Longontsteking
Wie niet luisteren wil moet maar voelen. Duidelijker kon de boodschap niet zijn. Een maand geleden dacht ik dat ik weer de griep kreeg, de vorige had ik waarschijnlijk niet voldoende uitgeziekt. Ik had spierpijn over mijn hele lichaam. Daarnaast deed mijn voet pijn, waarvoor ik naar de dokter zou gaan. Kortom: ik voelde me ellendig.
Hoewel ik me niet best voelde, rookte ik die dag toch nog één sigaret, een laatste shagje voordat ik naar buiten ging. De koorts kwam vanaf toen versneld opzetten. Ineens voelde ik me ontzettend belabberd, de wandeling naar huis was erbarmelijk zwaar. Ik dook onmiddellijk onder de wol, te ziek om nog iets te doen.
Heel het weekend bleef ik koorts houden en ‘s maandags ging ik naar de dokter. Longontsteking, constateerde hij, een bacteriële infectie in de longen. Pure pech, het kon ieder gezond persoon overkomen. Een moment van mindere weerstand waarbij bacteriën de longen waren binnengedrongen. Of het door het roken kwam, vroeg ik niet, ik was te ziek om het te vragen.
De pillenkuur sloeg helemaal niet aan, de koorts bleef, ik had hoofdpijn en sliep haast niet van het hoesten. Een sigaret zou het hoesten maar verergeren, dat kon ik mezelf niet aandoen.
’s Woensdags kwam ik terug bij de dokter. Hij beluisterde me nogmaals met de stethoscoop, het was slechter geworden. Ruis, vocht in de longen. De infectie was erger geworden en ik kreeg een penicillinekuur. Gemene, grote gele pillen die wel hielpen, ik was over het dieptepunt heen. De koorts had bijna zes dagen geduurd en toen deze weg was werd het hoesten nog erger. De rotzooi moest het lichaam nog uit, dode bacteriën werden door het lichaam opgeruimd.
Vrijdags had ik een controle bij een andere dokter. De gevolgen van de longontsteking kon hij duidelijk horen.
‘En dat bij zo’n jonge kerel’, zei hij verbaasd. ‘Opmerkelijk dat die eerst kuur niet hielp, dat komt bij 90% van de gevallen niet voor.’ Ik was de uitzondering en had het flink te pakken gehad. Hij vroeg of ik ooit ernstig ziek was geweest. Nee, ik was altijd gezond geweest. Ook hij vroeg niet of ik rookte.
Ik zei dat mijn longen helemaal niet goed aanvoelden, dat ik het niet vertrouwde. De koorts was weg, dat was goed, de tijd zou de wonden herstellen, voorspelde hij.
De week daarop bleef ik ook thuis. Zolang ik me niet inspande voelde ik me goed, maar de trap oplopen of een klein stukje fietsen vergde het uiterste van mijn conditie. Mijn hart ging dan tekeer als een gek en ik was ontzettend snel moe.
Na twee weken was ik van plan weer te gaan werken, maar ’s maandags voelde ik me helemaal niet goed. De aanslag op de longen was groter geweest dan ik gedacht had. Een paar kleine wandelingen in het weekend waren zelfs teveel geweest.
Uitgeteld en met pijn op de borst ging ik terug naar de dokter. Voor de zekerheid werd in het ziekenhuis een longfoto gemaakt. Zouden mijn longen niet al teveel aangetast zijn, zo benauwd had ik het soms. Gebrek aan lucht, hartkloppingen na een inspanning, vreselijke vermoeidheid en spanningen op de borst deden het ergste vermoeden. Daarbij roken, ik moest er niet aan denken, het zou niets verbeteren. Die ene sigaret was mijn laatste geweest en ik had er niet eens bewust afscheid van genomen. Onbewust had mijn lichaam dat voor mij gedaan.
Dinsdags moest ik op controle komen bij de arbeidsinspectie en ik mocht van hen nog niet gaan werken.
‘Een longontsteking is een grote aanslag op de longen, zo’n ingewikkeld luchtsysteem heeft tijd nodig om weer optimaal te functioneren’, was hun commentaar. Weer een week thuis om te herstellen. Ik nam me voor kleine karweitjes uit te voeren en beslist geen inspannende fietstochtjes te maken. Heel langzaam, moest ik het opbouwen.
