De morgen begon om even voor zessen donker maar glashelder en koud. De ijsbloemen bloeide prachtig op de ruiten. Bij het ontbijt besloten Leny en ik de af te zien van de Kala Pattar en in plaats daarvan direct af te dalen naar Periche. Mijn verkoudheid en die van Leny als volgend slachtoffer van het Ton-virus vormden een te groot risico. Het had fysiek wel gekund maar de gevolgen van de zware en koude ademhaling op de longen en de vermoeienis van de ultra lange dagtrip vonden we toch wel iets te veel van het goede, zeker gezien het veeleisende verdere programma . We zwaaien Hub, Otto en Nuri dus na het ontbijt bij het krieken van de dag uit en zodra de zon goed op was daalden we met de twee dragers in een aangename wintersport-ambiance af. Lobuche lieten we links (rechts) liggen want zelfs in de zon is het nog een ellendig uitziend oord waar je alle hoop laat varen. We liepen dus snel door naar Dukhla en hielden een koffie/lunchpauze in dezelfde lodge als gisteren. Navraag bij de uitbaatster, via een vertalende gids, leerden ons dat Ton en Kamei hier niet waren blijven slapen en dus wel in Pheriche moeten zitten.
De afdaling na de oversteek van de rivier in het dal waarin Pheriche ligt ging snel maar daarna was het tegen een rot wind in ploegen door keienvelden, zompig grasland en overal stromende beekjes. We vroegen ons af hoe Ton dit gistermiddag laat had gered en hoopten dat hij het nog voor het donker had gehaald. Het leek eindeloos maar toch nog snel bereikten we Pheriche en vonden daar Ton en Kamei terug. Ton was wat opgeknapt maar zag er nog steeds belabberd uit en was nog zeer kortademig. Het laatste deel hadden zij gisteren in het donker moeten doen en was dankzij Kamei goed geëindigd. De “Ama Dablam” lodge was een absolute ramp met kierend plastic voor de ramen, geen water, een toilet op 100 m afstand en wat het ergste was geen kachel. De heksachtige uitbaatster kwam wel ijverig aanzetten met een rokende open stoof met wat brandende takken en yak-kakken maar dat verbeterde niets. Met Kamei gingen we op zoek naar iets beters maar dat was in heel Pheriche (en dat is niet veel) niet te vinden was.
We lunchten in het Himalaya hotel, een goed uitziende lodge met een “sun room” vlak naast de kliniek. Na het eten vielen daar in de warmte van het zonnetje prompt in slaap. We waren overigens niet de enige want de lodge-uitbaatsters en de twee bijbehorende baby’s in de (gesloten) mandwiegen deden net zo hard mee. Overigens is Nepal in het Himalaya-gebied geen echt kinderland want de gezinnen bestaan slecht uit één, twee of bij uitzondering drie kinderen. De natuur corrigeert kennelijk de effecten van de menselijke voortplantingsdrift.
Tegen vieren verkasten we naar de “Hoogteziekte Kliniek” (Himalayan Rescue Organisation Nepal) en volgden daar met grote interesse de boeiende “lecture” van de zeer Amerikaanse maar helder docerende Dr. Bradley Jacobs. We hadden het achteraf gezien met Ton en Hub goed aangepakt zo leerden wij, alleen had één van ons eigenlijk met Ton mee af moeten dalen teneinde de verantwoording te kunnen nemen..
s`Avonds aten we tot grote woede van de lodge-uitbaatster elders want we hadden absoluut geen zin om in de kou te zitten. We belandden in een mooie, redelijk warme lodge met een echte balie! Voor de lodge was het veld vol met sherpa’s voor de viering van een feest waarbij kennelijk de meisjes de jongens mochten vragen. Kennelijk is het “Oude wijven bal” een mondiaal, boven culturele gebeurtenis.
Bij terugkomst in de lodge bleken Hub en Otto redelijk uitgewoond aangekomen te zijn en aan de maaltijd te zitten. Het was hun wel zwaar gevallen maar ze hadden prachtig (foto) weer op de Kala Pattar gehad. Het laatste stuk was hun echter ook zwaar gevallen en Otto had Hub er min of meer doorgesleept. Voor het slapen gaan beraadslaagden we nog over de situatie van Ton. het was duidelijk dat hij nog niet over de hoogteziekte/verkoudheid heen was en nodig verder moest afdalen. Dus werd afgesproken dat hij na de volgende etappe plaats Portche samen met zijn (intussen) “buddy” Kamei terug zou gaan naar Namche Bazar en omgeving en daarbij in Khumde het hospitaal zou bezoeken.
s`Nachts hoorden wij zeer lang het monotone en wat droefgeestige gezang van de Sjerpa’s dat niet na te doen is maar wel in je hoofd blijft zitten. Dit in een weinig harmonische combinatie met de door merg en been gaande hoestgeluid van een jeugdige Japanner.