ObdamPlaats in Noord-Holland in de huidige gemeente Koggenland in West-Friesland. Ook Opdam (1120), Opperdam, Updamme (1347)algemeenIn 1811 vormen Obdam en Hensbroek één gemeente [1]. In 1817 wordt Obdam weer een zelfstandige gemeente [1]Van 1811 tot 1845 is Jan Hazelhorst schout, burgemeester en gemeentesecretaris van Obdam [1].Tot 31 december 1978 blijft Obdam een zelfstandige gemeente met de buurten Berkmeer en Obdammerdijk en een deel van Wogmeer [1].Per 1 januari 1979 wordt Obdam samengevoegd met de gemeente Hensbroek [1]Op 1 januari 2007 wordt Obdam onderdeel van de gemeente Wester Koggenland; de naam van de nieuwe gemeente wordt Koggenland [1]In 2013 heeft Obdam rond 5.000 inwoners [1].belastingenalgemeenAkte van goedkeuring uit 1806 door het Departementaal Bestuur van Holland van een door het gemeentebestuur vastgesteld plan tot heffing van enige plaatselijke belastingen [30]
bedePhilips van Bourgondië waarborgt op 13 mei 1454 aan Spanbroek, Obdam en Hensbroek hun privileges, vrijheden en rechten gedurende de tijd van de bewilligde bede van 10 jaar en doet teniet de benoeming van Daniël van Noordwijk tot baljuw van Spanbroek, Obdam en Hensbroek [12]dijkgeldIn de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31]
gemene heffingenBrieven van Gecommitteerde Raden uit 1736 en 1746 aan schout en gerecht van Obdam over de aanslag van het dorp in diverse gemenelandslasten [29]grondbelastingIn 1833 verzoekt J.D.C. van Heeckeren aan Koning Willem I, om vrijstelling van de grondbelasting wegens het eigendom van de hervormde kerk en pastorie van Obdam, met gunstige beschikking van de minister van financiën [51]landschotIn de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31] molengeldIn de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31] omslagIn 1815-1816 omslag over de huizen en landerijen in de polder Obdam [34]ontvanger=Simon van Stralen [1783-1845] was eerst ambtenaar aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, later rijksontvanger te Spanbroek en Obdam. In 1814 commissaris in het district Hoorn. Van 1814-1845 lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland [Leeuw1885, blz. 49]recognitiegelden=Verzoekschrift uit 1790 van hoofdingelanden, dijkgraaf en heemraden van de polder Weel en Braken te Obdam aan de Staten van Holland en West-Friesland om remissie van verponding en recognitiegelden voor de tijd van 20 jaar [33]=Uit 1688 dateert een akte van schuldbekentenis door Johannes Agricola aan Jacob van Wassenaer wegens een jaarlijkse recognitie voor het baljuw- en schoutambt van Obdam en Hensbroek en het secretarisambt van Hensbroek [44]=Stukken uit 1848 betreffende de afkoop van recognitiën over landerijen in de polders Wogmeer, Berkmeer en Weel en Braken [59]
registratierechtVan 1817-1905 wordt op sommige akten een recht van registratie geheven [32]tiende penningIn het Westfries Archief zijn beschikbaar de archieven: impost op begraven 1767-1811 en impost op trouwen 1767-1811 [4], kohieren van de 10e penning over de jaren 1553, 1558 en 1562 [7]. In de periode 1767-1805 is er een impost op trouwen en begraven [31]tiende verhogingIn de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31] trouwen en begravenIn het Westfries Archief zijn beschikbaar de archieven: impost op begraven 1767-1811 en impost op trouwen 1767-1811 [4], kohieren van de 10e penning over de jaren 1553, 1558 en 1562 [7]veertigste penningIn de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31] verpondingVerzoekschrift uit 1790 van hoofdingelanden, dijkgraaf en heemraden van de polder Weel