De week daarop mocht ik weer halve dagen gaan werken. Voorzichtig beginnen dus, niets forceren, met een terugval was niemand gebaat.
De uitslag van de longfoto was gelukkig positief, een opluchting, de longen waren schoon. Iedere dag voelde ik wel een lichte verbetering, maar ook had ik wel eens een terugslag. De behoefte om nog te roken was verdwenen, ik had mooi kunnen afkicken in de griepperiode, de koorts had de hunkering naar nicotine doen vergeten.
De eerste drie weken zijn het ergste als je stopt, dat had ik anders nooit kunnen volhouden. Deze keer was het moeiteloos gegaan, ik was thuis, geen stress, geen rook om me heen, enkel beter worden telde en het longsysteem herstellen.
Ik verlangde naar de conditie van vroeger; schadelijke gassen zouden de verzwakte longen beslist niet helpen. Nee, mijn besluit stond vast, ergens in mijn hoofd had ik een knop definitief omgezet. Jarenlang had ik hiervoor gestudeerd en nu was ik voor het examen geslaagd. Het was een moeilijke legpuzzel geweest en nu had ik de laatste stukjes neergelegd; als ik het niet overhoop haalde, was de puzzel af.
Ik gaf de nog in bezit zijnde rookwaren weg, wierp het niet meer als voorheen in een prullenbak. Het weggeven was als een symbolisch gebaar, het getuigde van een vastberadenheid, een wettelijke openbare verklaring: ‘Kijk mij, ik rook niet meer!’
En nu heb ik een maand van herstel achter de rug. Ik adem vrijer, voel me langzaam terugkeren naar de tijd dat ik nog niet rookte. Ik besef dat ik net op tijd gered ben en dat ik volledig zal genezen, ook al lijkt het lang te duren.
Als mij dit op een later tijdstip was overkomen, was het misschien te laat geweest, waren mijn longen te zwak geworden. Nu voel ik me iedere dag sterker worden, ik kom sterker uit de strijd met meer weerstand.
Ik kan me dadelijk weer gaan richten op het hardlopen, op de halve marathon zonder die afbraak van de sigaret. Wat is het heerlijk om niet meer verslaafd te zijn.
Het is niet alleen die schadelijke rook die mijn lichaam aantastte, maar die geestelijke hunkering was net zo erg, die zaaide alleen maar onrust.
Wat een genot om niet meer te roken. Na mijn ziekte is het net of ik een ander mens ben geworden. Andere eigenschappen, nieuwe gewoonten en de energie begint terug te komen.
Ik voel me een wondermens die twintig jaar lang vergiftigd is geweest, iedere dag uit de gifbeker dronk, en ondanks alles het heeft overleefd.
Na de bevrijding heb ik de energie van een jongeling met nieuwe mogelijkheden, de toekomst gloort me tegemoet. Obstakels zullen moeiteloos overwonnen worden met een onverzettelijke kracht.
In de rookperiode leken hindernissen groter dan ze waren. De daadkracht werd gesmoord, gedoofd in de as van de sigaret. De werklust werd onderbroken, plannen verbannen naar een later tijdstip, verstopt onder een masker van rook. Gevoelens werden getroost met een sigaret, emoties gesust en ondergestopt.
Nu weet ik wel beter. De sigaret zelf was het obstakel.
Mei 2004
Het is gelukt, de verandering. Denken en doen, schrijven en dichten. Waar een wil is, is een weg. Goed, ik heb wel een duw in de rug nodig gehad, een flinke, met mijn gezicht lag ik in de modder van het moeras. In de blubber kon ik moeilijk ademhalen, bijna zonk ik weg in de diepte.
En toch had ik dat nodig om uit het slijk te kruipen, een laatste strohalm waaraan ik me kon vastgrijpen, een toevallige boomstam waardoor ik het drijfzand kon verlaten, op eigen kracht bereikte ik weer de harde begaanbare paden. Vaste ondergrond met een regelmatig patroon, geen buitensporige excessen, geen extreme pieken, geen diepe valleien.
Ik ben op weg terug naar vooruit, zoals het vroeger was. Krachtig en energiek. De zon is ook weer terug. Zonder de zon ben ik niets, daar heb ik te weinig reserve voor. Nu pas gaat de kou weg. En ik ben weer gezond. Genezen verklaard. Weg longontsteking! Weg zwakte! Weg verslaving! Weg rook!
