Stad in de provincie Utrecht.algemeenIn 1514 zijn er onlusten [Leeuw1883, blz. 28]belastingenaccijnzen=Exchijnsen sijn altijd, onbekroont van jemand, vermeerderd geworden, na tijds geleegentheyd, en zo als de Raad der Stad heeft geoordeeld te convenieeren . Zo vind men al in den jaere 1342 den wijnzijs ; en in den jaere 1364, des dingsdag na den dertienden dag werden gemeld die meerzijsen, alse die botterzijs, die grauwertenzijs, die merszijs, die hudezijs, die zeezijs, de oudeen nieuwe wantzijs, den hoppenzijs, den bier- en wijnzijs en verder den houtzijs, molenzijs, oeftzijs, kalkzijs, zoutzijs, turfzijs, jmbrouwerszijs en tonnengeld, en nog anderen meer, doorgaans in de oude Registers aangeteekend . Welke zijsen alle jaaren voor dat jaar ofte voor een maandwierden verkogt, zo als uyt de verpagtboeken en rekeningen to sien is, en die ook door den Raad vermeerderd of verminderd wierden, zo als op meenigvuldige plaatsen te vinden is ; onder anderen in den bovengemelte jaere 1364 . Dat den Raad, Oud en Nywe, hadde goedgevonden teverminderen den botterzijs, die marszijs, die hudezijs, die zeezijs ende oude en nieuwe wandzijs, alsmede den hoppenzijs, die molenzijs ende die gruetzijs, blijvende de wijn- en bierzijs, also men die nog niet ontbeeren mogte ; en weder somtijds verhoogd, zo als weegens den moolenzijs blijkt uyt de buurspraaken, gehouden 's maandags na Lichtmisse 1444, en den bierzijs den 22 . May 1479 . Ja ook geheel afgeschaft, zo als blijkt van den moolenzijs, vrijdags na Agnitis 1417. Selfs is door den Raad dikwijls aan deese en geene persoonen vrijheyd of exemptie gegeven . Ten blijke dat het des Raads zijsen waaren, en dat zij zulks mogten en konden doen, zo is vrijheyd van denbierexchijns gegeeven aan den Bisehop zelfs, maandag na Dimissionis Apostolorurn 1489. Ten blijke, dat denselven sonder dese vergunning verpligt was te betalen . Aan de vijf-zuster-huyzen is de vrijheyd der zijsen bepaalt donderdag na Remigii 1444, aismede aan alle geestelijkheyd op St . Agnieten dag 1501. Aan den Domproost voor een voeder Rhijnsche wijn dinsdag na Aegidii 1502 . Zijnde zuiks ook geschied ten tijde van Keyser Carel V aan desselfs soldaten den 16. Julij 1543 . Ja aan Keyser Carel selfs, wanneer hij hot Guldevlies in dese stad vierde, 17 December 1545 . Ten bewijse dat bet zelfs onder sijn Regeering des stads exchijnsen gebleeven waaren [Martens, Regeering, blz. 392]=Teneinde de gelden te vinden nodig om overeenkomstig de Unie „die gemeenen vijanden te resisteeren" hadden de drie Staten van Utrecht „seekere middelen op wijn, bier, koorn, laakenen, besaayde landen, hoornbeesten etc. ingewilligt en geconsenteert." Maar die wijze van opbrengst veroorzaakte in 1579 bijna niet anders dan grote concussien en exactien. Er werd uitgeweken naar de heffing van een maandelijks oudschildgeld. Op 26 november 1580 werd afgekondigd dat de generale middelen in alle steden van Utrecht “in train” gehouden zal worden. Op het platteland wordt de quotisatie ingevoerd. De quote moet worden opgebracht d.m.v. de generale middelen of door andere heffingen. [Rootselaar, Rekening, blz. 24-25].
afkoop=rond 1720 wordt een compagnie op aandelen opgericht, exclusief voor 30 jaar, vrij van alle belastingen, op voorwaarde dat jaarlijks f 5 per aandeel wordt betaald. Er zijn 10.000 aandelen van f 1000. Voor het transporteren van de aandelen moet een zegel van 6 stuivers worden betaald. Voor het transporteren betalen verkoper en koper elk 20 stuivers [Kok1, blz. 216-217] De Compagnie zal de vaart van Utrecht naar de Eem "navigabelder"maken, lang 4044 voeten. diep 12-15 voet en breed 200-300 voet. Landerijen van totaal 232 morgen moeten opgekocht door de Compagnie. Ook daarvoor wordt 30 jaar lang vrijdom geclaimd. De Staten dragen in volle eigendom over uit het domein alle landen links en rechts van de vaart op 1600 roeden afstand gelegen om deze te cultiveren te beplanten, te venen en uitgraven. Ook hier met 30 jaar vrijdom van belastingen. Als de vaart klaar is geniet de compagnie 30 jaar lang de revenuen van de tol, van de visserij, havengeld, sluisgeld, bruggeld. De compagnie krijgt ook de provinciale tollen aan de vaart en in Wijk op voorwaarde dat deze niet verhoogd zullen worden en de compagnie f 12.000 van 40 groten. De compagnie mag ook de landsmiddelen pachten en krijgt voor een bedrag van f 12.000 eens de beschikking over het ammunitiehuis als kantoor. Ook dit 30 jaar lastenvrij [Kok1, blz. 216-219]
algemeende Stad heeft zig voortijds wel met regt gesteld, als men wilde impositien zetten op waaren en koopmanschappen van derselver stad, gelijk blijkt uyt de Resol, van den 16 . Novemner 1576 . Gelijk zij ook zig geopposeert heeft tegens de verpagtinge van bet ketelgruyt, volgens den inhoude van de Resol, van den 22en April 1555. [...] dat de Regeerders deser stad niet en verstaan, dat de Staten eenige jurisdictie binnen dese stad ofte vrijheyd competeerd [Martens, Regeering, blz. 394] ambtenarenontvangerIn Utrecht is O.D. Gordon rijksontvanger [Navorscher 1852, blz. 300]In 1814 wordt Johannes Willem van Hasselt hoofdontvanger der belastingen in Utrecht [Winkler Prins, A. Geïllustreerde Encyclopedie (H-IYNX), deel 8, Amsterdam 1876, blz. 153]In 1875 is M.E, van Lidt de Jeude ontvanger der registratie en domeinen [Leeuw1883, blz. 79]
begrafenisrechtenDe Vroedschap bepaalde op 22 september 1623, dat alle doodgravers en bidders binnen 24 uur de namen en woonplaatsen van de door hen ter aarde bestelde personen moesten doorgeven aan de secretaris van het gerecht. In 1625 werd in plaats van de secretaris van het gerecht de klerk van de momboirkamer aangewezen als de persoon bij wie deze opgaven moesten worden gedaan. Vanaf 1640 moesten zij tevens opgeven of de overledene kinderen of andere bloedverwanten had nagelaten. Deze aangiften dienden ertoe om de begrafenisrechten te kunnen innen, die elk voor de helft ten goede kwamen aan de Aalmoezenierskamer en de Ambachtskamer. Op het begraven in stilte bij nacht en ontij en op het elders begraven van lijken stond een boete van ƒ 500. De boete was ingesteld, omdat aldus de begrafenisrechten werden ontdoken [Röhner, Inventaris].
