Hier volgt een overzichtelijke samenvatting van het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026:
Een vader (de verdachte) weigerde zijn 5-jarige dochter in te schrijven op een school. Hij deed op basis van zijn geloofsovertuiging (Tasawwuf ofwel het soefisme) een beroep op de vrijstellingsgrond van de Leerplichtwet (artikel 5, aanhef en onder b, Lpw). Hij stelde 'overwegende bedenkingen' (richtingsbezwaren) te hebben tegen het onderwijs op álle scholen binnen een redelijke afstand van zijn woning.
Het gerechtshof had de bezwaren van de vader tegen de religieuze en bijzondere scholen in de buurt (islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen) wél voldoende concreet en zwaarwegend gevonden.
Het hof wees de vrijstelling echter af omdat de bezwaren tegen het openbaar onderwijs niet voldeden aan de eisen van concreetheid en zwaarwegendheid. De Hoge Raad heeft dit oordeel van het hof in stand gelaten.
De ouders voerden onder meer aan dat openbare scholen levensbeschouwelijk neutraal zijn en alle religies eerbiedigen, wat de spirituele ontwikkeling van hun dochter zou schaden en ertoe zou kunnen leiden dat zij 'het paradijs niet binnengaat'. Het hof oordeelde hierover:
Geen afkeuring: Op geen enkele wijze was gebleken dat de openbare scholen de thuis meegegeven geloofsovertuiging tegenspreken of afkeuren.
Gebrek aan onderzoek: De ouders waren niet met openbare scholen in gesprek gegaan om te onderzoeken welke ruimte er eventueel was voor hun specifieke wensen.
Uitsluiting van alle onderwijs: Met hun algemene bezwaren sloten de ouders per definitie iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in hun eigen specifieke leer. Dat is niet de bedoeling van de vrijstelling.
Thuisonderwijs is geen argument: Het feit dat de ouders zelf in thuisonderwijs kunnen of willen voorzien, is op zichzelf geen reden om een vrijstelling te rechtvaardigen.
De Hoge Raad heeft in deze uitspraak de eerdere rechtspraak verduidelijkt en aangescherpt. Dit vanwege onduidelijkheden in de praktijk én de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor volwaardige deelname aan de samenleving.
Het aangescherpte kader houdt in:
Schoolplicht staat voorop: In de basis kent Nederland een schoolplicht (geen loutere leerplicht). Vrijstellingen moeten daarom strikt en indringend worden getoetst.
Zeer strenge grens voor openbare scholen: Een beroep op de vrijstellingsgrond ten aanzien van openbare scholen kan voortaan alleen nog slagen als vaststaat dat het onderwijs (voor zover dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is) op alle openbare scholen in de buurt niet op een objectieve, kritische en pluralistische manier plaatsvindt.
Uitzonderlijke omstandigheden: De Hoge Raad benadrukt dat een beroep op deze vrijstelling wat betreft het openbaar onderwijs hierdoor in de praktijk nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen.
Het hof uitte in de procedure grote zorgen over de praktijk. Het aantal vrijstellingen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Uit een enquête onder leerplichtambtenaren bleek dat de toetsing in de praktijk vaak veel te marginaal is; soms wordt er niet eens naar de religieuze richting gevraagd of worden ouders nooit opgeroepen voor een gesprek. Hierdoor is er te weinig zicht op het welzijn en de kwaliteit van het onderwijs aan deze kinderen. Het hof riep dan ook op tot een veel indringendere handhaving en toetsing.
Het cassatieberoep van de vader is door de Hoge Raad verworpen; de veroordeling wegens het niet voldoen aan de inschrijfplicht blijft in stand.