ONDER CONSTRUCTIE
ZITTING VAN DONDERDAG 13 DECEMBER 1951
Sub-Commissie III
Tegenwoordig de heren Schilthuis, voorzitter, van Dis en Stokvis, leden, alsmede de heer Gerretsen, griffier.
Punten van het Enquêtebesluit: l en m.
Verhoor van Mevrouw mr. ANNA JOHANNA WILHELMINA HOCHBERG—VAN WALLINGA,
oud 58 jaar, wonende te Amsterdam, advocaat en procureur.
Zij legt de belofte af als getuige.
95041. De Voorzitter: U weet waarschijnlijk wel, waarover wij graag met u zouden willen spreken. Naar men zegt, hebt u gepoogd Joden, die zich in Duitsland bevonden, te ruilen tegen Joden, die zich elders bevonden, en Joden vrij te kopen, hetgeen u van Zwitserland uit schijnt gedaan te hebben.
A. Ja. Dat wil zeggen, voor zover het tweede gedeelte van uw vraag betreft. Met ruilen van Joden, die zich in Duitsland bevonden tegen Joden, die zich elders bevonden, heb ik mij vanzelfsprekend nooit opgehouden. In 1942 ben ik geëmigreerd naar Zwitserland met mijn man, die Zwitser was en Jood. Ik zeg „was", want ik ben sinds een half jaar weduwe. Vanwege mijn Joodse echtgenoot mocht ik als advocaat niet meer werkzaam zijn; mijn man kon ook niet meer werken. Wij hebben toen besloten te emigreren. Mijn man is in Juli 1942 weggegaan en ik ben hem in Augustus 1942 gevolgd naar Zwitserland.
95042. De Voorzitter: Heeft dat geen moeilijkheden gegeven?
A. Mijn man heeft een half jaar op zijn doorreisvisum moeten wachten; hij had het in December 1941 al aangevraagd. Tenslotte heeft hij het met heel veel moeite gekregen. Ik had het binnen een maand. U weet, dat men in die tijd bij de Duitsers een verzoekschrift moest indienen om als procureur werkzaam te kunnen blijven, maar dat is mij geweigerd op grond van die Joodse „zonde". Het Zwitserse consulaat heeft toen ook nog pogingen in het werk gesteld, wat tenslotte ook is mislukt. Een dag of 14 voordat ik wegging, heeft mr. van Krimpen zich tot mij gewend met een zevental gevallen en hij vroeg mij of ik die voor hem wilde behandelen. Mij was toen nog niets bekend van die manier om Joden vrij te krijgen. Mr. van Krimpen was toen een ex-collega van mij; na de bevrijding, in 1947, ben ik pas weer begonnen, nl. als advocaat en procureur.
95043. De Voorzitter: Kende u mr. van Krimpen al of wist hij toevallig van uw reis?
A. Hij wist toevallig van mijn reis. Ik kende hem eigenlijk niet; wel wist ik, dat hij een van de grote kantoren had; hij was een zeer bekend advocaat.
95044. De Voorzitter: Hij heeft zich dus tot u gewend met het verzoek te trachten een aantal Joden vrij te krijgen?
A. Ja.
95045. De Voorzitter: Was u bekend, waar die Joden zaten?
A. Het betrof zich in Nederland bevindende Joden. De heer van Krimpen heeft mij toen uitgelegd, dat het een dubbele opdracht was. Eerst moest ik proberen om voor die mensen een inreismogelijkheid in een van de Zuid-Amerikaanse Staten te krijgen; zij kregen dan een uitreisvisum van de Duitsers, wanneer daarvoor een bedrag van ongeveer f 100000 werd gedeponeerd, dat wil zeggen: de tegenwaarde in deviezen, dollars of Zwitserse Francs.
95046. De Voorzitter: Was dat bedrag voor alle mensen gelijk of keek men naar hun draagkracht?
A. De Duitsers werden, geloof ik, goedkoper op de duur. Later zeiden ze: Als je f 50 000 bij elkaar hebt, gaat het ook wel.
