>>> Zie ook Targoem
Aramese mythe
door B.J.E. van Noort
Hieronder plaats ik een notitie die ik tientallen jaren geleden heb opgeslagen onder het kopje "Aramese mythe". Ik weet niet meer de bron van deze notitie.
Vraag 1. Kan je aan de hand van de naam onder de tekst, namelijk B.J.E. van Noort, de bron vinden van deze notitie?
Vraag 2. Wat is de achtergrond van deze gedachtengang dat het christendom losgeraakt zou zijn van zijn wortels vanwege de (naar ik meende, algemeen aanvaarde) theorie dat Jezus Aramees zou hebben gesproken, hier de Aramese mythe genoemd. En waarom - indien niet Aramees - zou Jezus en zijn omgeving dan niet eerder Hebreeuws hebben gesproken (zoals veel mensen denken, zeg maar de "Joodse taal")?
PS 1. Terwijl ik de tekst kopieer zie ik dat de bron wél vermeld wordt, namelijk Teologica.nl . Deze website bestaat niet meer. Bij mijn weten was dit de uitgever van de "Online Bijbel" (met diverse bijbelvertalingen, theologische handleidingen en notities) op CD's. Daarmee is de eerste vraag feitelijk beantwoord, maar misschien kan je die bron en de achtergrond ervan toch nog wat verder invullen.
PS 2. Onder de tekst van B.J.E. van Noort heb ik indertijd ook een korte toelichting uit 'All About Judaism' geplaatst over het Aramees in de tijd van de Bijbel. Die toelichting kopieer ik hier volledigheidshalve mee.
NOTITIE:
03798-Ac1.19 <2006-07-08 22:12>
De Aramese mythe
En in die dagen stond Petrus op onder de broeders en hij sprak: 'Mannen broeders, ... en het is bekend geworden aan allen die te Jeruzalem wonen, zodat dat stuk land in hun eigen taal "Akeldama", dat wil zeggen "Bloedgrond" heet ...' Hand. 1:19
Eén van de oorzaken waardoor het christendom is losgeraakt van zijn wortels is de theorie dat Jezus Aramees zou hebben gesproken. De betekenis hiervan is dat het christendom met een Grieks nieuwe testament niet zou beschikken over de oorspronkelijke woorden van Jezus. Dit is een koningsdrama voor het christendom: een godsdienst die niet beschikt over de echte uitspraken van de stichter. Om de omvang van het probleem te verkleinen, wordt er wel gezegd: Jezus zou zowel Aramees als Grieks gesproken hebben. Maar daarmee verandert er niet veel. Het is slechts in een uitzondering vast te stellen wat dan oorspronkelijk Grieks is: bijvoorbeeld toen Jezus sprak met Pontius Pilatus van wie niet te verwachten is dat hij de taal van de Joden sprak. In vrijwel alle andere gevallen blijft het volgens deze aangepaste theorie toch gissen welke taal Jezus gebruikt heeft, ofwel wat hij werkelijk gezegd heeft.
Het is niet zo moeilijk om de Aramese hypothese te weerleggen. Bijvoorbeeld met de enkele tekst die in de intro is geciteerd. Het woord 'Akeldama' is een voluit Aramees woord (Akel = veld; dama = bloed). De hypothese zegt dat Jezus Aramees sprak omdat alle mensen in Galilea toen Aramees spraken. Maar hoe kan het dan dat Petrus tot zo'n 120 Galileeërs zegt: '... en het is bekend geworden aan allen die te Jeruzalem wonen, zodat dat stuk land in hun eigen taal "Akeldama", dat wil zeggen "Bloedgrond" heet ...'. Petrus verwijst NIET naar 'onze' taal, van Judeeërs en Galileeërs, maar naar de taal van de mensen 'die te Jeruzalem wonen'. Daarin (Hebreeuws) paste 'Akeldama' als Aramees leenwoord. Petrus had dit niet kunnen zeggen als de Galileeërs die hem hoorden, dagelijks Aramees spraken zoals men betoogt. Petrus vertaalde het ook nog eens voor die 120 Galileeërs 'dat wil zeggen "Bloedgrond" heet ...'. Alsof een vertaling nodig was als zij Aramees spraken. Wanneer Petrus hier had gesproken tot Aramees sprekende Galileeërs, had hij gezegd: '... zodat dat stuk land in onze taal "Akeldama" heet.' (zonder de uitdrukking 'in hun eigen taal' en zonder vertaling erbij) Nee, hier spraken 120 Galileeërs Grieks met elkaar zoals zij het gewend waren. Wij hebben hier één tekst die in zijn volstrekte eenvoud de Aramese hypothese tot een onmogelijkheid maakt.