Roken? Ik weet niet meer hoe het moet. Het automatisme is uitgeschakeld en de handleiding raadplegen wil ik niet. Natuurlijk denk ik er nog elke dag aan, maar toch verdwijnt het langzaam uit mijn leven. Ik kan nu goed zonder.
Alleen vandaag had ik een moeilijk moment wegens een weekendje weg naar Zeeland. Ik was moe van het werk en had nog niets voorbereid. Haastig de spullen inpakkend zonder precies te weten wat mee te nemen, riep ik opeens gestrest uit: ‘Ik kan maar beter weer gaan roken.’ Als ik niet ziek was geweest had ik het nog gedaan ook, de vervlogen gewoonte om de rust te laten wederkeren.
Het zijn momentopnames die niet vaak meer voorkomen. Een ogenblik later is alles weer goed, de storm in mijn hoofd is uit vrije wil gaan liggen. Een laatste valkuil zit dus nog in mijn hersenen, die mij probeert wijs te maken dat een sigaret alle moeilijkheden wegneemt.
Waarom van geen probleem een probleem maken? Volgens mij ben ikzelf het grootste probleem, nog niet helemaal gewend dat vroegere associaties, verbonden met roken, nog steeds aangeleerde gedragingen oproepen. Dat ik jarenlang de sigaret als maatje heb beschouwd waarop ik kon terugvallen bij problemen, als hulpmiddel om overtollige emoties kwijt te kunnen. Als ik me rot voelde kon ik de sigaret de schuld geven.
Als ik me nu rot voel, is er een gemis, een leegte. Nu ik niet meer rook, is er soms een leeg gevoel, zoiets als van ‘wat moet ik nu?’ Het leeg gevoel is als een goed glas melk, maar het glas is nog niet gevuld. Ik heb dorst en de melk is op. De winkels zijn dicht, ik kan geen melk drinken, maar ik heb dat nodig. Om het leeg gevoelprobleem op te lossen moet de software in mijn brein aangepast worden, maar een nieuw programma schrijven vergt nu eenmaal de nodige tijd. Ondertussen drink ik water, dat is ook lekker.
Aangeleerd gedrag om bij tegenslag, verdriet of geluk een sigaret op te steken, is niet één, twee, drie afgeleerd. Op elk gebied moet de data overgeschreven worden. Als ik een situatie eenmaal heb meegemaakt, wordt de associatie met de sigaret uit het geheugen gezet. Bij een volgend weekendje weg zal ik geen problemen meer hebben. Het glas is weer gevuld met volle melk.
De moraal van dit verhaal is, dat het ongenoegen slechts momenten zijn waarbij ik niets hoef te doen. Laat het maar over me heen gaan, ze verdwijnen weer vanzelf en worden overgeschreven door goede gedachten. De rookgedachten gaan de prullenbak in, en die wordt regelmatig geleegd. De verslaving is gelukkig voorbij, ik besef nog niet helemaal wat een geweldige overwinning dat is. De leegte wordt vanzelf gevuld met andere bezigheden.
Een leegte geeft me een rot gevoel. Ik moet iets en het is er niet meer. Het sein om te roken galmt nog in mijn bovenkamer, alsof iemand vergeten is het uit te doen. Een signaal is afgegeven, maar de handeling wordt niet uitgevoerd. De reactie kan niet uitblijven. Een leegte verschijnt dat een gevoel van onbehagen oproept. Ik begrijp het. De hersenen hebben tijd nodig de verandering te accepteren.
Als een been afgezet is, kan de voet ervan blijven jeuken. Het geheugen vergeet het rookgedrag evenmin, het is nog niet van de harde schijf gewist. De krassen van het roken staan diep gegrift op de hersenplaat, als op een elpee. Wanneer het lied afgespeeld wordt, blijven de storende fouten hoorbaar. Het zelfherstellende vermogen van het brein vermindert de krassen waardoor het geluid steeds beter gaat klinken. Het is een beetje vals, er moet nog aan gewerkt worden. De herinneringen liggen in stukjes in het brein opgeslagen. Vuiltjes die langzaam aan de oppervlakte verschijnen en weggeveegd worden. Het lege gevoel is aan het slijten.