cogschuldZoo vindt men gewag gemaakt van Cogschuld deze had betrekking [Engels Geschiedenis blz. 26]
collaterale successieDe aangiften bij de momboirkamer waren voorts bedoeld om de collaterale successierechten te kunnen innen [Röhner, Inventaris]
geschot-Zoo vindt men onder de giften in 815 door Keizer Lodewijk den Godvruchtigen ten verzoeke van Bisschop Rixfridus bevestigd en door zijne voorzaten aan de Utrechtsche kerk gedaan opgenoemd het verschat of geschot [Engels Geschiedenis blz. 26]
gruit22 april 1555: verpachting ketelgruit verhinderd [De Regeering der Stad Utrecht, betreffende haar recht om eigenmachtig belastingen te heffen, in: BMHG 1e deel, 1877, blz. 391-403]
huslada-op de naamlijst der goederen van de Utrechtsche kerk komt voor omtrent den jare 866 een schatting die Husloth Huislade en ook Huslada en lot genoemd wordt, bedragende twee enkele penningen hiervoor had men de zeven straten vrij [Engels Geschiedenis blz. 26]
morgengeld-ene vermangeling of ruiling in 1310 tusschen den Deken en het Kapittel van St Pieter te Utrecht en den Graaf van Zeeland den cijns genaamd marghenghelt, mergen- of morgengeld ook morgentalen, dus genaamd naar de morgen of margen, zijnde zekere maat, naar welke de uitgestrektheid der landen, als ook der landelijke inkomsten berekend werden [Engels Geschiedenis blz. 30-31]
ontvanger der registratie en domeinenM.E. van Lidth de Jeude [1816-1883], ontvanger der registratie en domeinen te Utrecht [Leeuw1883, blz. 79]
oudschildgeldZie onder trefwoordentauxatieEen hoofdelijke heffing [Martens, Regeering, blz. 398-399]. Bij de accijnsen betalen passagiers en vreemdelingen mee, bij tauxatie niet [blz. 400-401]tollen-Utrecht, Duurstede, en Thiel waren oudtijds vermaarde koopsteden aan den Rijn, die door de Noorse kooplieden dikwerf werden bezocht, als blijkt onder anderen uit eenen giftbrief van Keizer Frederik den II in 1233 aan die van Utrecht vrijdom van tol te Thiel verleend werd met uitzondering van die welke men over-wilde haf noemde, aslmede van die gewoonlijk Zeetol genaamd [Engels Geschiedenis blz. 19]-Zo verklaarde Keizer Frederik de I in 1184, die van Utrecht vrij van den tol, die eertijds te Thiel, en daarna te Weert betaald werd [Engels Geschiedenis,blz. 23]
vrijdom 1444: vrijheid zijsen voor alle vijf zusterhuizen1489: vrijheid van bieraccijns voor de bisschop1501: vrijheid zijsen voor de gehele geestelijkheid1543: vrijheid zijsen voor soldaten van Karel V1545: vrijheid voor Karel V als hij voor een viering van het Gulden Vlies in de stad is [De Regeering der Stad Utrecht, betreffende haar recht om eigenmachtig belastingen te heffen, in: BMHG 1e deel, 1877, blz. 391-403]
bestuuralgemeen=Het bestuur der stad Utrecht berustte van ouds bij drie collegiën: de Raad, de Schepenbank en het College van Oudermannen der gilden. Aan het hoofd van elk der beide eerste lichamen stond een Burgemeester, terwijl de twee Overste-oudermannen in de vergadering der Oudermannen den voorzittersstoel bekleedden. Deze vier dignitarissen, de vier "Oversten" der stad, waren met het dagelijksch bestuur belast. De gilden bepaalden wie in de drie regeringscolleges zitting hadden. Op de dag van de regeringskeur benoemde elk gild een kiescollege van vijf personen uit zijn midden, dat bij meerderheid van stemmen de twee Oudermannen van het gild voor het volgende jaar aanwees. De gezamenlijke Oudermannen van de gilden kozen uit alle gilden de 24 raden, die op hun beurt de 12 schepenen benoemden. De schepenburgemeester werd door de Raad uit de schepenen, de Raadsburgemeester door de schepenen uit de Raden benoemd, terwijl het college van Oudermannen zelf zijn beide Overste-oudermannen uit zijn midden aanwees [Muller, Oprichten, blz. 74]. Nadat bisschop Hendrik van Beijeren in 1528 zijn wereldlijke macht aan Karel V had afgestaan. ontnam de keizer de gilden en hun oudermannen onmiddellijk alle politieke macht, en bepaalde, dat niet alleen de schout, maar ook de raden, de schepenen, de burgemeesters en de kameraars jaarlijks door de landsheer of zijn stadhouder zouden worden benoemd. Deze regeling werd in 1550 bij de vaststelling van de Costumen en Usantien van Utrecht geheel bevestigd en bleef gedurende de tijd, dat het Oostenrijkse bestuur duurde, van kracht [Muller, Oprichten, blz. 75] =Te Utrecht, waar Leicester op onwettige wijs zijn aanhangers in de regering gebracht had, waar de roomsen talrijk waren en de tweedracht tot overgaaf aan Parma dreigde te leiden, worden door welberaamde en wel volvoerde maatregelen de Vlamingen uitgestoten en de oude patriotten opnieuw in de regering gebracht, zodat de goede verstandhouding van die stad en provincie met Holland gelukkig hersteld wordt [Fruin, Tien, blz. 30]. =Volgens het Satisfactieverdrag van 9 oktober 1577 is het benoemingsrecht van de magistraat voorbehouden aan de Prins van Oranje als stadhouder van Utrecht, te kiezen uit een nominatie van 100 personen [40 aftredende leden; 40 aangewezen door het bestuur; 20 door de Prins aangewezen] [Muller, Oprichten, blz. 76]=In 1584 wordt het aantal raadsleden van 24 op 40 gebracht, door de stadhouder benoemd uit een nominatie van 80 personen [Muller, Oprichten, blz. 79]=In 1610 is er opstand over het stadsbestuur. Door het volk worden Dirk Kanter en Henrik van Helsdingen aangewezen als burgemeester [Clerc, Geschiedenissen2 blz. 29]burgemeester=Jan van Lichtenberg [ca 1287-....] was burgemeester [Verwoert2, blz. 21]=IJsbrand van der Aa wordt in 1412 tot burgemeester verkozen; in 1415 voor eeuwig verbannen uit de stad [Aa, Bio I, blz. 8; Kobus/Rivecourt1.1]=in 1421 is Beernt Proeys burgemeester. Hij is heer van Herbertskop en Oostveen [Leeuw1883, blz. 21]=in 1425 is Beernt Proeys burgemeester [Leeuw1883, blz. 21]-in ...is Arent Taets van Amerongen burgemeester [Kobus/Rivecourt1.36]-in ...is Jan Taets van Amerongen burgemeester [Kobus/Rivecourt1.36]-in 1442 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon [Leeuw1883, blz. 29]=in 1442 is Roetard van Lanscroon is burgemeester van de Vijven [Leeuw1883, blz. 29]-in 1445 was Jacob van Amerongen burgemeester [Kok3, blz. 772]=Lubbert van Alendorp [...