Natuurlijk is deze zin aan de geleerden niet ontgaan en ook niet dat die niet past in de gangbare theologie. Daar is iets op gevonden, een eeuwenoude uitleg is: Petrus zou dit niet gezegd hebben, maar Lucas, de schrijver van het boek Handelingen, zou hier met een tussenzin een uitleg hebben ingevoegd in de rede van Petrus. Dan zou Lucas hier zeggen dat 'hun taal' (van die 120 Galileeërs) Aramees is omdat 'Akeldama' zoals gezegd een Aramees woord is. Om te benadrukken dat dit een uitleg van Lucas zou zijn, hebben veel Engelse en Amerikaanse bijbeledities de verzen 18-19 tussen haken gezet ( ... ) om aan te geven dat ze niet door Petrus gesproken zouden zijn. Dat deze haken in het oorspronkelijk Grieks gewoon ontbreken, schijnt een onbeduidende kleinigheid te zijn. Maar in de authentieke Griekse tekst zonder haken zijn dit woorden van Petrus die weerspreken dat Galileeërs Aramees spraken en dat Jezus ooit Aramees sprak. De onschuldig uitziende haken representeren een wereld van verschil.
Petrus was door Jezus ooit Cephas genoemd: Rots. Dat was een Aramese naam. Petrus was ongetwijfeld opgegroeid in net zo'n gezin als waarin Jezus opgegroeid was. Daar werd in de huiselijk sfeer Hebreeuws (met Aramese leenwoorden) gesproken om de wetskennis in stand te houden. Toen Jezus hem de naam Cephas gaf, begreep Petrus dat ook: Rots. Daarom kon Petrus hier ook het woord Akeldama voor de andere Galileeërs vertalen 'Bloedgrond'.
Wat is de rol van de documentatie-exegese in de benadering van deze tekst? De documentatie-exegese leert dat de evangelisten, dus ook Lucas als schrijver van Handelingen, uiterst nauwkeurig omgingen met het gesproken woord. We hebben hier werkelijk met de woorden van Petrus te doen. Er is geen enkele reden om vers 18-19 tussen haken te zetten alsof dat niet van Petrus afkomstig zou zijn. Een greep uit de vertalingen die dit wel doen: ASV (American Standard Version), ESV (English Standard Version), RSV (Revised Standard Version), NASB (New American Standard Bible), NEB (New English Bible), GNB (Good News Bible), ISV (International Standard Version), NIV (New International Version).
Het gaat natuurlijk veel te ver om te beweren dat geleerden die deze vertalingen verzorgden, expres het christendom hebben willen ondermijnen. Anderzijds kan niet onopgemerkt blijven dat veel christelijke geleerden bij herhaling geen oog gehad hebben voor de tekortkomingen van hun eigen vooronderstellingen. Mede daardoor is de Aramese hypothese uitgegroeid tot een christelijke mythe van allure. Maar de schade daarvan is zo groot dat die iedere beschrijving tart. Bedenk alleen maar eens hoe moeilijk het voor moslims is om het Nieuwe Testament te aanvaarden omdat de inhoud ervan niet authentiek is in hun ogen. Voor hen is het enkele argument van de Aramese hypothese een afdoend argument voor dit standpunt. Maar ondanks alles blijft staan: Het is eenvoudig aantoonbaar uit het nieuwe testament dat de christenen over de echte woorden (Grieks) beschikken van de stichter van hun geloof.
Post Scriptum. In Handelingen 2:9 wordt verbazing erover uitgesproken dat Galileeërs de specifieke taal van Judea (Hebreeuws) spraken met het Pinksterwonder. Hebreeuws sprak men dus niet in het publieke leven in Galilea. In Handelingen 2 worden nog meer talen genoemd die Galileeërs niet spraken en Grieks ontbreekt in die opsomming. Logisch, dat was gewoon hun taal. Daarom werd er juist neergekeken op Galileeërs door de Judeeërs omdat de Galileeërs de taal der vaderen hadden prijs gegeven in het openbare leven. Daarom kon er naar hun begrip ook geen profeet opstaan in Galilea (Joh. 7:52). In Jeruzalem sprak ook het lagere volk geen Hebreeuws meer. Het grootste deel van de Jeruzalemse christengemeente kwam uit die bevolkingsgroep en sprak Grieks zoals blijkt uit Handelingen 6:1. (Zie ook Johannes 7:49, hierin wordt verwezen naar de volksmassa van Jeruzalem die de wet niet kende; ofwel die niet meer Hebreeuws sprak, maar Grieks sprekend was geworden.)