en Braken te Obdam aan de Staten van Holland en West-Friesland om remissie van verponding en recognitiegelden voor de tijd van 20 jaar [33]In de periode 1790-1805 komen in het dorp de volgende belastingen voor: verponding, landschot, dijkgeld en molengeld [28] en de 40e penning en 10e verhoging [31] zegelrechtVan 1806-1811 wordt zegelrecht geheven [31]bestuuralgemeenOp 2 februari 1414 bepaalt Willem VI van Beieren dat Obdam samen met Hensbroek, Opmeer en Spanbroek "eene vrijheid en eene Stede wezen zullen geheeten Spanbroek". Ze krijgen dezelfde voorrechten, handvesten en vrijheden als aan Schellinkhout gegeven [1,3,16]. In 1426 komt daaraan reeds een einde wegens rebellie van Kennemers en West-Friezen. De privileges worden door Philips van Bourgondië verbeurd verklaard [1,3,35].In 1456 verleent Filips van Bourgondië een gedeeld stadsrecht aan Obdam en Hensbroek [1,3].In het Westfries Archief is beschikbaar het archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945 [4]baljuwIn 1772 wordt Constantijn Gerard Post aangesteld tot baljuw, schout en secretaris van Obdam en Hensbroek. Hij is tevens dijkgraaf van de Braken en secretaris/penningmeester van de Wogmeer [43]
rentmeesterTot 1842 is Jan Haarselhorst rentmeester van de goederen te Obdam en Hensbroek [46]
schoutIn 1772 wordt Constantijn Gerard Post aangesteld tot baljuw, schout en secretaris van Obdam en Hensbroek. Hij is tevens dijkgraaf van de Braken en secretaris/penningmeester van de Wogmeer [43]In de periode 1814-1820 is Jan Haarselhorst schout en secretaris van Obdam [45]
secretarisIn 1772 wordt Constantijn Gerard Post aangesteld tot baljuw, schout en secretaris van Obdam en Hensbroek. Hij is tevens dijkgraaf van de Braken en secretaris/penningmeester van de Wogmeer [43]In de periode 1814-1820 is Jan Haarselhorst schout en secretaris van Obdam [45]
economieAanvankelijk een dorp van landbouw en veeteelt [1]. De voor tuinbouw geschikte zavelgrond trekt aan het begin van de 20e eeuw tuinders naar dit gebied; het aantal veeboeren neemt dan af [1]
gemeentealgemeen=De stede Obdam wordt in maart 1811 opgeheven [1,3]=in 1968 een gemeente met 3000 inwoners; de gemeente omvat Berkmeer, Berkmeerpolder, Obdammerdijk, deels Spierdijk, deels Wogmeer [ter Laan, blz. 308]ontvangerIn 1840 wordt de chirurgijn B.A Pull gemeenteontvanger van Obdam [47]
heerlijkheidalgemeenObdam is een hoge heerlijkheid [3]. Arent van Gent 1429-1434Op 5 november 1429 verleidt Jacoba van Beieren ridder heer Arent van Gent met de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroek, Opmeer, Obdam en Hensbroek [15,35]. Jacoba van Beieren verklaart op 5 november 1429 dat ridder Arent van Gent haar heeft opgedragen de hoge en lage heerlijkheid van Lansmer (in Waterlant), die hij van haar in leen had. Voorts heeft hij twee renten op de tollen van Woudrichem afgelost, te weten 68 oude Dordrechtse Wilhelmusguldens op de schoonvader van Dirck van der Lecke en 16 Beierse schilden op de vrouw van Dirck van Zweeten. In ruil daarvoor beleent zij hem met de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroeck, Upmeer, Updam en Hensbroeck. Arent van Gent ontvangt het leen als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor de heer Van der Veer, de heer van Wassenair, heer Willem van Egmonde, heer Jan van Vyanen, heer Vranck van Borsselen, heer Phillips van Cortheen, Willem van Naeldwijck, Florens van Borsselen en Florys van Kijfhoeck. De inwoners van de heerlijkheid worden gelast om Arent van Gent aan te nemen als hun wettige heer [27].Filips van Bourgondië verklaart op 15 november 1429 dat hij de belening door Jacoba van Beieren, van Arent van Gent met de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroeck, Upmeer, Updam.en Hensbroeck op hun verzoek heeft bevestigd [26]