-1468], Willems oudste zoon, was heer van Blijenburg en Abelschoten en beschreven onder de Ridderschap en Edelen van Utrecht; hij was meermaals schepen, burgemeester en raad [Kok2, blz. 578]-in 1458 is Adriaen van Lanscroon raad en burgemeester [Leeuw29]-in 1459 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon [Leeuw1883, blz. 29]-in 1462 is Adriaan van Lanscroot schepen-burgemeester [Leeuw1883, blz. 29]-in 1466 is Adriaan van Lanscroot schepen-burgemeester [Leeuw1883, blz. 29]-in 1477 is Johan van Lanscroon schepen-burgemeester van Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-in 1481 is Johan van Lanscroon schepen-burgemeester van Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]=Godevaert (Godert of Geert) de Coninck, beleend met Emmeklaar en Langenoorde, was burgemeester van Utrecht [Leeuw1885, blz. 39]-in ..... was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1544], heer van Blikkenburg, burgemeester te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63, 64]-Arent van Leijden was burgemeester [Verwoert2, blz. 18]-Cornelis van der Maet, ook van der Mate, in 1548, 1549, 1554 en 1563 burgemeester en schepen van Utrecht [Dix, Amersfoortse, blz. 352]=Cornelis Jacobsz van der Maeth, geboren circa 1510, schepen te Utrecht 1545, 1547, 1550- 1551, 1555, 1557, 1560, burgemeester 1548-49, 1553-1554, 1557- 1558, 1567, overleden Utrecht tussen 1 maart 1577 en 11 juli 1577, trouwt voor 1541 Mechteld Dircksdr van Crachtwijk, overluid Utrecht 29 mei 1602, dochter van Dirck Dircksz van Crachtwijck en Mechtelt van Westrenen Dix, Amersfoortse, blz. 353]-in 1578 wordt Dirk Canther benoemd tot burgemeester [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 115]-in 1588 worden Dirk Kanter en Dirk de Goyer burgemeester [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 249, 359]-in 1610 is de heer van Rijsenburg eerste burgemeester Tijdens zijn afwezigheid is er opstand over het stadsbestuur. Door het volk worden Dirk Kanter en Henrik van Helsdingen aangewezen als burgemeester. De Raad van State onderzoekt de beschuldigingen tegen het vroegere bewind en bevindt deze "vals, of ongegront, of beuzelagtig". Uiteindelijk wordt de oude situatie hersteld [Clerc, Geschiedenissen2, blz. 29-30; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 295]-In 1611 neemt het gemurmureer weer toe. Er wordt besloten de magistraat en het volk een nieuwe eed te vorderen, waaronder die van Kanter en van Helsdingen. Dit geschiedt maar brengt de rust niet terug. Er blijkt een plan te zijn tot omverwerping van de stadsregering. De beide heren geven toe daarvan te weten en worden voor eeuwig verbannen uit de Zeven Provinciën [Clerc, Geschiedenissen2, blz. 36]=Op 1 oktober 1618 zijn aangesteld Hendrik Buth en Elbert van Bijllen [BMHG 1877, blz. 413]=mr. Pieter Haack de Jong is raad en burgemeester, alsmede dijkgraaf van de Lekkerdijk Benedendams [Navorscher 1852, blz. 162]=Cornelis Booth (1605-1678) was burgemeester [Dael, Buchel, blz. 178]=Gijsbrecht van der Hoolck [.....-1680] was 8x burgemeester [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 323]-Hendrik Moreelsen [1615-1666] was burgemeester van Utrecht [Kok13, blz. 132; Verwoert2, blz. 80]-Paulus Moreelsen [1571-1638] was burgemeester van Utrecht [Verwoert2, blz. 80]-van Beeck was burgemeester [Aa, Bio3, blz. 20]=Caspar van Roijen was raad en burgemeester [Kok2, blz. 706]-in 1729-1752 is mr. Hendrik Assuërus Wttewaall [1699-1775], raad en burgemeester van Utrecht. Hij trouwt in 1724 met Margaretha van Suchtelen [1696-1760]. Ze wordt in 1741 zowel met Stoetwegen als met Wickenburgh beleend. Daardoor komen beide heerlijkheden in het geslacht Wttewaall terecht en blijven daar tot in de 20e eeuw.-in 1741 is Hendrik van Soesdijk is burgemeester en raad van Utrecht [Kok1, blz. 180; Nav1870]-mr. Johannes Borski [1755-1825] is burgemeester [Roelants, Gulden, blz. 114]=Walraven Robbert van Heeckeren [1742-1796] is burgemeester van Utrecht [WP8.193]=in 1749 is Van Mansveld burgemeester [BMHG 1877, blz. 382; Kok1, blz. 180].=mr. Joseph Elias van der Muelen, heer van Maarssenbroek [1707-1781] was commissaris, raad [1753], schepen en burgemeester te Utrecht [Groot Charterboek deel 1 blz. 36; Leeuw1885, blz. 73]=mr. Jan Jacob Ram [1716-1758] was raad, schepen en burgemeester te Utrecht [Kok2, blz. 711; Leeuw1885, blz.93; Leeuw1887, blz. 24] .-in 1788-1789 is Thomas Adriaan Boddens burgemeester [Westhoff, blz. 232]commissaris=mr. Joseph Elias van der Muelen, heer van Maarssenbroek [1707-1781] was commissaris, raad [1753], schepen en burgemeester te Utrecht [Groot Charterboek deel 1 blz. 36; Leeuw1885, blz. 73]=mr. Reinier Verschoor, heer van Tollenburg [1739-1791] was commissaris en schepen te Utrecht en extra-ordinaris raad in den hove provinciaal van Utrecht [Leeuw1885, blz. 73]
hoofdofficier=Diderik van Lockhorst, heer van Ter Meer wordt in …. hoofdofficier [BMHG 1877, blz. 423]
hoogschout=Diderik Borre van Amerongen is hoogschout van Utrecht [NNBW 1911, blz. 297]
ouderman=in ...is Jan Taets van Amerongen ouderman[Kobus/Rivecourt1.36]=Johan van Lanscroon is ouderman van het bakkersgilde in 1467, 1469 en 1475
