ik al zestig kilometer had afgelegd.
Na de rustpauze kwam ik moeizaam op gang, het zou niet lang duren of de laatste loodjes zouden zwaar gaan wegen. De spieren moesten opnieuw in actie komen, het ritme diende hervonden te worden. Ik liep nu in een verlaten bebost gebied in het laatste uur van de nacht. De weg was lang en saai, niemand die mij aanmoedigde. Waar was ik in hemelsnaam mee bezig? Het begon licht te worden en de gemiste nachtrust werd voelbaar. Ik had nog steeds zin in een sigaret, dat ging niet meer weg. De benen voelden loodzwaar aan, ongetraind voor deze afstand bewogen ze niet meer zo soepel. Ik was veel te snel van start gegaan, dat brak nu op. De kuiten waren verkrampt, bovenbenen en heupen voelden pijnlijk aan.
Na zestig kilometer werd het nog erger, ik strompelde als een niet meer zo fitte bejaarde. Ook mijn bovenbeenspieren en heupen waren volledig verstijfd waardoor ik mijn benen nauwelijks vooruit kon zwaaien. Bezemwagens kwamen voorbij gereden met daarin de afvallers om ze naar het eindpunt te vervoeren. Eigenlijk kon ik niet verder, dit was gekkenwerk, maar mijn hand wilde nog geen seintje geven aan de chauffeur van het busje. Hoe ik ook mijn best deed, ik kon me nauwelijks voortbewegen met die verkrampte loden pootjes. Langs de kant zei een toeschouwer: ‘Stel je niet zo aan, loop toch normaal’, maar die stond er zelf als een zoutzak bij. Van weinig respect getuigend zonder zelf iets uit te voeren, vergeleek hij mij schijnbaar met de betere deelnemers. Vernietigend keek ik de man aan, maar de vastgelopen heupen voelden zo pijnlijk aan dat ik geen geschikt antwoord wist te verzinnen. Koppig stoorde ik geen bezemwagens, maar belandde op een terras waar ik een lekkere goudgele pint bestelde en een pak shag kocht, vastbesloten om met lopen op te houden. Dat pilsje en sigaretje waren mijn redding, ze smeerden en koelden als olie de verhitte en te strak aangetrokken motoronderdelen. Ineens was ik ontspannen en die immense stijfheid verdween voor een groot gedeelte uit mijn lijf. De harde plank kon weer gebogen worden. Ik probeerde een stukje en het ging. Wat er ook mocht gebeuren, die laatste twintig kilometer zou ik uitlopen.
Met volle moed ging ik weer aan de slag, de benen soepel opheffend. Onderweg nam ik nog een shagje, het wondermedicijn, het kon geen kwaad meer doen. Het begon ondertussen aardig warm en zonnig te worden, het leek of ik aan een andere race was begonnen. Ik kon weer normaal lopen, het voelde alleen een beetje stijfjes. Ik liep langs het parkeerterrein waar mijn auto stond, tien kilometer voor het einde. Leuk bedacht, vond ik zelf, een ontsnappingsmogelijkheid als het grootste deel achter de rug was. Als ik die shag niet had gehad, was ik hier opgehouden en regelrecht naar huis gereden. Nu ging ik door, op weg naar de finish. Rond de klok van drie passeerde ik tenslotte moe en voldaan de eindstreep. Blij nam ik op het terras nog een pils en een sigaret. Al vroeg op de avond, na het eten, viel ik als een blok in slaap. Niet vreemd, ik had zeventien uur achter elkaar gelopen.
Ik was benieuwd hoe het mijn collega was vergaan. Hij had de mars niet uitgelopen, hoorde ik de volgende dag op mijn werk. De te snelle start had ook zijn spieren lam gelegd en noodgedwongen had hij de bezemwagen moeten nemen. Hij rookte niet, dus mijn techniek met de sigaret zou hem niet geholpen hebben. Hij was zelf niet op het werk aanwezig, van tevoren had hij die maandag vrijgenomen als rustdag om te herstellen. En ik kwam wel werken met benen die de vorm van de onbuigzame plank hadden aangenomen, maar trots met een medaille. Dat heeft hij de hele week moeten horen van de andere collega’s. Hij als afdelingschef had het niet gehaald en een dag vrijgenomen en ik, een paar treden lager op de maatschappelijke ladder, had wel gepresteerd en was ook nog eens komen werken.