triumviraat 1434-1475In 1434 verkoopt Aernt van Gent aan een drietal personen. Op 1 augustus 1434 wordt Jan van Zwieten door Philips van Bourgondië beleend met een vierde deel in de hoge heerlijkheid van Spanbroek, Opmeer, Obdam en Hensbroek door hem gekocht van Aernt van Gent, heer van der Ghiessen [6,35]. De overige deelhebbers zijn Goswijn Michielss voor een kwart en Jan van den Boechorst voor de helft [14,35].Filips van Bourgondië verklaart op 1 augustus 1434 dat Jacoba van Beieren eertijds Airnt van Gent heeft beleend met de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroeck, Upmeer, Updam en Hensbroeck, hetgeen hij indertijd zelf heeft bevestigd. Nu is Airnt van Gent verschenen voor de heer van Santes (stadhouder van Holland) omdat hij het leen vanwege schulden heeft moeten verkopen aan Jan van der Boechorst, Jan van Zwieten en Gooswijn Michielszoen. Daarom draagt hij het leen op aan de grafelijkheid met het verzoek om het drietal ermee te belenen. Daarop is Jan van der Boechorst beleend met de helft van de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroeck, Upmeer, Updam en Hensbroeck, met alle toebehorende renten, tienden, profijten, inkomsten en rechten. Hij moet het leen onderling verdelen met Jan van Zwieten en Gooswijn Michielszoen. Voorts worden bepalingen opgenomen over de vererving van het leen. Hij ontvangt het als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor Florys van den Abele, Geryt van Zijl, Boudijn van Zwieten en Goidscalc Oem. De inwoners van zijn "kavel" worden gelast om Jan van der Boechorst aan te nemen als hun wettige heer [25].Op 5 april 1438 voegt Philips van Bourgondië het vierde deel dat aan Goswijn Michielss toekomt en dat deze aan de hertog heeft opgedragen, bij het leen van Jan van den Boechorst. Als Jan overlijdt komt het leen aan diens jongste zoon Floris van Noordwijk, de zoon van Lijsbeth heer Florisdr. van Alkemade [13]Filips van Bourgondië verklaart op 7 april 1438 dat hij Jan van der Boechorst heeft beleend met een vierendeel van de hoge en lage heerlijkheid van Spanbroeck, Upmeer, Updam en Hensbroeck. Dit leen was ten behoeve van hem aan de grafelijkheid opgedragen door Goeswijn Michielszoon. Na de dood van Jan van der Boechorst zal het leen geërfd worden door Florens van Noortich, de jongste zoon van hem en Lijsbetten van Alcmade, heer Florensdochter. Als deze dan al kinderloos gestorven zal zijn dan zal de op één na jongste zoon erven. Als ook die al gestorven zou zijn dan zullen zijn zonen Jan en Danel van Noortich ieder de helft van dit vierendeel erven. Bij vererving gaan jongere zoons vóór oudere dochters. Gedaan voor leenmannen Geryt van Zijl, Boudijn van Zweeten en Florens Paedze [24].Op 31 januari 1456 beleent Philips van Bourgondië Jan van Noordwijk met o.m. het vierde deel van de ambachtsheerlijkheden Spanbroek, Opmeer, Obdam en Hensbroek [11]In juni 1456 vormt Philips van Bourgondië de stede Obdam-Hensbroek en geeft hen de privileges terug die zij tevoren samen met Spanbroek en Opmeer had [35].In 1457 heeft Jan van Zwieten Opmeer, Daniël van Noordwijk bezit de helft, Spanbroek, en Jan van Noordwijk Obdam en Hensbroek [35]