procureur-generaal=in 1586 wordt Hendrik Agileus [1533-1595] procureur-generaal in Utrecht [Kobus/Rivecoirt1.19; Kok2, blz. 389]
raad-sinds 1304 is de macht in handen van de 21 gilden; ze houden de aanzienlijken buiten de raad [Leeuw1883, blz. 67]-in 1412 is IJsbrandt van der Aa raad en burgemeester; na twisten in 1413 uit de stad gezet [Kok1, blz. 6; Aa,Bio1, blz. 8]-van 1420-1437 was Jacob van Amerongen schepen en raad [Kok3, blz. 772]-in 1421 was Jacob de Voocht van Rijnevelt [....-1439] raad te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in ...is Arent Taets van Amerongen raad [Kobus/Rivecourt1.36]-in ...is Jan Taets van Amerongen raad [Kobus/Rivecourt1.36]=in 1440 was Hendrik van Abcoude raad; beweerdelijk tot 1467 [Bruin, Historisch1, blz. 15; Kok1, blz. 141]-in 1443 was Jacob van Amerongen raad [Kok3, blz. 772]=in 1453 is Gerrit van Sasse raad iin Utrecht [Adel1925, blz. 187]=Lubbert van Alendorp [.....-1468] was heer van Blijenburg en Abelschoten, in het jaar 1434 vermeld als Calenderbroeder, in 1441 als schepen, en in 1455 als raad van Utrecht [Kok2, blz. 577-578]=In 1457 is Adriaan van Lanscroon raad [Leeuw1883, blz. 29]=in 1458 is Adriaen van Lanscroon raad en burgemeester [Leeuw29]-in 1471 is Johan van Lanscroon raad in Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-in 1473 is Johan van Lanscroon raad in Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-in 1477 is Adriaan van Lanscroon raad [Leeuw29]-in 1479 is Johan van Lanscroon raad in Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-In 1495 is Cornelis Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 66]-In 1500 is Cornelis Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 66]-In 1501 is Albert Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-In de 16e eeuw is Guilielmus Dymeneus of Dijm [1508-1583] raad en president [Kok13, blz. 70; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 174]-in 1544-1575 is raad en schepen Rycout Henricksz van der Horst, eigenaar van herberg "den Gulden Aerendt" op de Stadsplaats. [Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]-In 1570 is Albert Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-In 1576-1579 is Albert Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-in 1576-1580 is raad Pieter Jansz. van Scorel zoon van de kunstschilder, vanaf 1562 alias Peter Jansz. van Sijpenesse, schoonzoon van Rycout van der Horst [Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]-in ......... is raad en schepen Gelis Matheusz. Block [Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]-In 1585 is Albert Foock raad van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-in 1586 wordt Hendrik Agileus [1533-1595] raad in Utrecht [Kobus/Rivecoirt1.19; Kok2, blz. 389]=in 1598 werd Dirk Canter door de graaf van Nieuwenaar aangesteld tot burgemeester van Utrecht [Aa/vH/S., Biographisch3, blz. 121]=in 1610 was Justus van Rijzenburg burgemeester van Utrecht [Aa/vH/S., Biographisch3, blz. 121]=Cornelis Booth (1605-1678) was raad [Dael, Buchel, blz. 178]-in 1659 is raad lakenkoper Anthonis van Mansfelt [Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]=Johan Breijer is raad [Westhoff, blz. 234]=Jacom Meijen is raad [Westhoff, blz. 234=mr. Jan Carel van der Muelen, heer van Blijenburg [1672-1738] was kanunnik van St. Marie, raad van de stad Utrecht en heemraad van de Lekdijk Bovendams [Leeuw1885, blz. 73]-in 1741 is Hendrik van Soesdijk is burgemeester en raad van Utrecht [Nav1870.270; Nav1870.590]=mr. Frans Verschoor [.....- 1752 ] was schepen en raad in de vroedschap te Utrecht en drossaart van de hoge heerlijkheid Vreeswijk [Leeuw1885, blz. 73]-in 1729-1752 is mr. Hendrik Assuërus Wttewaall [1699-1775], raad en burgemeester van Utrecht. Hij trouwt in 1724 met Margaretha van Suchtelen [1696-1760]. Ze wordt in 1741 zowel met Stoetwegen als met Wickenburgh beleend. Daardoor komen beide heerlijkheden in het geslacht Wttewaall terecht en blijven daar tot in de 20e eeuw.=van 1752-1769 is Jacob de Joncheere [1716-1769] raad [Westhoff, blz. 231]-in 1753 is Hendrik Verbeek raad in de vroedschap [Groot Charterboek deel 1 blz. 38]=mr. Joseph Elias van der Muelen, heer van Maarssenbroek [1707-1781] was commissaris, raad [1753], schepen en burgemeester te Utrecht [Groot Charterboek deel 1 blz. 36; Leeuw1885, blz. 73]-Kaspar Burman [....-1757] is raad van Utrecht [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 107]=Thomas Adriaan de Joncheere [1745-1795] is raad [Westhoff, blz. 231]=Thomas Adriaan Boddens [1721-1796] is raad van 1762-1779 [Westhoff, blz. 232]-in 1775 wordt Andries Sijbrand Abbema [1736-1802] raad in de vroedschap van Utrecht; hij wordt in 1786 afgezet [Kobus/Rivecourt1.4; Winkler Prins, Geïllustreerde 1884, blz. 83]-In 1786 is Jan Anthony d'Averhoult raad in de vroedschap van de stad Utrecht.-In 1786 is mr. Jan André van Westrenen heer van Sterkenborch en geëligeerde raad van Utrecht [Chalmot1, blz. VIII]=mr. Pieter Jacob van der Muelen [1741-1796] werd in 1786 gekozen tot raad in de vroedschap te Utrecht [Leeuw1885, blz. 73]=mr . Rudolph Hendrik Nahuys [1744-1831] was raad in de vroedschap [Leeuw1885, blz. 70]=mr. Jan Jacob Ram [1717-1758] was raad, schepen en burgemeester te Utrecht [Kok2, blz. 711; Leeuw1885, blz. 93; Leeuw1887, blz. 24] .=Jacob de Joncheere [1758-1840] werd geboren in Paliacatta (India), was koopman en raad van de vroedschap te Utrecht, zoon van Nicolaas de Joncheere en Adriana van Son. Hij trouwde met (1) Lydia Maria Vos [Westhoff, blz. 261]=mr. Arent Albert de Ruever was raad en burgemeester te Utrecht [Kok2, blz. 711] .=mr. Jan Carel van der Muelen [1740-1811] was heer van Maarssenbroek en raad in de vroedschap te Utrecht [Leeuw1885, blz. 73]=Jonker mr. Albert Coenen [1735-1813] was heer van ‘s-Gravesloot en in Callantsoog, raad en schepen te Utrecht [Leeuw 1885, blz. 93] ruwaardEngelbert [1462-.....], prins van Kleef, is ruwaard van Utrecht [Verwoert, Handwoordenboek I. blz. 187]