95047. De Voorzitter: Ze lieten dus afdingen?
A. Ja. Het voornaamste was echter in die tijd, dat de zaak in behandeling was. Ik heb mij nooit direct met de Duitsers in verbinding gesteld. Dat heeft de heer van Krimpen voor de cliënten gedaan. Het ging via een bank hier in Nederland, die ook voor een bank in Duitsland fungeerde. Het belangrijkste was dus, dat men de Duitsers kon bijbrengen, dat de zaak in behandeling was. Wanneer er maar telegrammen over werden gewisseld, waren de mensen weer een poosje vrij van deportatie.
95048. De Voorzitter: Van wie kwamen die telegrammen en waar gingen ze heen?
A. Uit Zwitserland naar Nederland of iets dergelijks.
95049. De Voorzitter: Vonden de Duitsers dat belangrijk?
A. Ja. Ik heb in die tijd b.v. ook een zaak behandeld van iemand, die verschillende horlogefabrikanten in Zwitserland kende. Deze man had toen het idee: Wanneer al die mensen botje bij botje doen, komen wij misschien tot f 50000. Ik meen, dat, dank zij een telegram van mij, inhoudende, dat nog steeds aan de depotstelling werd gewerkt, de man niet doorgestuurd is van Westerbork naar Duitsland.
95050. De Voorzitter: Tot welke Duitse instantie moest men zich daarvoor wenden?
A. Dat weet ik niet precies, want dat was mijn werk niet. Ik weet alleen, dat men verbinding opnemen moest met de Handelstrust-West.
95051. De heer Stokvis: Aanvankelijk werden deze aangelegenheden behandeld door het Devisen-schutz-Kommando, later door de S.D.
A. Dat is mogelijk.
95052. De Voorzitter: Wat was nu precies uw rol?
A. Mijn opdracht was anders dan ik die later heb uitgewerkt. Ik ben over de grens gegaan met een boekje met alle mogelijke Amerikaanse en Engelse adressen, die ik uit mijn hoofd heb geleerd, omdat men niet kon weten wat er dreigde, als de Duitsers die adressen vonden en meenden, dat het spionnage betrof of wat dan ook. Ik moest telegraferen en schrijven aan die verschillende relaties in Amerika en ook relaties in Zwitserland opzoeken. Ik heb b.v. een zaak voor iemand behandeld, die geld in Amerika had; ik moest voor hem vragen of dat geld werd vrijgegeven. De ene rol was dus te proberen of ik die geldzaak geregeld kon krijgen; de tweede rol was visa te krijgen voor Zuid-Amerika.
95053. De Voorzitter: Zorgde de heer van Krimpen voor dat laatste?
A. Neen, dat moest in Zwitserland gebeuren, want hier kon dat niet.
95054. De Voorzitter: Kon men hier geen hulp inroepen van een of andere Duitse instantie voor deze zaken?
A. Voor het uitreisvisum was men afhankelijk van de Duitsers hier. maar dan moesten die mensen nog weten waar zij heen konden gaan. Daarvoor heb ik in Bern verschillende consulaten bezocht; ik heb toen gedaan gekregen, dat die mensen naar Uruguay, Paraguay, Chili en andere Zuid-Amerikaanse Staten konden.
95055. De heer Stokvis: Is dat dus gelukt voor een aantal gevallen?
A. Er is niets, maar dan ook niets gelukt. Absoluut niets. lk zal u het vervolg vertellen. Toen ik in Zwitserland kwam, heb ik mij eerst in verbinding gesteld met de bankdirectie van de Schweizerische Kreditanstalt en Schweizer Bankverein om te vragen wat voor mogelijkheden er waren. Wij hebben toen gezamenlijk een dubbele verklaring voor die mensen opgesteld, zodat zij niet het risico liepen, dat zij er niet uit konden, wanneer zij eenmaal hadden betaald; wij hebben het toen zo geformuleerd, dat het geld werd gedeponeerd bij de Kreditanstalt en dat het pas aan de Duitsers zou worden betaald, wanneer de mensen veilig en wel in Spanje waren en er een verklaring van het consulaat werd overgelegd, dat zij zich daar hadden gemeld, zodat zij niet het risico liepen toch nog ergens in Frankrijk of elders gevangengenomen te worden.