Jan van Noordwijk 1475-1501In 1475 komen de drie heren overeen de heerlijkheid in drieën te splitsen. Op 28 mei 1475 bekrachtigt Karel van Bourgondië de overeenkomst. De drie heerlijkheden worden beleend aan Floris van Noordwijk (lage heerlijkheid Spanbroek), Jan van Zwieten (de hoge heerlijkheid Opmeer) en aan Jan van Noordwijk (de lage heerlijkheid Obdam en Hensbroek) [8,35].Maximiliaan en Filips van Oostenrijk verklaren op 14 februari 1487 dat zij Jan van Nortich hebben beleend met de ambachtsheerlijkheid van Updam en Heensbrouck, met de boeten van tien pond of hoger, alsmede alle daar vanouds toe behorende renten, profijten en inkomsten. Deze belening is geschied vanwege een splitsing van de heerlijkheid Spanbrouck, Upmeer, Updam en Heensbrouck die met toestemming van Karel van Bourgondië is gemaakt door Jan van Nortich, Florens van Nortich en wijlen Jan van Zwieten, die deze heerlijkheid ooit gemeenschappelijk in leen hadden. Jan van Nortich ontvangt het leen als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor Jan van Rietvelt, Aernt die Juede en Allairt Evertszoon, leenmannen van Holland [23]. Jan overlijdt kinderloos [37]
Jacob van Noordwijk 1501-1504Jacob van Noordwijk is een zoon van een broer van Jan van Noordwijk [37]. Filips van Oostenrijk verklaart op 21 maart 1502 dat hij Jacop van Noirtich heeft beleend met de heerlijkheid van Opdam en Heynsbrouck, met het schoutambacht, de tienden, zwanedriften, vogelrechten, visrechten, maalrechten, alsmede het visrecht van de Vogmeer en verdere toebehoren. Dit leen is aan hem gekomen door het overlijden van zijn oom Jan van Noirtich, in leven ridder en heer van Noirtigerhout. Hij ontvangt het leen als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor Thielman van Dullekum, Dierick van Boneem, Pieter Pluymerm, Heynrick Smout en Pieter de Grebber, leenmannen van Holland [22].
Anna van Noordwijk 1504-1541Anna is een dochter van Jacob van Noordwijk [37]. Filips van Oostenrijk verklaart op 11 december 1504 dat hij Anne van Noirtich heeft beleend met de heerlijkheid van Opdam en Hensbrouck, met het schoutambacht, de tienden, zwanedriften, vogelrechten, visrechten, maalrechten, alsmede het visrecht van de Wogmeer en verdere toebehoren. Dit leen is aan haar gekomen door het overlijden van haar vader Jacop van Noirtich. Zij ontvangt het leen als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor Clais Corff, Jacob Pijnszoen, Willem van Ruyven, Dierick van Boneem, Huyge Gijsbrechtszoen, Pieter de Grebber en Cleen Jan Bruyn, leenmannen van Holland [21]In het Westfries Archief is beschikbaar het archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945 [4]Pyeter van Foreest en Jan Conincxz, leenmannen der grafelijkheid van Holland, verklaren op 10 februari 1541 dat Anna van Noortich de heerlijkheid Opdam en Hensbroeck met toebehoren heeft opgedragen aan Zijne Keizerlijke Majesteit als graaf van Holland, ten behoeve van haar zoon Jacob van Duvenvoerde. Daarbij vraagt zij Z.K.M. of zijn stadhouder-generaal om haar zoon te belenen [20]
Jacob van Duvenvoorde 1541-1559Jacob is een zoon van Anna [37]. Karel V verklaart op 15 februari 1541 dat hij Jacob van Duvenvoirde heeft beleend met de heerlijkheid van Updam en Hensbroeck, met het schoutambacht, de tienden, zwanedriften, vogelrechten, visrechten, maalrechten, alsmede de visserij van de Wougmeer en verdere toebehoren. Dit leen is aan hem gekomen nadat zijn moeder, Janna van Noortich, het leen had opgedragen ten overstaan van de leenmannen van Holland. Hij ontvangt het leen als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden. Gedaan voor Zegelijn van Alveringe (heer van Hofwegen), ridder meester Le Bucq en Jacob van Buschuysen, leenmannen van Holland [19]. Jacob overlijdt op 28 april 1559 [37].
