Verloren consensus. Europa in het Nederlandse parlementair-politieke debat 1945-2013
Anjo G. Harryvan en Jan van der Harst (red.)
Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2013
Bron: Rijksuniversiteit Groningen (repository) - eigen archief (PDF 2,8 MB)
Deze bundel onderzoekt hoe de Nederlandse politiek en het parlement tussen 1945 en 2013 over Europese integratie dachten en debatteerden.
De titel "Verloren consensus" verwijst naar de historische omslag in de Nederlandse politiek:
De periode van brede consensus (ca. 1945–1990): Vrijwel alle grote Nederlandse partijen stonden unaniem achter verdere Europese integratie en een federaal Europa.
Het verlies van de consensus (vanaf de jaren '90): Mede door gebeurtenissen zoals 'Zwarte Maandag' (1991), de koerswijziging van de VVD onder Frits Bolkestein en de Deense en Franse referenda over het Verdrag van Maastricht, brokkelde dit unanieme draagvlak af en werd 'Europa' een omstreden thema in de Nederlandse politiek.
De bundel Verloren consensus: Europa in het Nederlandse parlementair-politieke debat 1945-2013 is chronologisch opgebouwd in zeven opeenvolgende tijdvakken. Samen schetsen de auteurs (onder wie Jan Willem Brouwer, Johan van Merriënboer, Hilde Reiding, Anjo Harryvan en Jan van der Harst) de evolutie van een unanieme Pro-Europese basishouding naar een gepolitiseerd en kritisch debat.
1. 1945–1957: Europa als oplossing
(Jan Willem Brouwer & Johan van Merriënboer) In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog zag Nederland Europese integratie als hét middel om vrede, veiligheid en economisch herstel te garanderen. De oprichting van de EGKS (1951) en de EEG (1957) kon rekenen op brede steun in de Tweede Kamer.
2. 1958–1972: Voet geven aan Europa
(Jan Willem Brouwer & Johan van Merriënboer) De eerste hoogtijdagen van de EEG. Nederland profiteerde sterk van de open grenzen en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (Mansholt). Politiek zette Nederland zich fel in voor supranationale besluitvorming, de versterking van het Europees Parlement en de toetreding van het Verenigd Koninkrijk.
3. 1973–1986: De teleurstellende Europese werkelijkheid
(Hilde Reiding) Onder invloed van de oliecrisissen en economische stagnatie (de zogeheten 'Eurosclerose') verloor de Europese integratie haar dynamiek. In de Nederlandse politiek ontstond meer twijfel over de effectiviteit van Europese besluitvorming, al bleef de principiële steun overeind.
4. 1986–1993: Omslag door de val van de Muur en het Verdrag van Maastricht
(Anjo G. Harryvan & Jan van der Harst) Het hoofdstuk uit uw document. De Europese Akte bracht weer enthousiasme, maar de val van de Berlijnse Muur dwong tot snelle verdieping. Dit leidde tot de afwijzing van het Nederlandse Verdragsvoorstel ('Zwarte Maandag', 1991), het Verdrag van Maastricht en de eerste serieuze scheurtjes in de Nederlandse consensus.
5. 1994–2001: Europa wordt binnenland
(Anjo G. Harryvan & Jan van der Harst) Tijdens de paarse kabinetten (Kok I en II) raakten Europese besluiten steeds directer verbonden met nationaal beleid (zoals de voorbereiding op de euro en uitbreiding naar Oost-Europa). Europa was niet langer ver-van-mijn-bed, maar 'binnenlands beleid' geworden.
6. 2002–2005: Dissonanten nemen toe. Keerpunt in het Nederlandse Europadebat
(Anjo G. Harryvan & Jan van der Harst) De definitieve cesuur in het debat. Onder invloed van de opkomst van het populisme (Fortuyn), zorgen over de grenzeloze uitbreiding en gevoelens van verlies van nationale soevereiniteit stemde de Nederlandse bevolking op 1 juni 2005 massaal 'Nee' in het referendum over de Europese Grondwet.