Toen ik in Zwitserland kwam, hebben de bankdirecties mij gezegd, dat het waarschijnlijk niet gemakkelijk zou zijn. Bij de directie, waar ik kwam, zei men mij, dat zij nog nooit een dergelijk geval met succes hadden doorgevoerd. Ik heb toen geschreven en in Zwitserland verschillende relaties bezocht. Ik heb een algemeen abonnement op de treinen genomen en rusteloos heen en weer gereisd, omdat ik wist, dat het hier mensenlevens gold. Ik heb ontzettend veel mensen bezocht, maar ik kwam tot de ontdekking, dat deze relaties toch eigenlijk niet bereid waren voor die in levensgevaar verkerende mensen geld te offeren. Een of andere horlogefabrikant heeft mij weleens toegezegd, dat hij vijf duizend francs zou betalen, als die en die het ook deden, en die deden het niet. Ik heb toen iemand ontmoet, de vrouw van iemand, die hier toentertijd bij het Zwitserse consulaat in Amsterdam werkte. Wij hebben haar man in die tijd leren kennen als zeer behulpzaam. Zij zei tegen mij: Ik ken een familie Grüntal in Vaduz, die tracht voor haar dochter, die zich in Holland bevindt, de Lichtensteinse nationaliteit te krijgen. Lichtenstein heeft namelijk wetten, dat men niet in Lichtenstein behoeft te zijn gevestigd om die nationaliteit te kunnen krijgen. De voordelen daarvan sprongen in het oog, want ten eerste kregen de Duitsers op die manier niets en het was goedkoper. Er werd wel een groot bedrag gevraagd; daarom ben ik naar Lichtenstein gereisd. waar ik heb gesproken met een advocaat, dr. Ritter, die dat voor mij heeft berekend. Het kwam op ongeveer 80 000 francs voor die inburgering.
95056. De heer Stokvis: Ongeveer f 40 000?
A. Ja, ongeveer.
95057. De heer Stokvis: Dat is een behoorlijk bedrag!
A. Ja. Ik wil er op het ogenblik vanaf zijn of het nu f 80000 of 80 000 francs was, want dat weet ik niet meer precies. Ik meen, dat die bedragen waren vastgesteld op 80 000 en 30000; dat laatste bedrag moest worden gedeponeerd voor levensonderhoud, zodat de mensen, wanneer zij eenmaal daar waren, niet ten laste van de Regering van Lichtenstein zouden komen. Dr. Ritter heeft mij gezegd, dat het inderdaad mogelijk was. voor mensen die nationaliteit te krijgen. Vroeger werd het ook vrij veel gedaan op die manier. In die tijd echter had Bern het laatste woord. Lichtenstein had zich onder bescherming van Zwitserland gesteld; Bern was moeilijker geworden dan tevoren. Ik had een geval, waarbij er vrij veel kans was, dat het zoo lukken. Dat betrof twee zusjes; haar vader had vroeger in Lichtenstein gewoond en veel voor Lichtenstein gedaan. Er was dus om zo te zeggen verband. Volgens dr. Ritter was het in ieder geval te proberen de Lichtensteinse nationaliteit voor die meisjes te krijgen. Ik weet uit eigen ervaring, dat nationaliteit in een neutrale Staat inderdaad beschermde.
Mijn man was, toen wij nog in Nederland waren, als Zwitser vrijgesteld van sämtlichen Judenmassnahmen. Hij mocht alleen niet werken. Hij had een bepaalde bescherming van het Zwitserse consulaat in zijn zak: op onze deur stond een soort bescherming van de „Schweizerische Eidgenossenschaft"; zodoende wist ik ook, dat zij niets meer naar Lippman en Rosenthal zouden behoeven te brengen, want daar hadden de Duitsers dan helemaal niets meer over te zeggen, terwijl het uitreisvisum hun geen cent zou kosten. Ik heb toen ook verschillende telegrammen naar Amerika gestuurd met deze mededeling; ik weet niet meer precies, hoe die telegrammen waren
geformuleerd, maar ik kreeg daar geen enkel antwoord op. Nu weet ik niet meer of ik ook telegrammen heb verstuurd vóór die Lichtensteinse geschiedenis of alleen daarna.