Gijsbert van Duvenvoorde 1559-1580 Gijsbert van Duvenvoorde (1540-1580) is vanaf 1559 heer van Obdam en Hensbroek [2,35]. Hij is een zoon van Jacob [37]. Hij trouwt Maria van Hoxwier en krijgt met hem een zoon, Jacob van Duvenvoorde [60]Willem van Oranje verklaart op 8 december 1575 dat de vader van Gijsbert van Duvenvoorde, heer van Obdam en Hensbroeck, indertijd een geschil had met de procureur-generaal van het Hof van Holland over het bezit van de hoge heerlijkheid en jurisdictie van die dorpen. Er is toen overeengekomen dat zijn vader de pretenties van de grafelijkheid van Holland zou afkopen voor een bedrag van 100 filipsguldens. Zijn vader is echter overleden voordat hij het bedrag kon voldoen. De zaak is toen niet afgedaan omdat Gijsbert in het buitenland zat, maar ook vanwege de nalatigheid van zijn moeder. Gijsbert wil de afkoop nu alsnog doen, hetgeen hem wordt toegestaan tegen betaling van 125 pond, te betalen aan de rentmeester-generaal van Kennemerland en West-Friesland. Gijsbert moet deze beschikking laten registreren bij de Rekenkamer van Holland [17].
Jacob van Duvenvoorde 1580-1620/Jacob van Wassenaar 1620-1623In 1580 volgt zijn zoon, Jacob van Duvenvoorde [1574-1623] hem op [37]. Jacob noemt zich vanaf 1620 Jacob van Wassenaar [37].Akte van overeenkomst uit 1587 tussen Arend van Duvenvoorde (als voogd van Jacob van Duvenvoorde) en die van Obdam en Hensbroek, over een door de dorpen te betalen bedrag wegens de kosten van het jaarlijkse bezoek van de heer met zijn gevolg [40].In 1598 geeft Jacob van Duvenvoorde aan Cornelis Heynricxz Heymaet toestemming om in de Noorderbraak zwanen te houden [52].In 1603 wordt hij lid van de ridderschap van Holland [61]Jacob trouwt op 5 oktober 1604 te Den Haag met Anna van Randerode van der Aa (......- 1614), dochter van Gerard van Randerode van der Aa [1541-1600], heer van Steenwinkel, en van Petronella van der Laen [64]Akte van huldiging van Jacob van Duvenvoorde in 1609 als heer van Obdam door schout, burgemeester, schepenen en rijkdom [41]In 1611 maakt hij deel uit van een delegatie op vredesmissie naar Zweden met Dirk Bas , burgemeester van Amsterdam en Rombout Hoogerbeets, raadsheer in de Hoge Raad. De vrede wordt niet getekend. [62]Jacob kocht in 1615 van prins Lamoraal 1 van Ligne, als heer van Wassenaar, de heerlijkheid Zuidwijk onder Wassenaar, gelegen tussen Leiden en Den Haag [63]. Jacob van Wassenaar 1623-1665Zoon van Jacob. Geboren in 1610. Luitenant-admiraal van Holland die op 13 juni 1665 om het leven komt als het schip "De Eendracht" bij Lowestoft in de lucht vliegt [37]Hij komt in 1635 voor in een sententie van de Hoge Raad van Holland en Zeeland [Navorscher 1852, blz. 323]In 1645 schrijft het dorpsbestuur van Obdam een brief aan Jacob van Wassenaer over eventuele bemiddeling bij het verkrijgen van het benodigde geld voor de bouw van een predikantswoning [48]. Uit het register van resolutiën der Staten van Holland en West-Friesland van 1651 volgt dat een subsidie aan de gereformeerden van Hensbroek is verleend ten behoeve van de bouw van een nieuw kerkgebouw [49]Jacob van Wassenaar 1665-1714Zoon van Jacob. Jacob van Wassenaar [1665-1714] is heer van Obdam, Hensbroek, Wogmeer, Spierdijk en Zuidwijk [Adel1925, blz. 235; Leeuw1883, blz. 59]Verordening op de jacht in 1688 in de jurisdictie van Obdam, vastgesteld door het dorpsbestuur op last van Jacob van Wassenaer [53].Akte van overeenkomst uit 1693 van Jacob van Wassenaer met Jacob Sijms over de betaling van recognitiën over vijf morgen land in de Berkmeer [56]Jacob overlijdt op 24 mei 1714 [37]