Het lege gevoel is ook maar suggestie en zal uiteindelijk verdwijnen. Zoals ook de sigaret aanvankelijk op suggestie berustte en in rook opgegaan is.
In de beginjaren had ik nog vertrouwen in de stimulerende werking van tabak. Het leven was er opwindender en leuker door geworden, dacht ik. De sigaret had me zelfvertrouwen gegeven. Ik voelde me er goed bij en geloofde zelfs dat ik het lekker vond.
Nu weet ik wel beter. Het was suggestie, ik gebruikte een nepmiddel om in mezelf te geloven. De sigaret was een amulet. Wanneer ik mijn pakje in de borstzak had, kon mij niets overkomen, alsof ik er onzichtbaar door was geworden. Een sigaret was een pepmiddel, het maakte mijn tong losser waardoor ik bergen kon verzetten. Met dit wondermiddel kon ik zo sterk worden als Popeye, maar oh wee als de spinazie uitgewerkt was...
Toen ik later minder spinazie ging eten, zag ik dat het illusie was. Ik hield mezelf voor de gek. Een sigaret had de werking van een placebo, een pilletje zonder inhoud dat enkel werkte omdat ik erin geloofde.
De suggestie is een psychologisch aspect van de verslaving om het gedrag te rechtvaardigen. Het verdraait de werkelijkheid: roken is niet lekker, het geeft geen extra krachten. Het was ronduit smerig. Er moest een geldige reden zijn. Waarom deed ik het anders? Het is een verschrikkelijke verslaving waarbij ik mezelf voor de gek hield. Toch was er een hele tweestrijd nodig om het uit te bannen.
Mijn leven is veranderd, maar voelbaar ben ik geen beter of gezonder mens geworden. Het lijkt eerder of ik in een andere ritme leef. Het verzet is weg.
Het ergste van alles is dat ik sinds maanden niet kan hardlopen wegens een pijnlijke voet. Juist nu ik niet meer rook, was het mooi geweest als ik volop kon trainen. Het is waarschijnlijk de bedoeling dat ik moet lijden om straks beter te kunnen genieten.
Lichamelijk heb ik enige schade van de longontsteking opgelopen, ik heb minder lucht dan voorheen en ik ben kwetsbaarder, mijn hartslag is nog te hoog. Ik vraag me af of die longontsteking niet het gevolg was van het roken en dat door al die stoppogingen de weerstand van mijn longen was ontregeld. De weerstandmachine wist tenslotte ook niet wanneer ik wel of niet de uitlaatgassen binnenliet. Het beschermingsschild was dan te dik, dan te dun. De beveiliging was niet meer goed.
Ik weet nog niet goed hoe met de verandering om te gaan. In het sigarettentijdperk besefte ik dat het niet goed voor mij was. Ik kwam in opstand, vocht om kwalijke indringers onschadelijk te maken, sportte volop om mijn longen te laten herstellen, zweette om de geïnhaleerde stoffen te verwijderen. En nu is er rust en vrede, geen gevecht meer. Niet constant de gedachte aan een sigaret. Soms, als ik het in een film zie, krijg ik nog wel eens zin. Ik mis het gevecht.
Ook in het hol van de leeuw, het Mekka van rokersland waar ik vroeger lustig aan meedeed, vecht ik niet. Nu weet ik het zeker: ik ben resistent geworden, immuun voor het rookgeweld.
Ik zie dat alle aanwezigen de sigaret binnen handbereik hebben liggen. Dat zij elkaar aansteken, dat het vuur oplaait, dat de vlammen heftiger worden. En ik heb het onder controle, ik ben ontsnapt, genezen. Het deert me niet meer, ik vind het niet lekker ruiken, maar ik heb er ook geen last van.
Zelfs met wat biertjes op kom ik niet in de verleiding. Ik registreer het wel, de handelingen, de gewoonte, het geknoei van tabak, de inhalering, de rook die langzaam uit gaten tevoorschijn komt.
De rookgeschiedenis sterft langzaam in mij weg, ik raak steeds verder verwijderd van de put. Het is, zoals de konijnenpopulatie, langzaam aan het uitsterven. Enkel op sommige plaatsen woekert het nog, maar in het totaalbeeld is de rook aan het vervliegen. Kijk maar naar de film: hoe meer tabak, hoe ouder de film.
