DRAMA SUTRA
Hij was dol op forse vrouwen,
flirtte door tot hij ze ving.
Ditkeer had hij wel een prachtvangst:
Yajatissalek’r Dingh.
Haar sari als een circustent
vol wonderbare nummers,
haar lijf éen grote tabla
voor wel achtenveertig drummers.
Vanavond zou ze bij hem zijn,
zijn schriele lijf het hare.
Het zou een flinke dobber zijn -
een zalige, maar zware.
Als guru had hij nimmer echt gedeugd,
als yogi was hij onmiskenbaar matig.
Toch vielen dikkerds vlot op hem - tot vreugd! -,
al was zijn eigen lichaam dan vrij gratig.
Hij was volgzaam, onderdanig,
en gewillig bovendien.
Wellicht zocht Yaja dát juist.
Wel, hij zou het spoedig zien.
Ze mocht hem werpen - liefst op bed -,
en bovenop hem springen,
hem pletten met haar liefdeswals,
en meer van dat soort dingen.
Het zou wel wat benauwend zijn,
zo onder vlees begraven,
maar krishnabrahmaputra!
Wat een stupa, wat een gaven!
Ze spróng op hem, hij wérd geplet.
Aan’t kruis genageld. Karmawet.
Reeds morgen wordt hij bijgezet -
als fakir op zijn spijkerbed.
© Vin 2017