95058. De heer Stokvis: De bedoeling was dus om in Amerika geld los te krijgen om voor de betreffende personen de Lichtensteinse nationaliteit te kunnen kopen?
A. Ja. Na een paar weken wist ik wel, dat er ook op deze manier niets te bereiken viel; ik wist al eerder, dat op de manier, die de heer van Krimpen mij had opgegeven, niets te bereiken viel. Ik zat natuurlijk toen met de censuur en ik zat met die mensen. Deze mensen waren veilig, doordat de Duitsers het idee hadden, dat er aan hun zaak werd gewerkt. Ik heb dus een heel verdekte brief aan de heer van Krimpen moeten schrijven, maar ik kreeg helemaal geen antwoord. Ik heb ook verschillende telegrammen gestuurd naar hem voor de visa en personalia, maar daar heb ik evenmin antwoord op gekregen. Lichtenstein was dus heel duur. De tweede mogelijkheid was Zuid-Amerikaanse passen te krijgen. Die passen waren veel goedkoper; ik meen, dat die 5000 francs kostten of iets in die geest. De consuls echter, die die passen afgaven, hadden daarvoor geen machtiging van hun Regering. Het wilde dus niet bepaald zeggen, dat, wanneer die mensen dan naar Amerika gingen, zij er ook in konden. Die Lichtensteinse nationaliteit was natuurlijk veel meer waard. Daar was werkelijk geen spijker tussen te krijgen. Mij werd door verschillende Nederlandse Joden, die als vluchteling in Zwitserland hadden weten te komen, medegedeeld, dat de Duitsers in verschillende gevallen op die Zuid-Amerikaanse passen ingevlogen waren, want die mensen hadden dan toch in ieder geval een vreemde nationaliteit. Ik heb in die tijd heel veel consulaten bezocht en ik meen, dat het de consul van Paraguay was, die zei: Ik geef een begeleidend schrijven mee van de consul in Spanje, waardoor die geschiedenis een officiëler tintje krijgt. Omstreeks die tijd is er echter iets gepasseerd. Eerst moet ik u echter vertellen, dat ik direct na mijn aankomst in Zwitserland het Nederlandse gezantschap in Bern heb bezocht; ik heb gesproken met de heer Bosch van Rosenthal en met generaal van Tricht en nog iemand, van wie ik mij de naam riet meer herinner.
95059. De Voorzitter: Was het misschien de heer van Lynden?
A. Dat weet ik niet meer precies. Ook heb ik gesproken met de consul in Zürich, allemaal direct na mijn aankomst. Ook heb ik gesproken met de consul in Genève. Die mensen hebben dus allemaal precies geweten met wat voor opdracht ik daar ben gekomen. Niemand van hen heeft mij gezegd: Mevrouw, dat mag niet! Later heb ik hen ook op de hoogte gesteld van die Lichtensteinse plannen; toen die zwarte-lijst-geschiedenis doorkwam, is op een gegeven moment via Radio Oranje doorgegeven, dat dat niet mocht, en ik ben in één adem genoemd met de heer Wiederkehr, die ik nooit van mijn leven van gezicht tot gezicht heb gezien.
95060. De heer Stokvis: Was dat die advocaat in Zürich?
A. Ja. Daar is verder de lezing aan gegeven alsof ik dat deed als agente van de Duitsers, enz. Ik ben tot 1942 hier in Nederland geweest en ik heb gezien, wat zich hier allemaal voordeed. Ik was dus verschrikkelijk verontwaardigd, want ik heb eerlijk getracht om alle mensen, die in levensgevaar verkeerden, te helpen. U begrijpt, wat een slag dit voor mij was. Ik ben toen onmiddellijk naar die verschillende adressen gegaan; ik ben naar het gezantschap geweest om te vragen of men rehabilitatie voor mij wilde krijgen, zodat ik openlijk naar Amerika kon telegraferen over al die dingen, terwijl ik nu op geen enkel telegram antwoord kreeg. Ik ben toen echter niet eens door de gezant ontvangen. Ik heb met generaal van Tricht gesproken, die mij werkelijk ter wille was. Hij zei, dat hij zich de geschiedenis herinnerde, en hij heeft mij een verklaring gegeven om mij te helpen. Ik heb toen afgesproken, dat ik de volgende dag zou komen om met de gezant te spreken, die mij echter niet meer heeft willen ontvangen. Ik ben naar de consul in Zürich gegaan, die dus ook precies alles wist, maar hij herinnerde zich er plotseling niets meer van. Ik heb dus niet de minste steun gehad van de genoemde Nederlandse vertegenwoordigers der Regering in Zwitserland om iets voor die mensen te doen, met uitzondering van de heren van Tricht en van Notten (consul in Genève), die echter niets meer voor mij konden of mochten doen.