Het gaat nu wat beter met mijn voet, een spuit bij de dokter heeft goed geholpen. Ik ben zelfs met hardlopen begonnen. De spieren zijn het niet meer gewend, ik loop wat ongemakkelijk en kreupel. De voet is wel gevoelig, maar die ontstekingspijn is weg. Een hele verbetering, want een paar weken geleden kon ik niet meer behoorlijk lopen. Deed ik alles met de fiets, omdat wandelen niet meer ging.
Mijn longen zijn hersteld, ik heb het nog vaak benauwd gehad. Met het hardlopen had ik vroeger een betere conditie, ook al rookte ik. Toch is het een geluk geweest dat ik een longontsteking heb gehad, anders was ik er nooit van afgekomen. Het was te schadelijk voor mij, tegen dat gif was ik niet bestand.
Toch lukte het me niet om ermee te stoppen, maar toen het ademen niet meer wilde lukken, lukte het wel. Nu is het voor mij een opluchting, ik functioneer veel beter. Gelukkig is het nu verleden tijd.
Ik heb de laatste tijd hard gewerkt om lichamelijk sterker te worden. Hardlopen ging nog niet, maar ik heb veel gefietst. Gefietst om de kracht terug te krijgen die ik vroeger had. Ik ben door de pijn heen gegaan om conditie op te bouwen, zoals vroeger bij de eerste voetbaltrainingen aan het begin van het seizoen. Spierpijn! Na weken van harde arbeid kom ik langzaam maar zeker weer in het ritme en in goede conditie. Fietsen is echter geen hardlopen. Het zweet van het hardlopen komt uit diepere poriën.
Augustus 2004
De zomer is niet fantastisch. Op het laatste nippertje hebben we een huisje gehuurd in de Belgische Ardennen en ik heb mijn sportfiets meegenomen. Het poetsen van de afgelopen maanden, het lichamelijk geploeter op de fiets hebben de inwendige roest doen verdwijnen. De teer is opgelost, de ketting loopt gesmeerd en de banden zijn hard opgepompt. De fiets lonkt blinkend in het panorama van weidse vergezichten, de velgen schitteren uitnodigend om een ritje te gaan maken.
De omgeving is interessant. Het huisje ligt hoog boven de Maas, in de verte glanst het blauw tussen de in de oertijd omhooggeduwde granieten rotswanden. De uitsteeksels zijn niet te vergelijken met de bergtoppen van de Alpen, maar de heuvels bezitten nochtans een steilte waarvan je achteroverslaat, vooral de toerist uit het vlakke land. De wegen rondom de rivier hebben een flink stijgingspercentage. Ook al is het geen Zwitserland, op de fiets lijkt het er wel een beetje op. Het is hier ook een sportief vakantiegebied. Alpinisten beklimmen de hoge rotsen boven de Maas, honderden meters onder hen peddelen kanovaarders, en de wegen van het miniberglandschap zijn drukbezet met ijverige wielrenners. Ook voor de recreantfietser zoals ik is het een perfect terrein, omdat de vlakke asfaltwegen langs het water afgewisseld worden met het zwaardere werk in de heuvels.
Ondanks dat ik de ferme hoogteverschillen op de fiets niet gewend ben, ben ik vast van plan na de sigaret ook deze hindernis te bedwingen. Zwoegend zal ik de berg op gaan, een stap voorwaarts richting de top waarbij de conditie naar een hoger niveau getild wordt. En als ik dan achterom kijk zal ik zien dat het rookverleden ver beneden me in het dal ligt.
Bij aankomst kan ik niet langer wachten en bespring onmiddellijk het zadel. Met volle vaart dender ik de steile weg van het park af, kuilen en oneffenheden ontwijkend, het avontuur tegemoet. Als een jonge wielrenner berijd ik elegant en lenig mijn stalen ros, zonder angst ga ik het zelfverzonnen spel van de uitdaging aan. Soepel voorovergebogen, met de handen machtig aan het stuur, storm ik naar beneden, vast van plan de gevaren van de bergen te trotseren.
Verwachtingsvol vooruitkijkend, zonder vrees te verdwalen, hoop ik een onbekende omgeving te ontdekken op de grens van risico en gezond verstand. Een omstandigheid dat pit en uiterste scherpte vereist, even niet opgelet en de gevolgen zijn niet te overzien. Het gevaar loert in de afdaling met deze snelheid. Wat te doen als een rem het begeeft of een remkabel knapt? Gelukkig heb ik er twee.