Johan Hendrik van Wassenaar 1714-1745Zoon van Jacob.Uittreksel uit het van 1722 daterende proces-verbaal van de verkoop van enige grafelijkheidstienden en -landen door de Staten van Holland en West-Friesland, betreffende de aankoop door Johan Hendrik van Wassenaer van de tienden in het Ursemmer deel van de Wogmeer [57]Verzoekschriften uit 1727 aan Johan Hendrik van Wassenaer om Olof Jacobsz toe te laten als schipper van de trekschuit van Obdam naar Alkmaar [54]Verzoekschrift uit 1740 van Albertus van Soest aan Johan Hendrik van Wassenaer om admissie als biersteker van Obdam [55]Notariële akte van overeenkomst uit 1741 over de jaarlijkse betaling van enige belastingen en het onderhoud van een brug en een weg door dijkgraaf en heemraden van de Heerhugowaard ten behoeve van die van Hensbroek. Met aantekening van Johan Hendrik van Wassenaer dat hij de overeenkomst heeft goedgekeurd [42]Hij overlijdt op 5 februari 1745 [37].
Unico Willem van Wassenaar 1745-1766Broer van Johan Hendrik. Hij overlijdt op 9 november 1766 [37]
Jacob Johan van Wassenaar 1766-1779=Zoon van Unico Willem. Hij overlijdt op 25 december 1779 [37]=Jacob Jan, Grave en Baanderheer van Wassenaar tot Wassenaar en Zuidwijk, Vrijheer van Obdam, Hentbroek, Spierdijk, Wogmeer en der Vrije Heerlijkheid Lage, Heer van Weldam en Oliedam [Alg. Konst-en Letterbode 1788, blz. 167]
Carel George van Wassenaar 1779-1794Broer van Jacob Johan [37].In 1781 wordt de heerlijkheid Obdam en Hensbroek in tweeën gesplitst [35]. Carel George van Wassenaer verkoopt in 1781 Hensbroek aan Anthony van Maurik uit Sloten [35].Verzoekschrift uit 1783 van Aris Ruiter (uit Obdam) aan Carel George van Wassenaer, om hulp bij de vordering van een bedrag van de regenten van Spanbroek, en om maatregelen tegen zijn buren, omdat hun eenden al zijn verbouwde groenten opeten [50]Stukken betreffende de verkoop van Hensbroek door Carel George van Wassenaer aan Anthony van Maurik en over de geschillen die naderhand zijn ontstaan over de overeenkomst van verkoop en koop [38]. Hij draagt de heerlijkheid in 1794 aan zijn zoon. Daarvan is een akte van afstand en een akte van de belening van de zoon door Staten van Holland en West-Friesland [39]. Hij overlijdt op 14 juli 1800 [37]
Jacob Unico Willem van Wassenaar 1794-1812Zoon van Carel George [37].De heerlijkheid verliest in maart 1811 aan betekenis [1,3]. Jacob overlijdt op 31 augustus 1812 [37]
Maria Cornelia van Wassenaar 1812-1850Dochter van Jacob Unico Willem [37]. Ze trouwt in 1831 met Jacob Derk Carel van Heeckeren. Het huwelijk blijft kinderloos [37]De belangrijke rechten van aanstelling van vóór 1795 (zoals die van baljuw, schout en magistraat) worden in 1814 beperkt tot een recht van voordracht (van bijv. burgemeester en gemeenteraadsleden) aan de Koning of aan Gedeputeerde Staten. De Grondwet van 1848 maakt daaraan echter ook een einde [35].