95061. De heer Stokvis: Hebt u wel hun steun ingeroepen?
A. Ja, uit de aard van de zaak heb ik hun steun ingeroepen.
95062. De heer Stokvis: Hebt u die steun gevraagd in concreto? Hebt u gevraagd: Hier is een Nederlander, die en die, die geholpen moet worden? Wilt u medewerken met mij om iets voor hem te doen?
A. Ik ben begonnen met er heen te gaan voor de heer van Krimpen, toen ik nog niet wist, dat dat per se zou mislukken. Ik ben daar verder geweest voor het geval-Visser, oud-Voorzitter van de Hoge Raad.
95063. De heer Stokvis: De heer Visser was toen al gestorven. U bent daar waarschijnlijk geweest voor zijn vrouw.
A. Ja, d.w.z. voor zijn vrouw en zijn zoon, ik heb toen die zaak openlijk besproken. Ik ben toen bij de gezant geweest met de dochter, die in Zwitserland woonde. Men wist dus precies wat er aan de hand was. Er is geen enkele keer tegen mij gezegd: „Denk er om, mevrouw, dat wil de Regering niet", of iets dergelijks.
Dan was er nog een laatste mogelijkheid, die ik nog later hoorde. Ik had een relatie in Palestina, die kon proberen, die mensen op een lijst voor uitwisseling met zich in handen van de geallieerden bevindende Duitsers te zetten. Al die gevallen had ik beslist kunnen helpen of liever, er was een goede kans, dat ik iets voor die mensen gedaan kon krijgen, als mij dat niet onmogelijk was gemaakt op die manier. Ik was ineens het zwarte schaap.
95064. De heer Stokvis: Wanneer was u dat ineens? Hoelang was u toen met de behandeling van die zaken bezig?
A. Ik ben in Augustus in Zwitserland gekomen en in November kwam die mededeling door de radio. Ik heb daardoor zelf ook ontzettend veel nadeel ondervonden. Ik had op het gezantschap veel kunnen doen. Nu ben ik tenslotte in de steun komen te vallen van Zwitserland gedurende een hele tijd.
95065. De Voorzitter: U bedoelt waarschijnlijk de steun van Nederland?
A. Neen, want ik ben Zwitserse. Het is helemaal niet plezierig, wanneer men van steun afhankelijk is.
95066. De Voorzitter: Hebt u weleens gehoord of andere landen op dit gebied wel iets tot stand hebben gebracht?
A. Bedoelt u op deze manier?
95067. De Voorzitter: Wij hebben nu al zo vaak horen spreken over de vreemde passen, enz. Zijn er werkelijk Joden vrijgekomen?
A. Toen ik hoorde van die uitwisseling — dat was nog vóór de uitspraak door de radio, als ik mij goed herinner, hoorde ik dat van mensen, die dat gedaan hadden gekregen. Van die Zuid-Amerikaanse passen is mij gezegd, dat de Duitsers er verschillende keren op ingevlogen waren.
95068. De Voorzitter: Hebt u weleens gehoord van de Zwitser Musy, of was dat geen Zwitser?
A. Nu u mij dit zegt, herinner ik mij de naam.
95069. De Voorzitter: Weet u niet, wat hij eigenlijk uitvoerde?
A. Dat weet ik niet. Toen ik hier wegging, is mij gezegd, dat er iemand zou komen naar Zwitserland om die zaak officieel te bespreken op de manier, zoals de heer van Krimpen mij had opgedragen. Hij zou die zaken officieel met de Regering bespreken. Er waren verschillende mensen bij, die zelf geld in Amerika hadden. Er was iemand, die sen dollartegoed in New York had. Dat was iets om open te bespreken; men kan dan „ja" of „neen" tot antwoord krijgen.