7. 2006–2011/2013: Europa boven aan de agenda
(Anjo G. Harryvan & Jan van der Harst) Na het Grondwetsreferendum en tijdens de Europese schuldencrisis (2008 en verder) werd Europa een fel gepolitiseerd verkiezingsthema. De gevestigde partijen namen een pragmatischer en kritischer houding aan ("geen visie, maar resultaten"), terwijl eurokritische partijen ter linker- (SP) en ter rechterzijde (PVV) flink groeiden.
Het boek concludeert dat de vanzelfsprekendheid van de Nederlandse Pro-Europese koers definitief voorbij is. Waar Nederland decennialang vooropliep in het Europese integratieproces, is de Nederlandse politiek getransformeerd tot een terrein waar behoud van nationale soevereiniteit, kritiek op 'Brussel' en electorale terughoudendheid de toon aangeven.
Samenvatting hoofdstuk 4 (p143-174)
1986-1993: Omslag door de val van de Muur en het Verdrag van Maastricht
Auteurs: Anjo G. Harryvan en Jan van der Harst
Context en Dynamiek (1986–1989)
Herleving van de EG: Met de Europese Akte (1985/1986) en de bezieling van Commissievoorzitter Jacques Delors herleefde de Europese integratie. Het "Europa 1992-project" streefde naar het voltooien van de gemeenschappelijke markt.
Brede Nederlandse Consensus: In Nederland ondersteunden de grote politieke partijen (CDA, PvdA, VVD en D66) de Europese Akte, al was er teleurstelling over het "democratisch tekort" en de beperkte bevoegdheden van het Europees Parlement. Klein-links (PSP, PPR) en klein-rechts (SGP, GPV, RPF) bleven kritisch of afwijzend.
Duitse Eenwording en Vernieuwing van de Agenda (1989–1990)
Val van de Muur (1989): De hereniging van Duitsland dwong de Europese partners tot versnelde integratie (verdieping) om een machtig, herenigd Duitsland stevig in te kapselen binnen Europese structuren.
Frans-Duitse impuls: Frankrijk en Duitsland pleitten voor zowel een Monetaire Unie (om de dominantie van de Duitse Mark te breken) als een Politieke Unie.
Het Nederlandse Voorzitterschap en 'Zwarte Maandag' (1991)
Het Nederlandse Streven: Tijdens het EG-voorzitterschap in de tweede helft van 1991 streefde de Nederlandse regering (kabinet-Lubbers III: CDA en PvdA) naar een federaal, unitair verdrag waarin alle beleidsterreinen onder de communautaire structuur (Europese Commissie, Europees Parlement) zouden vallen.
'Zwarte Maandag' (30 september 1991): Het Nederlandse conceptverdrag werd door vrijwel alle lidstaten (behalve België) massaal afgewezen. Nederland moest haastig terugvallen op het door Luxemburg voorgestelde "pijlerontwerp". Dit evenement werd ervaren als een historische diplomatieke nederlaag.
Het Verdrag van Maastricht (december 1991)
Drie Pijlers: Het Verdrag van Maastricht richtte de Europese Unie op, gebouwd op drie pijlers:
Eerste pijler (Communautair): De EG, de interne markt en het traject naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de euro per 1999.
Tweede pijler (Intergouvernementeel): Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB).
Derde pijler (Intergouvernementeel): Samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ).
Aanvullende elementen: introductie van het Cohesiefonds, Europees burgerschap, het Sociaal Handvest en de medebeslissingsprocedure voor het Europees Parlement.
Opkomst van euroscepticisme en ratificatieperikelen (1992–1993)
Breuk in het Nederlandse Consensusmodel: Onder leiding van Frits Bolkestein veranderde de VVD van koers: zij wees een federaal Europa af en koos voor een confederaal, "kerntaken-Europa".
Het Deense 'Nee' en het Franse referendum: In juni 1992 stemde de Deense bevolking tegen het Verdrag van Maastricht, wat een politieke schokgolf teweegbracht en de periode van stilzwijgende publieke instemming afsloot. Pas na concessies (opt-outs) keurden de Denen in mei 1993 het verdrag goed. Frankrijk stemde in september 1992 eveneens nipt voor ("petit oui").
Ratificatie in Nederland: Ondanks toenemende parlementaire en maatschappelijke kritiek keurde de Tweede Kamer het Verdrag van Maastricht uiteindelijk zonder problemen goed.