De wind fluit langs mijn oren, mijn ogen beginnen te tranen, vliegjes spatten uiteen op mijn hoofd. De tijdelijke extase wordt verbroken door piepende remmen en de reis gaat verder bergopwaarts. Een ander verhaal met andere versnellingen: spieren die niet gewend zijn aan deze extreme omstandigheden, tandwielen die nog nooit gebruikt zijn. Uit het niets een loodzware beul die alle lucht uit de longen slaat, lood in de benen pompt, je doet beseffen dat het wel erg stom is om in het beginstuk de berg te beklimmen in plaats van die spieren te laten acclimatiseren en rustig aan te doen.
De weg blijft stijgen en het zweet verschijnt op mijn voorhoofd. De klim gaat nu wel erg zwaar en een piepend geluid vergezelt me. Ik zie dat mijn achterwiel scheef staat en tegen het ijzer aankomt, geen wonder dat het zo moeizaam ging. Het euvel is snel verholpen, staande op de trappers zwoeg ik gestaag en onverzettelijk voort. Even later heb ik het hoogtepunt bereikt en er volgt een ferme afdaling, met een snelheid van zestig kilometer per uur suis ik over de weg. Ik knijp onbewust in de handremmen als ik aan dat achterwiel denk. Even later bereik ik de Maas en fiets over een rustige geasfalteerde weg met het geweldige voordeel dat ie vlak is, het zou zo Nederland kunnen zijn. Alleen de weg, bedoel ik, want het uitzicht bestaat uit rotsen links en rotsen rechts en daartussen het rustgevende brede water. Het geruststellende water met af en toe een vleugje zoutigheid, een vleugje vis en een vleugje stank. Ik zie de vissers aan de kant, de roeibootjes, kano’s en plezierbootjes, volop activiteit. Dit is van je vakantie genieten.
Kleine stipjes in de verte trekken mijn aandacht, alpinisten aan de rotsen, mijn handen vatten onwillekeurig het stuur beter vast. Met het geluid van de banden op het asfalt, de wind langs mijn oren komen mijn gedachten langs het water tot rust. Ik geniet van het pittoreske uitzicht, de late zon die de kale rotsen verlicht en een felgekleurd poppetje in de schijnwerper zet, bungelend aan een touw vervaarlijk op de steile rots. Wat stelt mijn afdaling van zojuist daarbij voor vergeleken met deze alpinist?
Ondertussen gaan de trappers maar op en neer in een trouw cadans; zolang de weg vlak is en ik de wind in de rug heb is er voor vermoeidheid geen plaats meer. Wat ben ik blij dat ik niet meer rook, anders had ik de conditie niet gehad om deze rit te maken. Het fietsen in de bergen doet me beseffen dat ik leef.
Het leven is als een berg. De eerste jaren beginnen in een dal in de beschutting van hoge bomen. Zonder het te beseffen klauter je omhoog. Sporen worden gevormd, de tijd gaat langzaam over in versnelling. Je kruipt hoger en hoger. Er zijn nog weinig bomen op deze grote hoogte. Het wordt kouder. Je moet het alleen doen. Ongemerkt bereik je de top in de kracht van je leven. En dan ga je weer naar beneden zonder te weten dat je het hoogtepunt al bereikt hebt. Tijdens de afdaling is de geest verrijkt. Het gaat gemakkelijker, zo zonder verzet. Het verleden is, verborgen achter de top, niet meer te zien. Een nieuw leven is begonnen.