Jacob Derk Carel van Heeckeren 1850-1875Weduwnaar van Maria Cornelia [37] Hij hertrouwt in 1852 met Isabella Antoinetta Sloet van Toutenburg Hij overlijdt op 7 november 1875 [37]
Maria Cornelia van Heeckeren van Wassenaer 1875-1912Dochter van Jacob Derk Carel [37]. Zij trouwt in 1877 met Willem Carel Philip Otto Aldenburg-Bentinck. Beiden overlijden in 1912 [37].
Frederik George Unico Willem Aldenburg-Bentinck 1912-1922Hij is een zoon van Maria Cornelia [37]. De laatste predikant van wie de beroeping nog door een "heer van Obdam" wordt goedgekeurd is die van G.B. Kruizinga in 1919. Bij de grondwetswijziging van 1922 wordt het collatierecht afgeschaft [35].Frederik overlijdt in 1942 [37]. In 1948 gaan de bezittingen van Frederik over aan de Staat der Nederlanden [36]
los-en lijfrentenBurgemeesters en schepenen van Spanbroek, Opmeer en Obdam en Hensbroek verkopen op 5 maart 1482 een eeuwige rente van 34 Rijnse guldens per jaar. De ontvangen hoofdsom is gebruikt voor de bestrijding van de kosten van de oorlog van Holland tegen Utrecht [9]. De rente wordt afgelost op 26 november 1650 [9]
rechtspraakKarel V verklaart op 12 mei 1544 dat hij een verzoek heeft gekregen van Jacob van Duvenvoorde, heer van Heynsbrouck en Opdam. Heynsbrouck en Opdam zijn dorpen met een eigen parochiekerk. Desondanks hebben zij samen een schout en gerecht. Omdat het inwonertal vermeerdert en de dorpen diverse geschillen hebben gehad willen die van Opdam een eigen schout en gerecht hebben. Jacob van Duvenvoorde mag echter geen aparte gerechten aanstellen zonder toestemming van Karel V. Deze staat het gevraagde toe en beveelt een ieder die het aangaat om Jacob dit recht vredig te laten gebruiken [18].In 1544 valt de stede uiteen in twee [1]. Beide dorpen hebben vanaf dat jaar een rechtbank voor strafzaken en civiele zaken [3]. De schout treedt op als eiser in strafzaken, de schepenen wijzen vonnis [3]. Ze vonnissen ook in civiele zaken, ze passeren akten bij verkoop van onroerend goed of het aangaan van een hypotheek en wijzen voor weeskinderen voogden aan en houden toezicht op hun beheer [3]. tiendenStukken uit 1844-1845 betreffende de weigeringen van betaling en de afkoop van de tienden in Obdam en de Wogmeer [58]
waterstaatIn de 14e eeuw wordt een dijk gebouwd tussen Obdam en Hensbroek, de latere Molendijk [1].Op 15 september 1481 doet Jan, heer van Noordwijk en Noordwijkerhout als voogd van Florens van Noordwijk uitspraak in een geschil tussen Spanbroek, Obdam en Hensbroek over het onderhouden en herstellen van de dijken langs de Berkmeer en de Kaaggouw [10]In 1535 is er één molen bij Obdam en Hensbroek in gebruik [1].In 1544 beschikken beide plaatsen over een eigen molen [1].Uitspraak van 22 december 1550 van het Hof van Holland in een geschil tussen die van Obdam en Hensbroek betreffende hun onderlinge verdeling van de kosten van de Hondsbossche en de Vier-Noorder-Koggen-zeedijk, ten gunste van die van Obdam [5]Het Wogmeer is in 1608 drooggemaakt [1]. Het levert ruim 726 morgen nieuw land op; 20% daarvan is eigendom van Jacob van Duvenvoorde [36]
BRONNENgeraadpleegde bronnenNNBW1literatuur[1] Wikipedia[2] Kobus/de Rivecourt, Biographisch, blz. 470[3] westfriesarchief.nl/historie[4] westfriesarchief.nl/onderzoek[5] Westfries Archief 0216 Collectie handschriften en losse archivalia, sub 2, nr. 618[6] Westfries Archief 0216 Collectie handschriften en losse archivalia, sub 2, nr. 1053[7] Westfries Archief 0216 Collectie handschriften en losse archivalia, sub 2, nr. 1442[8] Westfries Archief 0216 Collectie handschriften en losse archivalia, sub 2, nr. 1511[9] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 13[10] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 12[11] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 9[12] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 8[13] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 7[14] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 6[15] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 5[16] Westfries Archief 1048 Heren van Spanbroek en stede en dorpsbestuur Spanbroek 1399-1823, nr. 4[17] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 20[18] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 15[19] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 13[20] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 12[21] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 