B.J.E. van Noort
Bron: http://www.teologia.nl/artikelen/aramese_mythe.html
AANVULLING: All About Judaism: Encyclopedia of Judaism: Aramaic (fragment).
Among Jews, Aramaic was employed in the Second Temple period as an international language for contracts, and has remained so until now as the text for marriage (ketubbah) and divorce (get) documents. It was also used for the mystical texts among the DEAD SEA SCROLLS . There is a controversy whether, at the time, Aramaic replaced HEBREW as the spoken language among the lower classes of the Jewish population of Palestine. This was argued especially by Christian scholars, who assumed that the Gospels had originally been in Aramaic. As evidence, they cited a dozen words quoted in the New Testament, half of which could equally well be Mishnaic Hebrew. It is probable that Jesus, having grown up in Galilee, would have known Aramaic, but since, according to the Gospels, he was expert in the Bible, he must have known Hebrew. This allows no conclusion regarding the language of his preaching.
De bron van deze tekst is inderdaad nauw verbonden met de Online Bijbel, een softwarepakket dat in het Nederlandse taalgebied decennialang de standaard was voor digitale bijbelstudie.
De auteur: B.J.E. (Bert) van Noort was de oprichter en drijvende kracht achter Importantia Publishing. Hij was de man die de Online Bijbel in Nederland groot maakte. Van Noort was niet alleen een uitgever, maar ook een actieve publicist die zich bezighield met tekstkritiek en de oorsprong van de bijbeltekst.
De website: Teologia.nl (vaak ook gelinkt aan teologica.nl) was het online platform van Importantia. Hierop werden artikelen gepubliceerd die vaak ook als 'notities' of 'modules' werden meegeleverd bij de Online Bijbel op cd-rom.
De visie: Van Noort had een specifieke missie: aantonen dat het Griekse Nieuwe Testament de oorspronkelijke weergave is van de woorden van Jezus, en niet een vertaling uit het Aramees. Hij verzette zich tegen de gedachte dat we slechts een 'echo' van Jezus' woorden zouden hebben.
De kern van het betoog van Van Noort is dat het christendom een probleem heeft als Jezus Aramees sprak.
Als Jezus Aramees sprak en de evangelisten schreven in het Grieks, dan is elke tekst in het Nieuwe Testament een vertaling. In de theologie leidt dit tot de vraag: "Wat heeft Jezus écht gezegd?" (de zoektocht naar de ipsissima verba). Critici (en ook moslims, zoals Van Noort opmerkt) kunnen dan zeggen: "De tekst is niet authentiek, want de taal van de stichter is verloren gegaan in de vertaalslag." Door te stellen dat Jezus en de Galileeërs gewoon Grieks spraken, heft Van Noort dit probleem op: de Griekse tekst is dan de directe, onfeilbare bron.
De vraag waarom Jezus niet simpelweg Hebreeuws sprak (de taal van het Oude Testament), is complex. In de tijd van Jezus was de taalsituatie in Judea en Galilea drietalig:
Aramees: De algemeen aanvaarde volkstaal (lingua franca) van het Midden-Oosten in die tijd. De meeste geleerden menen dat dit de dagelijkse taal van Jezus was.
Hebreeuws: Lange tijd werd gedacht dat dit alleen een dode, religieuze taal was (zoals het Latijn later). Echter, door de vondst van de Dode Zeerollen weten we dat er nog wel degelijk een vorm van 'gesproken' Hebreeuws bestond (het Misjna-Hebreeuws).
Grieks: De taal van de handel, de overheid en de internationale contacten.
De "Hebreeuwse hypothese": Er is een stroming die stelt dat Jezus juist wel Hebreeuws sprak om zijn Joodse identiteit te benadrukken tegenover de heidense invloeden. Van Noort kiest echter een andere route: hij gebruikt de tekst in Handelingen om te betogen dat de Galileeërs hun Hebreeuws kwijt waren aan het Grieks, en niet aan het Aramees.
