De volgende morgen bracht weer de bekende zon aan de diep blauwe lucht. Na een goed ontbijt gingen we vast op weg in de wetenschap dat de ploeg ons wel weer snel zou inhalen. Vroeg op pad gaan zou kunnen helpen om het tempo er in te houden. Het zou immers een lange en spannende dag worden met het oversteken van de Namun La. Er was een duidelijk pad te zien in een zeer ruim dal met aan het eind daarvan wel heel hoge en steil oprijzende bergen. De vorm van de dag was goed en met veel plezier drentelde wij in het ochtend zonnetje voort. Toen heel ver beneden nog iets van rook te bespeuren was, kreeg de bergwildernis weer iets van de menselijke wereld.
Het was ons ondanks de uitleg met de vele handbewegingen bij de start van onze tot gids gepromoveerde hulpgids de “Gele Jas” (later de "Kippendief" genoemd) niet duidelijk hoe het pad omhoog zou gaan. Optisch stevende wij namelijk recht op een muur af. Vlak bij de wand wachtte ons nog een kleine verrassing. Tussen het pad en de bergwand bleek nog een woeste gletsjerstroom te lopen. Hoe kwamen we daar in hemelsnaam over zonder een nat pak of erger nog de kans om meegesleurd te worden
Uitkijkend naar de niet aanwezige oversteek werden wij ingelopen door de groep. Deze zag helemaal geen probleem en begon eenvoudigweg vlijtig een dam te bouwen. Eerst leek dat onbegonnen werk maar als er een steen ligt dan volgen er meerderen. Na de bagage wilden ze ons oppakken om over te zetten. Maar dat was onze eer te na. Zij op blote voeten er doorheen; wij idem.
Na de oversteek zagen wij het pad. Het had iets van recht omhoog een zwarte piste oplopen. Het werd dus echt zwoegen in de nog steeds lekker schijnende zon. Na de middagstop was het mooie weer over. Na de lunch op een aangename bergweide trok de lucht dicht en spoedig liepen we in de wolken. Hoe de "Gele Jas" een pad vond in de mistige steenwoestijn was ons een raadsel. Hij liep rustig en zelfverzekerd door en dat stelde gerust. Tot overmaat van ramp begon het ook nog te sneeuwen en werd het letterlijk een uitzichtloze klim. Het was dus niet nadenken en doorstampen geblazen.
Het leek een eeuwigheid maar uiteindelijk werd de Namun La in de sneeuw en mist ongeveer op de tast genomen. Deze bestond voor zover wij nog iets konden zien uit een smalle richel in de bergwand met rechts naast ons een ravijn zonder zichtbare bodem. Wij hebben elkaar daar over moeten helpen. Drager Oom kreeg het daar op zijn zenuwen maar uiteindelijk lukte het om hem zonder bagage en met de helpende hand van de gids aan de andere kant te krijgen.
Het beloofde weergaloze uitzicht hebben wij dus moeten missen en aan een fotomoment was helemaal niet te denken. Iedereen wilde graag en snel naar beneden. Ton en Otto was het overigens niet beter vergaan. Zij hadden naar later bleek een paar dagen eerder dezelfde worsteling doorgemaakt en aangenomen dat wij het met onze kleine groep de pas niet zouden halen.
Onze worsteling was echter nog niet ten einde. In de mist en sneeuw viel de groep uit elkaar en zo stonden de twee avonturiers moederziel alleen en verlaten op 5000 m. Na veel roepen en fluiten dook gelukkig de onvolprezen Prem met zijn bekende big smile uit de mist op en bracht ons weer bij elkaar.
De afdaling was nog een paar uurtjes doorbijten voor het sein "tea Sir" klonk. De groep daalde namelijk wat sneller dan wij en had al kamp gemaakt. Opgetogen over het succes werd gegeten en gedronken. Het reserve team had de oversteek gezond en wel gehaald. De volgende etappe tot Koto zou een zacht eitje worden, zo dachten wij in onze onnozelheid.