9[22] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 8[23] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 7[24] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 5[25] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 4a[26] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 3[27] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2[28] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 1.2.1.2.2. Financiën, nrs.11-24 en nr. 1.2.1.2.3.1. Belastingen[29] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 1.2.1.2.3.2. Belastingen, nr. 40[30] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 1.2.1.2.3.2. Belastingen, nr. 41[31] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 1.2.3. Secretaris[32] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 2.1.6, Stukken van algemene aard, nrs. 256-257[33] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 3.1. Archief van het niet-gereglementeerde polderbestuur van Obdam, nr 885[34] Westfries Archief 0973 Stede en heerlijkheid Obdam, later gemeente Obdam 1512-1945, nr. 3.1. Archief van het niet-gereglementeerde polderbestuur van Obdam, nr 890[35] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 1.1.[36] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 1.2.[37] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 1.5; Kok1, blz. 5; Kok13, blz. 52; NNBW 1911, blz. 4[38] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.1. sub 8[39] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.1. sub 9-10[40] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.1 Huldiging en jaarlijkse bezoeken, nr 11[41] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.1.Huldiging en jaarlijkse bezoeken, nr 12[42] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.2. Dorps-,gemeente- en polderbestuur, nr. 33[43] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.2. Dorps-,gemeente- en polderbestuur, nr. 58[44] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.3. Funktionarissen, nr. 68[45] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.3. Funktionarissen, nr. 75; Nieuwenhuis, G., Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen A-B, Thieme, Zutphen 1820. blz. XIV[46] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.3. Funktionarissen, nr. 78[47] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.3. Funktionarissen, nr. 83[48] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.4. Armen, kerk, predikanten, bevolking, nr. 85[49] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.4. Armen, kerk, predikanten, bevolking, nr. 85[50] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.4. Armen, kerk, predikanten, bevolking, nr. 102[51] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.4. Armen, kerk, predikanten, bevolking, nr. 106[52] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.5. Rechten van admissie, jachtrecht, veerrecht, windrecht, zwanedrift, nr. 109[53] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.5. Rechten van admissie, jachtrecht, veerrecht, windrecht, zwanedrift, nr. 111[54] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.5. Rechten van admissie, jachtrecht, veerrecht, windrecht, zwanedrift, nr. 112[55] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.2.5. Rechten van admissie, jachtrecht, veerrecht, windrecht, zwanedrift, nr. 114[56] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.4.2. Visrechten, recognitiën, tienden, nr. 127[57] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.4.2. Visrechten, recognitiën, tienden, nr. 128[58] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.4.2. Visrechten, recognitiën, tienden, nr. 130[59] Westfries Archief 0964 Huisarchief Weldam, nr. 2.4.2. Visrechten, recognitiën, tienden, nr. 131[60] Kok13, blz. 53; Verwoert, Handwoordenboek I, blz. 171[61] Kok1, blz. 5[62] Chalmot, Biographisch, deel 2, blz. 116[63] Wikiwand[64] Kok1, blz 5; Wikiwand[65] Leeuw1885, blz. 49
BRONNENgeraadpleegde bronnenNavorscher 1851-1852literatuurBruin, J. de, Inventaris van de archieven van de stede en heerlijkheid Obdam en de gemeente Obdam, Hoorn 1996Fruin, Informacie, pp. 117-119 (1514)Kok, Jacobus, Vaderlandsch woordenboek, Eerste deel [AA-AD], 2e druk, Amsterdam, Johannes Allart 1785, blz. 5Navorscher 1852, blz. 323Nieuwenhuis, G., Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen A-B, Thieme, Zutphen 1820. blz. XIV