De nacht in de Kala Pattar Lodge verliep afgezien van een extra “pipi” door het bier rustig. Gelukkig was er maar één sleutel weg zodat ik niet naar buiten hoefde. Na het ontbijt waren we ondanks wat verwarring omdat Nuri nog van alles met zijn vele vrienden moest regelen toch nog snel weg. Het pad naar de rivier donderden we werkelijk met een noodgang af. Down richting Lukla was het rustig maar “up” was het druk, vooral met veel Japanners. Ik begreep nu de gezichten van degenen die wij op de heenweg “down zagen gaan. Vermoeidheid, haast vanwege de terugweg, blijdschap over de komende echte douche en droefenis over het einde. Het weer was prima, afgezien van de soms harde wind, zodat de korte broek er toch weer aan de pas kon komen..
De afhandeling bij de parkuitgang verliep voorspoediger dan we gedacht hadden. De permits waren namelijk door Mr. Amar bij vergissing voor 14 dagen in plaats van voor 18 aangevraagd. In verband daarmee hadden we enige problemen voorzien. Met Leny in de voorhoede kwamen de parkwachters niet op vragen en dat scheelde toch maar zo’n $ 10 p.p.
Phakding was onze eerste stopplaats en daar bleken we zo snel gegaan te zijn dat we nog rustig een uurtje konden eten en in het zonnetje zitten. We pauzeerde bij Nuri`s standaard lodge, een andere dan waar we op de heenweg geslapen hadden en zo te zien “stukken” beter. Het was daar in ieder geval goed toeven met de voeten op de tafel. Het laatste stuk ging heerlijk in het zonnetje maar met een wat harde wind eerst nog wat op en af.
Onderweg kocht Nuri nog zo ongeveer een halve mand mandarijnen van een koopman die op weg was naar de markt in Namche Bazar. Klein, groenig maar smakelijk. Daarna kreeg hij het in zijn hoofd om bonen te gaan kopen die naar later bleek voor Mr. Amar waren. Kortom hij was zo uitgelaten dat hij nog extra rondjes in de gebedsmolens maakte.
Na de afslag naar Jiri ging het voor het laatst flink omhoog naar Lukla. Het was intussen behoorlijk warm geworden en dorstig als wij waren konden we geen weerstand bieden aan de cola in een winkeltje onderweg. De drager zagen er zo dorstig uit dat we ze buiten de verzorging van Nuri om ook maar cola gaven. Het moet voor hun een gek idee zijn om zoiets als een half dagloon op te drinken. Het laatste stuk hielden Nuri en ik, onder protest van Leny, een speedmars ten bewijzen dat we met zuurstof goed mee konden komen. Dat viel gelukkig niet tegen want we passeerden (klantvriendelijk) gelijk de toegangspoort van Lukla. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat hij meer adem overhad en geen hoestbui kreeg.
Lukla was redelijk druk met aan- en afreizigers die in de dorpsstraat flaneerden. Onder hen ontdekten we plots Ton, die hoewel sterk vermagerd, er veel beter uitzag. Nu lag Kami geveld door zijn virus in de lappenmand van de Boeddha Lodge. Ton was via het Hospitaal in Khumde naar Namche Bazar getrokken om vandaar uit dagtochten te gaan maken. Uiteindelijk was hij toch één dag eerder dan wij naar Lukla gegaan, met achterlating van een briefje, dat ons helaas niet had bereikt. In ieder geval waren we weer volledig maar vraag aan het hoesten te horen niet hoe. Zelfs Otto begon wat mee te doen aan het concert met Hub als absolute topsolist.
De lodge-uitbater bleek alles volgens afspraak geregeld te hebben zodat niets een goede terugtocht nog in de weg leek te staan. Na wat was- en pak-exercities brachten we al etend nog een genoeglijke avond door. Gelukkig konden we ook hier de kachel nog aan de gang krijgen door Oma te adviseren om de asla eens te legen. Het uitvallen van het licht verhoogde de sfeer nog verder (of was het bier de oorzaak.).
In ieder geval stapten we goed voorbereid op de reis in de slaapzakken en vielen bij het geluid van een nog nooit eerder meegemaakte honden-blafwedstrijd in slaap. Tegen de morgen konden we de prijs aan een kleine keffer uitreiken die na een urenlange strijd zelfs de zwaarste blaffers stil had gekregen. Gezegd moet worden dat daar na de dageraad geen hond te horen was.