schatmeester
-In 1458 is Adriaan van Lanscroon schatmeester. Deze betrekking bestond in het schatten en het vaststellen van het losgeld van de (krijgs) gevangenen, die hun vrijheid voor geld wilden bekomen [Leeuw1883, blz. 29]schepen=In 1366 is Jan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]=Jan van Alendorp [.....-1393] was heer van Blijenburg en in 1375 schepen van Utrecht [Kok2. blz. 577]=in 1384 is Bernt Proeys schepen [Wikiwand]=in 1394 is Johan de Voocht schepen [Leeuw1884, blz. 63]-in 1402 is IJsbrandt van der Aa schepen [Kok1, blz. 6;Kobus/Rivecourt.1.1; NNBW deel 2 1912, blz.1; Aa,Bio1, blz. 8]-In 1404 is Jan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1404 is IJsbrandt van der Aa schepen [Kok1, blz. 6;Kobus/Rivecourt.1.1; Aa,Bio1, blz. 8]-In 1406 is Jan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1406 is IJsbrandt van der Aa schepen [Kok1, blz. 6;Kobus/Rivecourt.1.1; Aa,Bio1, blz. 8]-In 1408 is Jan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1410 is Jan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1410 was IJsbrandt van der Aa schepen [Kok1, blz. 6; Kobus/Rivecourt.1.1; Aa,Bio1, blz. 8]-in 1416 was Jacob de Voocht van Rijnevelt [...-1439] was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1419 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63] -In 1419 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-van 1420-1437 was Jacob van Amerongen schepen en raad [Kok3, blz. 772]-in 1421 was Jacob de Voocht van Rijnevelt schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1422 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1423 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1423 was Johan Taetse schepen [Kok3, blz. 772]-In 1424 is Adriaan van Lanscroon schepen Leeuw1883, blz. 28]-in 1425 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1427 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1427 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1429 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1429 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1431 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1431 was Jacob de Voocht van Rijnevelt, schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1433 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1434 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1435 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1436 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1437 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1438 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1439 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1440 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1441 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1441 was Jacob van Amerongen schepen [Kok3, blz. 772]=Lubbert van Alendorp [.....-1468] was heer van Blijenburg en Abelschoten, in het jaar 1434 vermeld als Calenderbroeder, in 1441 als schepen, en in 1455 als raad van Utrecht [Kok2, blz. 577-578-In 1442 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1443 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1444 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1444 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29] -In 1445 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1446 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1446 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29] -In 1447 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1448 is Roetard van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-In 1448 is Braem van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29] en Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon [Leeuw1883, blz. 29] en Adriaan van Lanscroon [Leeuw1883, blz. 29]-in 1457 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29]-in 1459 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1495] raad te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1460 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1461 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1495] raad te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1461 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29] en Johan van Lanscroon [Leeuw1883, blz. 29]-in 1462 is Adriaan van Lanscroot schepen-burgemeester [Leeuw1883, blz. 29]-in 1463 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1495] raad te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1463 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29] en Adriaan van Lanscroot [Leeuw1883, 29]-in 1466 is Adriaan van Lanscroot schepen-burgemeester [Leeuw1883, blz. 29]-in 1466 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1495] was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1468 is Adriaan van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 28]-in 1466 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1495] was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1467, 1469, 1471, enz was Ernst Taetse van Amerongen schepen [Kok3, blz. 772]-in 1474 is Adriaan van Lanscroot schepen [Leeuw1883, blz. 29]-in 1476 is Adriaan van Lanscroot schepen [Leeuw1883, blz. 29]-in 1477 is Johan van Lanscroon schepen-burgemeester van Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-in 1481 is Johan van Lanscroon schepen-burgemeester van Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-in 1483 is Bruininck Pijll schepen in Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-In 1497 is Cornelis Foock schepen van Utrecht [Leeuw1883, blz. 66]-in 1501 is Gijsbert van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29]-in 1514 is Gijsbert van Lanscroon schepen [Leeuw1883, blz. 29]-in 1521 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1544], heer van Blikkenburg, was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1523 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1544], heer van Blikkenburg, was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-in 1526 was Frederik de Voocht van Rijnevelt [...