Door die extra vrije vrijdag heb ik meer tijd om te gaan hardlopen. Als ik flink train zal mijn conditie acceptabel en mijn lichaam sterk blijven. Hardlopen is een stimulans om beter op mijn gezondheid te letten, het is een middel om mezelf geestelijk en lichamelijk op te beuren. Een steun in de rug om niet teveel te roken.
Door te gaan rennen verschijnen hulpmiddelen voor mijn geestesoog die een overmaat tegengaan: een loep, waarmee ik mezelf grondiger kan aanschouwen; een sensor, die registreert hoe het met de inwendige mens gesteld is; een alarmbel, die waarschuwt wanneer een grens overschreden is. Als ik geblesseerd ben of niet loop, dan vergeet ik die instrumenten. Ik luister niet naar de ontvangen seinen in mijn lichaam. Het beveiligingssysteem is uitgeschakeld. Een inval is een logisch gevolg.
Zelfs de afscherming van een zwaarbewaakt hek is niet afdoende, de nicotine kruipt door de mazen van het gaas. Als een virus, dat uiterst klein en iedere keer in een andere vorm op ongewenste plaatsen opduikt. En daar, te laat wordt opgemerkt om nog de kop te kunnen indrukken. Binnengedrongen, is het in staat zich razendsnel te vermenigvuldigen, de harde kern te ontmantelen en een kettingreactie teweeg te brengen. Kleine onruststokers zijn het, die fel tekeer gaan en pas tot bedaren komen wanneer het rookalarm afgaat. Het sein tot wisseling van de wacht. Het virus wordt in quarantaine geplaatst. Nu beveiligen bewakers strikt het hek, met de sirenes vers in het achterhoofd. De routineklus, die de laatste tijd achteloos werd uitgevoerd, wordt volgens de regels in detail nageleefd. Een frisse wind is overgewaaid en heeft de apparaten in beweging gebracht. Zolang ik in beweging ben, kan de plaag afgewend worden.
Hardlopen, kan die de verslaving verdrijven? De periode voor, tijdens en na het hardlopen rook ik in ieder geval niet. Ik ben maar een vreemde snuiter, ik heb nog nooit een hardloper met een sigaret gezien, ook niet ervoor of erna. Het ene heft het andere ook niet op. Het roken is immers altijd slecht en die slechte eigenschappen kan ik niet wegpoetsen door te sporten.
Mijn favoriete hardloopgebied in de vrije ruimte ligt op loopafstand van mijn huis. Slechts een kleine wandeling langs enkele straten en ik bevind me in een grensstreek, daar waar stad en natuur in elkaar overgaan. Ideaal: ik kan er te voet heen en hoef zo niet tussen de auto’s te sporten. Een grote verkeersrotonde is de laatste hindernis, daarachter staan de oude dikke boomstammen als een hoog opgetrokken muur tussen twee werelden in. In de schaduw van het licht, achter een dicht bladerdek, ligt daarin onopvallend een bospad verscholen. Als een verborgen poort, die me de gelegenheid geeft de benen te laten versnellen.
Het onverharde bospad gaat door een smal strook bos en scheidt de laatste huizen van de stad met een snelweg en leidt naar een uitgestrekt natuurgebied, dat een kilometer verderop begint bij een rij putdeksels. Het bospad van de rotonde tot de laatste put is eigenlijk een overgangsgebied tussen de bewoonde stadse wereld en de natuur met heide en bos, een soort van sluis waar het tempo aangepast kan worden om aan de omstandigheden van deze twee werelden te wennen.
Het bospad is ook het begin- en eindpunt van mijn loopactiviteiten. Ik begin met de warming-up bij de rotonde, doe strekoefeningen en aan het einde van het pad bij een hoogopstaande putdeksel start ik het hardlopen. Hier begint het echte bos, afgewisseld met heide, vennen, verharde fietspaden en weidse vergezichten. Er is ruimte genoeg om iedere keer een andere route te nemen, maar meestal kom ik via die put ook weer terug. De put is een symbolische finishlijn, een einddoel om het laatste stukje nog vol te kunnen houden. Soms sprint ik de laatste honderd meter naar de put. Terug op het bospad blaas ik vervolgens uit, wandel richting huis en doe een aantal strekoefeningen.
Het bospad is de logische toegangsweg naar het natuurgebied, het smalle stuk bos is de hal van een huis, de entree om via de voordeur de huiskamer te bereiken. Ineens was er, van de een op de andere dag, aan het beginpunt bij de rotonde een hek neergezet. Onaangekondigd, zonder iemand te informeren was de poort naar het bos, het bospad, afgesloten door een hekwerk; de voordeur was onverwachts dichtgetimmerd.
Wat bleek? Een particulier had een stuk bosgrond gekocht, dat zich dwars over het bospad uitstrekte, en had het terrein met lelijk gaas afgebakend. De normale toegangsweg was zodoende afgesloten. Bomen zouden gekapt gaan worden en zodoende moest men nu een heel eind omlopen om via de achterdeur in het natuurgebied te komen.
Jarenlang was het een openbaar pad geweest waar de stedelingen hun honden uitlieten of even met de kinderen gingen uitwaaien en nu was dit niet meer mogelijk. Het veroorzaakte opschudding, koppen in de krant, mensen bleven stilstaan bij het hek, dit was niet rechtvaardig. Ik raakte met mensen in gesprek, wat anders nooit gebeurde, over het onrecht dat ons aangedaan was. Een duistere macht die het plezier van anderen afnam.
Ik sprak met andere hardlopers over de andere weg die we moesten nemen, het zou niet meer hetzelfde zijn. Het was alsof je altijd overal had kunnen roken en ineens mocht het nergens meer. Ik sprak met twee wandelaars die rust en vertrouwen uitstraalden. Hun ogen fonkelden vriendelijk en een sterke kracht ging van hen uit, alsof zij zouden kunnen zorgen dat alles nog goed kwam.
Naderhand dacht ik of het geen teken was. Dat het misschien beter was niet meer te gaan lopen zolang ik nog rookte. Was daarom het hek er neergezet? Of was het een signaal dat het roken mijn hobby hardlopen kon ontnemen, zoals het hek van de ene op de ander dag met een flink slot de toegang tot het bos had afgesloten?
Had het hek mijn ogen geopend en doen inzien dat als ik niet wilde luisteren er een drastische oplossing moest komen? Het hek dat de poort naar de vrijheid afsloot. Het had vast een symbolische betekenis: het bospad dat een gebied uitsloot. Er waren openingen genoeg om in het bos te komen, maar via een andere weg kwam ik niet langs de put, het was niet hetzelfde meer. Het hek gaf aan dat er iets moest gebeuren.
De buizerd viel me ook weer aan, elke week kwam hij op mijn weg. Ook al waren andere mensen dicht in de buurt, hij had het op mij voorzien. Had hij vroeger niet mijn leven gered? Weg hier, ga terug! Maar ik liet me niet wegjagen, door schade en schande moest ik wijs worden.
Was de buizerd gezonden, een gecamoufleerde beschermengel die me naar het juiste pad zou leiden? Een keer zag ik in de verte een klein stipje boven een weiland mijn richting opkomen. Het werd steeds groter en kwam recht op me af. De buizerd. Rakelings scheerde hij over mijn hoofd. Weer was een klein beetje rook uit mijn hoofd verdwenen.