Het roken was ook een gevaarlijke onderneming, met gevaarlijke afdalingen en bergen die niet geheel beklommen werden, waarvan de top niet gehaald werd. Door de sigaret miste ik de onverzettelijkheid om door te gaan totdat de top bereikt was, halverwege bleef ik steken. Langs kuilen en putten denderde ik telkens de diepte in, een geluk dat het niet fataal afgelopen is. Remkabels die knapten, valpartijen die nog net goed afliepen. Het gevaar van verwoeste longen, gelukkig heb ik er twee. Ik had tegenwind en steil opwaarts moest ik afstappen en te voet de fiets voortduwen. Optimisme deed me weer opstappen. Er ontstonden nieuwe kleine pijntjes die mijn achterwiel ontwrichtte, waardoor ik niet verder kon. Afstappen en repareren, toch telkens weer opstappen. Het werd slechter, de lapmiddelen waren niet bestand tegen de grillige invloeden van de berg. Ik kwam niet meer vooruit, ongemerkt schoof ik naar de rand van de afgrond, ik keek niet achterom. Onverwachts bungelde ik aan een koord aan de rotswand zonder houvast aan de voeten. De gevallene was ineens een alpinist in nood geworden. Niemand die mij zag hangen aan die enorme rotswand. Ver beneden me zag ik een weg met auto’s en fietsers. Voor hen was ik maar een poppetje die in de schaduw van de ondergaande zon niet met het blote oog te zien was. De batterijen van mijn schijnwerper waren leeg en zij keken niet met een verrekijker. Als ik niet gestopt was met roken, was ik zeker neergestort; het touw dat ik met beide handen vastgreep, was de enige weg terug. Ik klom omhoog en bereikte uitgeput de rand van de afgrond.
Nadat ik hersteld was van de longontsteking pakte ik de draad weer op. Ik begon onderaan in het dal en klauterde opnieuw de berg op. Er was geen beschutting van bomen, ik had tegenwind, ik moest het alleen doen. Met het verstand op nul, de blik op oneindig, onverzettelijk, meter na meter, gingen de pedalen rond, ik zette door en bereikte in een moeilijke tijd het punt waar ik voorheen gestrand was. Vanaf hier bleek het moeilijke gedeelte een kleine afstand te zijn, het trappen ging minder zwaar, het werd lichter en ook al dacht ik dat de top nog niet bereikt had: ik versnelde het tempo zonder nog iets te doen. Ik had het gehaald, iets bereikt! Nu wijzer geworden begon ik verstandig aan de afdaling, op tijd gebruikmakend van de remmen. Ik bereikte het vlakke gedeelte en de top zag ik nog wel, maar wat erachter lag kon ik alleen nog uit mijn herinnering opgraven. De wind had ik voortaan in de rug, het fietsen ging gemakkelijk, een nieuw leven was begonnen.
Met de wind in de rug verschijnt even later Dinant, een levendig stadje vol gezelligheid, met winkels en drukbezette terrassen. Het uitzicht biedt een citadel, enkele ruïnes torenen hoog boven de huizen uit, het verdedigingsstadje aan het water doet oude tijden herleven. De zintuigen worden geprikkeld. Het ruikt hierbuiten zo lekker: de geuren van gebakken frites, de goedgevulde glazen bier in combinatie met de rook van sigaretten. Aanbiedingen van dure boottochten prijken op de reclameborden, terrasjes met mosselen en witte wijnen verschijnen.
Ik fiets langs oude paartjes gestoken in deftige kleding die in langzame wandelpas langs de promenade van de Maas voortbewegen, en langs hen op de weg niet sneller voortbewegende in file rijdende auto’s. De stank van uitlaatgassen, rokende mensen op de terrassen, het ruikt niet lekker meer. Ik ga eraan voorbij met mijn superfiets en ik voel me supermachtig. Ik ga met de longen van een paard sneller dan een auto. Eén bonk krachtige spierenbundel die vol leven zijn motor in beweging houdt.
Nog een klein stukje en ik ben weer in het vakantiehuisje. Nog anderhalve kilometer dat één en al klim is, een soort Alpe d’Huez, maar dan in de Belgische Ardennen. In de hoogste of laagste versnelling, ik heb er geen verstand van, ga ik richting boven. In wandeltempo kan ik precies overeind blijven fietsen. Mijn rug steekt aan alle kanten van de pijn.
De laatste halve kilometer gaat ongeveer recht omhoog. ‘Ben je dáár naar boven gefietst?’ vragen ze me na afloop. ‘Kan dat?’ En ik maar zweten op die fiets, naar lucht happen, trappen, klimmen, net niet omvallen. Zo ingespannen, om vooral niet af te stappen, om het tot het einde vol te houden, merk ik even later dat ik op die steile berg te ver ben doorgefietst. Op het zwaarste stuk heb ik een afslag gemist, waardoor ik onnodig in de afdaling moet.
Wat geeft het? De conditie is terug! Gelukkig maar!