-1556], heer van Blikkenburg, was schepen te Utrecht [Leeuw1884, blz. 63]-In 1535-1541 is Bruining Foock [...-1556] schepen van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]in...is Johan van Lanscroon schepen van Utrecht , ......-1597 [Leeuw1883, blz. 29]-In 1543 was Bruining Foock [...-1556] schepen van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]=in 1543 was Hendrik de Voocht van Rijnevelt [...-1578] schepen van Utrecht [Leeuw1884, blz. 64]=Cornelis Jacobsz van der Maeth, geboren circa 1510, schepen te Utrecht 1545, 1547, 1550- 1551, 1555, 1557, 1560, burgemeester 1548-49, 1553-1554, 1557- 1558, 1567, overleden Utrecht tussen 1 maart 1577 en 11 juli 1577, trouwt voor 1541 Mechteld Dircksdr van Crachtwijk, overluid Utrecht 29 mei 1602, dochter van Dirck Dircksz van Crachtwijck en Mechtelt van Westrenen Dix, Amersfoortse, blz. 352]-Cornelis van der Maet, ook van der Mate, in 1548, 1549, 1554 en 1563 burgemeester en schepen van Utrecht [Dix, Amersfoortse, blz. 352]=in 1551 was Hendrik de Voocht van Rijnevelt [...-1578] schepen van Utrecht [Leeuw1884, blz. 64]=in 1557 en in 1576-1577 was Dirk Canter schepen van Utrecht [Aa/vH/S., Biographisch3, blz. 121]-In 1581-1583 is Albert Foock schepen van Utrecht [Leeuw1883, blz. 67]-in 1581-1589 is Floris van Wede schepen van Utrecht -Jacob Cornelisz van der Maeth [1555-1620], schepen van Utrecht 1592,1597, ordinaris raad Hof van Utrecht trouwde (RK) op 13 augustus 1586 jkvr. Aleijd Ruijsch [...-1618]-in 1604-1610 is schepen Hendrick Gijsbertsz. van Nijenrode.[Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]-in 1613-1617 is schepen Willem Hendricksz van Nijenrode [Utrechtse Parentelen vóór 1650, deel 3, blz. 19-25]=Dirk van der Does of Diderik Douza is schepen [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 159]=Cornelis van Duverden is in 1619 schepen van Utrecht [NNBW 1911, blz. 329]=Cornelis Booth (1605-1678) was schepen [Dael, Buchel, blz. 178]=mr. Joseph Elias van der Muelen, heer van Maarssenbroek [1707-1781] was commissaris, raad [1753], schepen en burgemeester te Utrecht [Groot Charterboek deel 1 blz. 36; Leeuw1885, blz. 73]=mr. Frans Verschoor [.....- 1752 ] was schepen en raad in de vroedschap te Utrecht en drossaart van de hoge heerlijkheid Vreeswijk [Leeuw1885, blz. 73]=in 1754 is Jacob de Joncheere schepen [Westhoff, blz. 231]=in 1765 is Thomas Adriaan Boddens schepen [Westhoff, blz. 232]=mr. Reinier Verschoor, heer van Tollenburg [1739-1791] was commissaris en schepen te Utrecht en extra-ordinaris raad in den hove provinciaal van Utrecht [Leeuw1885, blz. 73]=Jonker mr. Albert Coenen [1735-1813] was heer van ‘s-Gravesloot en in Callantsoog, raad en schepen te Utrecht [Leeuw 1885, blz. 93] =mr. Jan Jacob Ram [1717-1758] was raad, schepen en burgemeester te Utrecht [Leeuw1885, blz. 93; Leeuw1887, blz. 24] .
schout=Bernt of Barend Proeys is van 1388-1410 schout van Utrecht [Leeuw1883, blz. 28; Kok1, blz. 136]=In 1424 is Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon schout van Utrecht [Leeuw1883, blz. 29]-Borre van Amerongen is heer van Zandenburg en hoogschout van Utrecht [Chalmot285]-in 1521 is Gijsbert van Lanscroon schout [Leeuw1883, blz. 29]-in ...is Jan Taets van Amerongen schout [Kobus/Rivecourt1.36; Kok3, blz. 772]=in... is Borre van Amerongen schout [BMHG 1877, blz. 416]=in. ... is Ruysch schout [BMHG 1877, blz. 416]=tot in 1621 is Johan van Zuylen schout [BMHG 1877, blz. 415]=opgevolgd door zijn zoon Diderik van Zuylen [BMHG 1977, bl.z 415=over het recht op aanwezigheid in de vergadering [BMHG 1877, blz. 404 e.v.]
secretaris=in 1636 was Van der Nijpoort secretaris [Verwoert2, blz. 108]
verdinkmeesters-Personen aangesteld om met de ingezetenen ten platte lande, die het branden, plunderen en roven wilden afkoopen, nopens den prijs der brandschatting overeen te komen; -Jonge Jan van Lichtenberg van Lanscroon is in 1458 één van de verdinkmeesters [Leeuw1883, blz. 29]
vroedschap=in 1736 was van Cleef vroedschap [Kok1, blz. 180]=in 1736 was J.J. van Mansveld vroedschap [Kok1, blz. 180-181]=in 1736 was Burman vroedschap [Kok1, blz. 180]=in 1774 wordt Otto Willem Philippus Falck lid van de vroedschap. Hij wordt later door de democraten uit de raad verwijderd [Horst, Republiek, blz. 18-19]=in 1782 wordt Isaac Falck [1723-1809] secretaris van de vroedschap [Horst, Republiek, blz. 18]=in 1782 wordt Jan Hinlopen [1759-1808] lid van de vroedschap [Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 309]