95070. De Voorzitter: U weet dus niet of er door anderen pogingen zijn gedaan, die succes hebben gehad?
A. Neen. Ik heb echter deze dingen in behandeling genomen, juist omdat men mij heeft gezegd: Bij ons is van verschillende gevallen bekend, dat die mensen zijn weggekomen.
95071. De Voorzitter: Was de vergoeding, die u voor u zelf hebt gevraagd, erg hoog?
A. Dat is ook zo mooi! Met de heer van Kruipen had ik afgesproken per geval f 1000.
95072. De Voorzitter: f 1000 per geval, dat lukte of per geval, dat onder handen werd genomen?
A. Per geval, dat onder handen werd genomen of het lukte of niet; gewoon voor mijn bemoeiingen; dat was Hollands geld, dus geen Zwitserse francs. Daarvan heb ik al die onkosten betaald. De telegrammen liepen b.v. ontzettend op; vaak 60 of 70 franc per keer. Ik heb moeten reizen en hotelkosten moeten maken. De heer van Krimpen heeft mij echter maar per geval f 500 betaald. Hij heeft zich niet aan de afspraak gehouden.
95073. De heer Stokvis: U hebt zo juist een brief van 5 Augustus 1942 overgelegd. Daarin wordt gesproken van f 1000 per geval.
A. Ja, precies. Dat was de afspraak. De heer van Krimpen heeft maar f 500 betaald. Ik heb tegen hem een klacht ingediend bij de Raad van Discipline. De raad heeft gezegd, dat zij die klacht niet ontvankelijk achtte. Ik moest tegen hem procederen. De heer van Krimpen zei: Leg maar per geval beslag onder mij. Zoek die en die cliënt maar op. Ik wist niet eens wie die cliënten waren. De Joden mochten geen geld hebben en mij werd destijds door de heer van Krimpen gezegd: Een relatie heeft dat geld voorgeschoten. Wanneer ik dus in een procedure had gezegd: Jullie moeten die f 500 nog betalen, had ik onmiddellijk gehoord: „Wij weten van niets, want dat geld is door een ander gestort." De heer van Krimpen" heeft in alle talen gezwegen. Dezelfde grief, die ik heb gehad tegen het gezantschap in Bern, heb ik ook tegen de heer van Krimpen. Hij heeft mij geschreven: „Mevrouw, ik weet niet wat u nog wilt, want ons is toch gebleken — via Radio Oranje —, dat u niets kunt doen", waarop ik hem heb teruggeschreven: „Mijnheer van Krimpen, dit is een vertrouwenskwestie. Als ik u zeg, dat ik nog wel iets kan doen, zal dat toch wel zo zijn." Een kind begrijpt toch, dat ik dan op een andere manier tracht iets gedaan te krijgen.
95074. De Voorzitter: Denkt u, dat u dat gelukt zou zijn?
A. Dat zou ik zeker denken, want ik heb als een gek voor die mensen gewerkt. Ik heb ik weet niet hoeveel relaties bezocht en ik had prachtige relaties met al die Zuid-Amerikaanse adressen. Ik heb gedaan gekregen, dat het helemaal wettig leek met een brief van een gezant in Spanje van een der Zuid-Amerikaanse Staten er bij.
95075. De heer Stokvis: Amerika was toen al in oorlog!
A. Ja, dat geloof ik wel.
De heer Stokvis: Dat maakte alles natuurlijk veel moeilijker.
A. Toen ik een paar weken in Zwitserland was, heb ik ingezien, dat er op die manier niets te bereiken viel. Als ik naar Nederland had bericht: Op deze manier kan ik niets doen, had ik die mensen overgeleverd. Er zaten er al veel in de concentratiekampen, maar zij werden nog niet verder getransporteerd naar Duitsland, omdat er aan hun zaak werd gewerkt.