De tekst van Van Noort is een pleidooi voor de directe autoriteit van de Griekse bijbel. Hij probeert met taalkundige logica (zoals het voorbeeld van Akeldama) aan te tonen dat de aanname dat iedereen Aramees sprak, een "mythe" is die de wortels van het christendom onnodig losmaakt van de brontekst. Hoewel de meeste moderne historici nog steeds uitgaan van het Aramees als hoofdtaal van Jezus, is de discussie over hoeveel Grieks en Hebreeuws hij kende nog altijd actueel. Van Noorts bijdrage was destijds een felle verdediging van de betrouwbaarheid van de overgeleverde Griekse teksten.
De ontdekking van de Dode Zeerollen in 1947 in de grotten van Qumran heeft ons begrip van de tijd van Jezus radicaal veranderd. Tot die tijd dachten veel geleerden dat het Hebreeuws in de eerste eeuw een 'dode' taal was, vergelijkbaar met hoe wij nu tegen het Latijn aankijken: een taal die alleen nog in de synagoge voor gebeden werd gebruikt.
Hieronder leg ik uit hoe deze rollen de discussie over de taal van Jezus hebben beïnvloed en waarom dit de theorie van Van Noort (over het Grieks) en de 'Aramese mythe' in een nieuw daglicht stelt.
Vóór 1947 was de algemene gedachte: de Joden in Palestina spraken Aramees, en de elite sprak Grieks. Hebreeuws was slechts voor de boekrollen. De Dode Zeerollen lieten echter iets heel anders zien. Van de ruim 900 gevonden manuscripten is ongeveer 80 procent in het Hebreeuws geschreven, zo'n 15 tot 17 procent in het Aramees en slechts een klein deel in het Grieks.
Belangrijker nog: dit was niet alleen het oude 'Bijbelse' Hebreeuws. Men vond ook teksten in een vorm van Hebreeuws die veel dichter bij de spreektaal lag (het zogenaamde Misjna-Hebreeuws). Dit bewees dat Hebreeuws in de tijd van Jezus nog een levende taal was voor religieuze discussies, juridische documenten en dagelijks gebruik in Judea.
Dankzij de rollen ontstond er een nieuwe school van wetenschappers (vooral in Jeruzalem, zoals David Flusser en Shmuel Safrai). Zij stelden dat Jezus zijn onderwijs waarschijnlijk in het Hebreeuws gaf. Hun argumenten zijn:
Gelijkenissen: Veel gelijkenissen van Jezus hebben een structuur die perfect past bij de Joodse traditie van die tijd, waarin leraar en leerling Hebreeuws spraken.
Woordspelingen: Sommige uitspraken van Jezus in de evangeliën bevatten woordspelingen die alleen werken in het Hebreeuws, en niet in het Aramees of Grieks.
Identiteit: Hebreeuws was de taal van de nationale identiteit en de religieuze vernieuwing. Iemand die als 'profeet' of 'messias' optrad, zou logischerwijs de heilige taal van het volk gebruiken.
De Dode Zeerollen laten zien dat we niet moeten kiezen voor één taal. De wereld van Jezus was drietalig:
Hebreeuws: De taal van de Thora, het onderwijs en de nationale trots.
Aramees: De taal van de handel en het contact met de omringende landen (de lingua franca).
Grieks: De taal van de overheid, de steden en de internationale cultuur.
Van Noort gebruikt in zijn notitie het argument dat de Galileeërs Grieks spraken omdat ze hun 'vaderlandse taal' waren kwijtgeraakt. De Dode Zeerollen nuanceren dat beeld. Het is heel goed mogelijk dat Jezus en zijn discipelen alle drie de talen beheersten, afhankelijk van de situatie. Het interessante aan Van Noorts betoog is dat hij de 'Aramese mythe' aanvalt om de Griekse brontekst te verdedigen. De ontdekkingen in Qumran vallen hem hierin deels bij: ze laten zien dat het Aramees inderdaad niet de enige of zelfs niet de belangrijkste taal hoefde te zijn. Maar waar Van Noort doorslaat naar het Grieks, wijzen de rollen juist vaker terug naar het Hebreeuws als de taal van het hart en het geloof. Kortom: de Dode Zeerollen hebben de 'Aramese mythe' niet vervangen door een 'Griekse mythe', maar hebben laten zien dat de taalsituatie veel rijker en joodser was dan men lange tijd dacht. Jezus sprak waarschijnlijk Hebreeuws met zijn volgelingen, Aramees met de buren en (wellicht) Grieks met een Romeinse officier.