financiënacademie=op 16 maart 1936 werd de voor rekening van de stad genomen academie van Utrecht na verkregen octrooi van de staten van de provincie ingewijd [Kok1, blz. 180]gecommitteerden ter financie=In een krant van 14 maart 1698 wordt bj advertentie bekend gemaakt, dat ,,Gecommitteerden ter Finantie der Stadt Utrecht -op Saturdag den 5. Maert 1698 .O. St .", 's namiddags te 3 uur, publiek op het Stadhuis aan den meestbiedende zouden verhuren voor eenige jaren ,,in te gaen met Vervaer-tydt van Paesschen 1698 de Stadts Herberge, genaemt het Maliehuys - staende een de Stads Malie-baen op de Cingel ; mitsgaders de Malie-baen" enz ., waarvan de huur was vrijgekomen door den dood van den Malie-meester Herman van Meeuwen [Utrechtse Vrijdaegse Courant 14. Maert 1698, nr. 21 geziteerd door W.P. Sautijn Kluit, Hollandsche en Fransche Utrechtsche Couranten,in: BMHG 1877, 1e jrg, blz. 47]ontvanger=Thomas Adriaan de Joncheere [1745-1795] is ontvanger te Utrecht [Westhoff, blz. 231]thesaurier=Johan Breijer is thesaurier [Westhoff, blz. 234]
gemeentealgemeen=in 1795 waren er 32.000 inwoners [Stoffel, Massa, blz. 28]=in 1910 waren er 165.000 inwoners [Wink, blz. 1112]=in 1939 waren er ruim 600.000 inwoners [Stoffel, Massa, blz. 28]=in 1968 waren er 278.000 inwoners; de gemeente omvat Blauwkapel, Hoog-Raven, Kanaaleiland, Lunetten, Majella, Ondiep, Oog in Al, Oudwijk, Overvecht, Tolsteeg, Transvaal, Tuindorp, Tuinwijk, Zuilen [ter Laan, blz. 429]burgemeester=Walraven Robbert baron van Heeckeren van Brandsenburg [....-1845] is burgemeester[Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 287]=N.P.J. Kien is in 1877 burgemeester [BMHG 1877. blz. 3]raadslid=mr. Hendrik VerLoren van Themaat [1814-....] was lid van de gemeenteraad te Utrecht, voorzitter der arrondissementsrechtbank en lid van het voormalig provinciaal gerechtshof en' lid van provinciale staten van Utrecht [Leeuw1885, blz. 36]=dr. Carel Joseph van der Muelen [1782-1844] was heer van Maarssenbroek en lid van de raad van de stad Utrecht en van provinciale staten der provincie Utrecht [Leeuw1885, blz. 73]=Jonker mr. Jacob Diederik Coenen [1773-1835] was heer van 's-Gravesloot, dijkgraaf en watergraaf van Bijleveld en de Meerndijk, lid van de raad van Utrecht en thesaurier te Utrecht [Leeuw1885, blz. 93]-in 1878 is Hendrik Adrian van Beuningen lid van de raad [Wie23]-van 1881-1888 is jhr. mr. Kael Anthonie Godin de Beaufort lid van de raad [Wie35-In juli 1889 wordt Jhr.mr. Henrick Maurits Jan van Asch van Wijck lid van de raad [Wie47]secretaris=[n 1826 is P. de Roock secretaris van de stad Utrecht [Gosselin, blz. XIX]
thesaurier=Jonker mr. Jacob Diederik Coenen [1773-1835] was heer van 's-Gravesloot, dijkgraaf en watergraaf van Bijleveld en de Meerndijk, lid van de raad van Utrecht en thesaurier te Utrecht [Leeuw1885, blz. 93]
wethouder=Jhr. Albert Laurens Elisa Ram [1829-1885] was wethouder en lid van provinciale staten van Utrecht [Leeuw1885, blz. 76]=mr. Laurent Theodore Nepveu [1782-1839], heer van Herlaer, was wethouder van Utrecht en lid van P.S. van Utrecht [Leeuw1887, blz. 24
maatschappelijke hulpverleningAgnes van Leeuwenbergh [....-1562] bestemde in haar testament een groot deel van haar vermogen “tot alimentatie, nootdruft ende onderhout van armen mensschen , mans ende vrouwspersoenen, die gheen onderhout en hebben, sieck, cranck, ongevallich, bedtvast ende oick van peste bevanghen wesende, die sonder hulp van aelmissen nyet en souden connen geleven”. Zij werd daarmee de stichteres van het pesthuis Leeuwenbergh in Utrecht [Godschalk-Visser, Zilveren, blz. 11]
oorlogalgemeenschatmeester=Deze persoon schat en stelt vast het losgeld van gevangenen die hun vrijheid willen kopen. Op 19 februari 1458 wordt Adriaan van Lanscroon schatmeester [Leeuw1883, blz. 29]rechtspraakrechtbank=mr. Hendrik VerLoren van Themaat [1814-....] was voorzitter der arrondissementsrechtbank [Leeuw1885, blz. 36]=mr. Arnaud Gerard Joost Taets van Amerongen [1806-.....] was rechter in de rechtbank [Leeuw1887, blz. 10]=jkhr mr. Michael Adriaan Wichers [1836-...] was rechter [Leeuw1886, blz. 53]Hof van Utrecht=In 1565 is Hippolitus Persijn president van het Hof [Chalmot, Biographisch, deel 2, blz. 369]=mr. Hendrik VerLoren van Themaat [1814-....] was lid van het voormalig provinciaal gerechtshof en lid van provinciale staten van Utrecht [Leeuw1885, blz. 36]=Hieronimus van Alphen is procureur-generaal [Nieuwenhuis, blz. 104; Westhoff, blz. 233]BRONNENgeraadpleegde bronnenGosselin, NieuwenhuisliteratuurAa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorcum 1839, deel I, blz. XIX-XX, XXII, XXVIII, 6 ANF 1884, 11 maart, p. l(19e e)Akkerman, Koopmansgilde, p. 409 (1147)Alberts, Geschiedenis, p. 158 (1400)Alberts, Leveranties (13e- 15e e)Allan, Francis, De stad Utrecht en hare geschiedenis; voorafgegaan door eene algemeene geschied- en aardrijkskundige beschouwing over de provincie Utrecht, Amsterdam 1856Altmeyer, Marguérite, p. 59 (1518)Asch van Wijk, H.M.A.J. van, Geschiedkundige Beschouwing van het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, van de vroegste tijden af tot aan de veertiende eeuw. Derde stuk, Utrecht 1842, besproken in: BVGO 1844, blz/. 35-40Asch van Wijck, Driejarige Oorlog tusschen Maximiliaan en de stad Utrecht (1481-1484), 1842Asch van Wijck, Plegtige, pp. 113 (1549), 134 (id) Avis, Directe (12e-16e e)
Beaufort, Brief, p. 462 (1750-77) Bergh, Handboek, blz. 109 (12e e), 119 (9e e)Blink, Geschiedenis I, p. 224 (1524) Blok, Geschiedenis I, p. 256 (13e e) Blok, Holl. stad Bourg., p. 31 (1441-42) Bok, Marten Jan/Wijburg, W.A., De nakomelingen van de Utrechtse kunstschilder Jan van Scorel, in: Utrechtse parentelen vóór 1650, deel 3, Rotterdam 2012, blz. 11-59Bolhuis, Hofbeer (15e-18e e) Bolhuis, Pensie (13e- 19e e)
Chalmot, Biographisch, deel 2, blz. 285 [Borre], 375Chijs, Munten, blz. 15 (m.e.), 18 (id), 22 (11e e.), 38-39 (m.e.)