95076. De heer Stokvis: Een van de door ons gehoorde getuigen heeft hier een mededeling gedaan, die ik u zal voorlezen, om van u te horen of die verklaring juist is.
„Er was in Zwitserland een schandelijke handel in zulke passen. Zo was er o.a. Augustus 1942 een dame uit Nederland in Zwitserland gekomen, mevrouw mr. Hochberg—van Wallinga, die dergelijke passen tegen heel hoge sommen verkocht.".
A. Ik heb nooit zo'n pas in handen gehad.
95077. De heer Stokvis: U kunt hierop antwoorden: Waar of niet waar!
A. Dat is natuurlijk niet waar. Het is zo onwaar als het maar kan. Mag ik weten, wie dat heeft verklaard, want dit intrigeert mij nu werkelijk!
95078. De heer Stokvis: U zult het te zijner tijd kunnen lezen in het volgende deel van het verslag van de Enquêtecommissie. Dit wordt binnenkort gepubliceerd. U wijst de gemelde beschuldiging dus met verontwaardiging af?
A. Het is een pertinente leugen. Ik ben in de steun geweest en ik zou tegen hoge prijs passen hebben verkocht! Ik heb nooit een pas verkocht en er nooit een in handen gehad.
95079. De Voorzitter: Hebt u weleens voor iemand een pas gekregen?
A. Helaas niet. Mijn opzet was, dat ik deze dingen zou kunnen voortzetten, wanneer de Nederlandse Regering mij wilde rehabiliteren.
95080. De heer Stokvis: Hebt u na uw terugkeer in Nederland nog moeilijkheden gehad?
A. Ik heb tot September 1946 moeilijkheden gehad om een reisvisum te krijgen; ik heb dat pas gekregen, toen de zaak hier heel degelijk was onderzocht, en na verschillende verklaringen van mensen, die wisten, hoe ik vóór die tijd was geweest. In Augustus of September 1946 heb ik mijn inreisvisum gekregen; daarna heb ik niet meer de minste last gehad, omdat men hier mijn houding van vóór die tijd heeft gekend.
95081. De Voorzitter: Bent u nooit lastig gevallen met beschuldigingen, zoals de heer Stokvis zo juist voorlas?
A. Neen. Ik heb deze geschiedenis voor de Raad van Discipline gebracht, mijn klacht dus tegen de heer van Krimpen.
De beslissing heb ik ook. Oorspronkelijk was het de bedoeling, dat de heer van Doorn, deken of oud-deken hier in den Haag, bindend advies zou geven. Deze brief, die ik u hier laat zien, betreft de salariskwestie met de heer van Krimpen.
95082. De heer Stokvis: Dit is een brief, gericht aan de heer van Doorn.
A. Ja. Oorspronkelijk had de heer van Krimpen gezegd: Ik ga akkoord met een bindend advies, als het van een deken of oud-deken is. De heer van Doorn is toen bereid geweest om het te doen, maar ineens wilde de heer van Krimpen niet meer. Met de motivering, dat „één cliënt" weigerde. Wie die „ene cliënt" was, heeft hij mij nooit willen zeggen. Het is van de heer van Krimpen een onmogelijke houding geweest; ik kan niet anders zeggen. Het ergste vind ik, dat hij mij bij de cliënten in een scheef daglicht heeft geplaatst door te zeggen, dat ik niets of vrijwel niets voor hen gedaan heb.
95083. De heer Stokvis: Over hoeveel gevallen ging het hier?
A. Zeven gevallen. Ik heb nog een vordering op de heer van Krimpen van f 3500. Op een gegeven moment, nadat de deken geweigerd had mijn klacht te behandelen, heb ik het laten lopen.
95084. De heer van Dis: Waar woont de heer van Krimpen?
A. In Amsterdam. Deze brief is aan de heer Koch gericht, die deken is in Arnhem. Hij heeft die zaak voor mij behandeld.
De Voorzitter: Ik dank u voor uw inlichtingen en ik sluit het verhoor.
A. J. W. HOCHBERG—VAN WALLINGA.
SCHILTHUIS, voorzitter.
VAN DIS.
STOKVIS.
GERRETSEN, griffier.