Deursen, Raad, p. 19 (1610) Dix, Rob, De Amersfoortse families Van der Mathe, Van der Maeth, Van der Maat (2): De periode 1500-1750, in: Gens Nostra 2023/6, blz. 352-362Dodt van Flensburg, Brieven, pp. 24-32 (1419) Doorman, Brouwerij, pp. 20 (1364), 71 (999; 1002), 75 (1305), 77 (1326; 1363), 80 (1364), 81 (1373), 89 e.v. (1364-1462)
Engels, Geschiedenis, pp. 18 (18e e), 23 (1184), 26 (815), 30 (1310), 52 (1482), 67 (1541), 80 (1580)
Fruin, R., Over zoenen en vreden in Holland, Zeeland en Utrecht en over de beteekenis van de Utrechtsche keur op de vredebraak van het jaar 1300 voor de politieke geschiedenis der stad, in: BVGO 1886, blz. 167-216Fruin, Oudste I, p. 144 (1541) Fruin, Informacie, blz. XIV (1481), 9 (1480-1490), 19 (1514), 39 (id), 43 (id), 48 (id), 58 (id), 390 [1510]
Geer, J.J. de, Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht, besproken door I.A. Nijhoff in BVGO 1864, blz. 1-12Goes, Register I,p. 143 (1528) Gosselin, J.J., Alphabetische naamlijst der gemeenten en derzelver onderhoorigheden ...etc, Amsterdam 1826, blz. XIXGosses, I.H., Merowingisch en Karolingisch Utrecht, in: BVGO 1910, blz. 209-266Graafhuis/Vries, Utrechtse (1793)
Heeringa, Oorlogslasten, p. 125 (16e e) Henne, Histoire I, p. 266 (1511)
Kluit, Hollandsche, p. 58 (1724) Kobus, J.C./jkhr W, de Rivecourt, Biographisch Handwoordenboek van Nederland, deel 1 [A t/m H], blz. 1, 3-4, 19, 36, 419Kok, Jacobus, Vaderlandsch woordenboek, Eerste deel [AA-AD], 2e druk, Amsterdam, Johannes Allart 1785, blz. 5, 216-217Kuyk, Levend, p. 277 (m.e.)
Leeuw 1883, blz. 29Lemmink, Staten, p. 27 (13e e)
Martens, J.L.A., Deductie van de Regeering der Stad Utrecht, gericht aan de Staten 's Lands van Utrecht, ter handhaving harer nominatie ter verkiezing van een lid de Geëligeerden [BMHG 1877., blz. 346-366] Martens, J.L.A., De Regeering der Stad Utrecht, betreffende haar recht om eigenmachtig belastingen te heffen, in: BMHG 1e deel, 1877, blz. 391-403Muller, Fragment, pp. 337 e.v. (16e e) Muller, S., Glossarium van de middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht , ' s Gravenhage , 1885. Muller Fz, S., Het oprichten eener vroedschap te Utrecht, in BMHG 1879, blz. 73-94Muller Fz, S., De middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht 2 delen, WOVR Eerste reeks, nr. 3, 's-Gravenhage 1883-1885 (Inl.), p. 29 (1233; 1260), 378 (15e e) Muller, Staat, p. 18 (1572) Muller, Strijd, pp. 54 (1315), 66 (1411), 74 (1414-17), 78-79 (1417) Muller, P.L., De partijstrijd te Utrecht over de nadere Unie, 1578-1579, in: BVGO 1886, blz. 327-381
Navorscher 1870, blz. 270, 590Navorscher III, p. 14 (m.e.); XXI, p. 276 (1527); XLVIII, pp. 624 e.v. (18e e). 694e.v. (id) Nieuwenhuis, G., Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen A-B, Thieme, Zutphen 1820. blz. 104Nijhoff, Oud, pp. 65 (1528), 133 (1617)
Post, R.R., Geschiedenis der Utrechtsche bisschopsverkiezingen tot 1535, in: Bijdr. Inst. voor M.E. Gesch, Utrecht 1933
Racer, Gedenkstukken, deel 2, blz. 207 (1418)Rees, Geschiedenis I, pp. 44 (1122), 47 (1337), 74 (1539)Rootselaar, Rekening, pp. 23 (1539), 27-28 (1585-86), 93-94 (id)
Schevichaven, Rijkstol, p. 3 (805) Sickenga, Omwenteling, blz. 11 (1795)Smidt/Rompaey, Chronologische III, p. 117 (1537) Smidt/Strubbe, Chronologische I, p. 282 (1494)
T.G.O. 1835, pp. 82 (1578), 201 (10e e), 216 (1580), 408 (1672), 502 (7e e); 1836, pp. 13 e.v. (1583), 396 (1537), 399 (m.e.); 1837, pp. 35 (16e e), 66 (1549), 156 e.v. (id); 1838, pp. 118 (1575), 131 e.v. (16e e), 330 e.v. (1671); 1839, pp. 93-103 (1483), 205-206 (id), 306 (15e e); 1840, pp. 220-221 (1549), 235 (1490); 1841, pp. 120 (1498), 374-375 (16e e) T.S. Drenthe, p. 57 (1395) T.S. Overijssel I, p. 85 (14e e); II, p. 52 (1364) T.S. Zeeland I,p. 217 (16e e) Telders, Niet, p. 194 (19e e)Theissen, Regeering, p. 136 (16e e)
Verloren van Themaat, Geschiedenis, p. 145 (17e-18e e)Verwoert, Hermanus, Handwoordenboek der vaderlandsche geschiedenis volgens de nieuwste en beste bronnen bewerkt, deel 1 [A-K], Nijmegen 1851, blz. 55-56, 80-81, 115, 159, 174
W.D.B.I.U.A. 1874, 1 augustus, p. 3 Westhoff, Maja, Familiebijbel van Maria Anna Vosch van Avesaet, deel 1, in: Gens Nostra 2024/4, blz. 231-238; deel 2, in: Gens Nostra 2024/5, blz. 260-269Wie is dat, blz. 23 [1889], 35 [1881, 47 [1878]Wijnpersse, Statistiek, pp. 383 (1854), 395 (1853)Winkler Prins, A. Geïllustreerde Encyclopedie (H-IYNX), deel 8, Amsterdam 1876, blz. 19